Bisschoppelijk tijdvak

In vroeger tijden heerste de gewoonte, dat de vorsten hen, die hun belangrijke diensten bewezen,of wien zij een blijk van waardering wilden geven, het vruchtgebruik van een stuk land verleenden. De schenker werd leenheer, de begiftigde, leenman of vazal genaamd. Als loon voor die schenkingen moest de vazal zijn leenheer, zekere diensten bewijzen, b.v. in tijd van nood gewapenderhand bijstaan. Sommige leenmannen die van onderscheidene vorsten landerijen in leen ontvingen, werden langzamerhand zeer machtig, en als het ware vorsten op zichzelf, vooral toen in later tijden de lenen erfelijk werden. In ons land waren de Graven van Holland en de Graven, later Hertogen, van Gelder de voornaamsten. Niet alleen wereldlijke personen werden met deze schenkingen begunstigd, niet minder werd de kerk bedacht. Zo kreeg de Bisschop van Utrecht langzamerhand geheel Utrecht en een groot gedeelte van Overijssel in zijne macht. Deze macht werd nog uitgebreid, toen in 1024, keizer Hendrik II van Duitsland, bij welk rijk ons land toen behoorde, aan Adelbold, Bisschop van Utrecht en zijnen opvolgers, het Graafschap Drenthe en de Heerlijkheid Coevorden ter leen gaf. Reeds in 943 den 24sten November was Balderik, Bisschop van Utrecht, door Keizer Otto I het Opper-Houtvesterschap en jachtrecht van het grove wild, als beren, elanden, herten, wilde zwijnen enz., in het Graafschap Drenthe opgedragen. In 1046, na den dood van Goselijn, Hertog van Lotharingen, welke Graaf over een gedeelte van Drenthe was, bevestigde Keizer Hendrik III, de schenking van zijn voorganger.

Toen bezaten de Bisschoppen van Utrecht dus een groot gedeelte van ons land,

daar zij zich ook als Heren van Groningen beschouwden.

Als Heer van het Graafschap Drenthe lieten de Bisschoppen op den Bisschopsberg bij Havelte, als Heer van de Heerlijkheid Coevorden, in een kapel staande te Hulsvoordt, gelegen tussen Coevorden en Dalen. Deze kapel is omstreeks 1500 toen Coevorden Gelders was, vernield. Coevorden werd een wapen verleend: voorstellende een kerkportaal,waarin St.Maarten in Bisschopsgewaad en St.Joris, geharnast, den draak verslaande.

 

Niet altijd hadden de Bisschoppen veel plezier van deze landen. De bevolking van Drenthe, nauw verwant aan de Friezen, en zeer vrijheidslievend zijnd, waren zeer op haar privilegiën en voorrechten gesteld, welke de Bisschoppen niet altijd in acht namen of trachten te bekorten. Bloedige twisten waren hiervan niet zelden het gevolg. Herhaalde malen waren de Bisschoppen genoodzaakt om met een leger uit Utrecht te komen, om de Drentenaren of de Burggraven van Coevorden, welke Drosten over Drenthe waren, te tuchtigen. Niet altijd evenwel met goed succes. Onderscheidene malen werd het Bisschoppelijk leger verslagen, en in 1227 zelfs de Bisschop gedood.

Omstreeks 1140, ten tijde dat de Bisschop Herbert van Bierum, naar Rome was, ontstond door de knevelarijen en gewelddadigheden en zijne dienaars, groot ongenoegen te Groningen. De ingezetenen, nog een oude wrok tegen den Bisschop koesterende, wegens het afbreken van den stadsmuur, vatten de wapenen op en verschansten zich in St. Walburgskerk.

De bisschop, terugkomende, verzamelde in allerijl een leger en bestormde Groningen. Ofschoon sterke wederstand biedende, moesten de Groningers zich eindelijk overgeven. De Bisschop liet de stadsmuur welke de Groningers weer opgebouwd hadden, geheel en al slopen. Hij vond tevens de gelegenheid schoon om zijne broeders, Lijffrijdt en Ludolph van Bierum, in de plaats te stellen van Egbert van Ludolph van Groeningen. De eerste was Erf-Drost van Groningen, de tweede Erf-Maarschalk van Drenthe en Kastelein van Coevorden. Natuurlijk ontstond hieruit groot ongenoegen. De Groningers en Drentenaren, opgestookt door de Heren van Groeningen, vatten de wapenen op en makten het den Bisschop langen tijd lastig. De broeders van den Bisschop bleven echter in hunne betrekkingen.

Genoemde Lijffrijdt of Lieffert, Drost van Groningen overleed in 1164, zonder zonen na te laten.

De dochter van Lieffert maakt, voor hare zonen aanspraak op het Drostschap. De toenmalige Bisschop Godfried van Rhenen, was van een ander gevoelen. Hij beweerde dat Groningen een zwaardleen was, zodat geen vrouw mocht opvolgen, en het leen, bij ontstentenis van een zoon, weer aan den leenheer verviel.

Vrezende dat de bisschop een ander persoon tot Drost van Groningen zou aanstellen, nam de dochter van Lieffert het besluit hare rechten aan Graaf Hendrik van Gelder over te dragen. De Graaf van Gelder, was belust om den Bisschop het leven lastig te maken, nam het aanbod aan, en gaf het leen wederom, uit zijnen naam, aan de dochter van Lieffert, en trok met een leger naar Groningen, om haar tegen den Bisschop te steunen. Deze had reeds bezit van Groningen genomen, waarop de Graaf van Gelder de stad belegerde en innam. De Bisschop zelf zou, zonder de tussenkomst van Graaf Diderik van Kleef, in zijne handen gevallen zijn. De Bisschop ging op zijne beurt, met hulp van Graaf Floris van Holland, Groningen, dat door de Gelderschen geducht versterkt was, belegeren.

Reeds een vol jaar duurde de belegering, toen eindelijk, op last van Keizer Frederik I, Barbarossa, Reinholt, Aartsbisschop van Keulen, den vrede trachtte tot stand te brengen, hetgeen hem gelukte. De kleinzoons van Lieffert bleven in het bezit van Groningen tegen betaling van 300 mark.

 

In ’t jaar 1196 was heer Floris, Kastelein van Coevorden. In dien tijd heerste een levendige handel tussen Groningen en Bentheim. Het vervoer geschiedde per as langs Coevorden, waar van alle goederen tol betaald moest worden. Floris bemoeilijkte de kooplieden en vorderde meer dan de kooplieden meenden verschuldigd te zijn. Graaf Otto IV van Bentheim, broeder van Graaf Floris van Holland en van Boudewijn Bisschop van Utrecht, diende hierover klachten in bij den Bisschop, welke Floris van Coevorden herhaalde male waarschuwde. Deze echter, heimelijk opgestookt door Graaf Otto I van Gelder, die de macht van het Hollandsche Huis met lede ogen aanzag, sloeg alles in de wind. De Bisschop besloot eindelijk Floris van Coevorden eens onder handen te nemen. Met een groot leger en ondersteund door zijne broeders, belegerde hij Coevorden. Floris geen kans ziende weerstand te bieden, vluchtte met zijn stiefzoon Folkert. Door de Bisschop werd hierop tot Kastelein van Coevorden, aangesteld Gijsbrecht van Poskijn, een voornaam Hollandsch edelman. Deze echter, reeds bejaard zijnde, was niet in staat de oproerige Drentenaren in toom te houden. De Bisschop, vrezende voor een algemene opstand, verzocht Graaf Otto van Benthein enigen tijd het Kasteleinsschap van Coevorden waar te nemen, tot tijd en wijle dat de gemoederen dan bedaard zouden zijn. Folkert, stiefzoon van Floris van Coevorden, bracht intussen bijna geheel Drenthe en Groningen in opstand. Hij overviel eerst Groningen, doodde den Burggraaf en drong Twente binnen, alles verwoestende wat onder zijn bereik kwam. De ingezetenen van Groningen maakten zich deze gelegenheid ten nutte, om hun stad in staat van tegenweer te brengen. De Bisschop trok in allerijl met een leger op, terwijl de Graaf van Bentheim hem ter hulp kwam. Zij trokken Drenthe binnen, alles vernielende, verbrandende en doodslaand. Graaf Otto I van Gelder trad eindelijk als bemiddelaar op. Het verschil werd bijgelegd, onder voorwaarde dat de Bisschop 16 personen in handen kreeg om in gijzeling te houden, tot dat hem enige voldoening zoude gegeven zijn. De Bisschop liet echter de 16 gevangenen, niettegenstaande het geven van zijn woord in de gevangenis werpen. De Graaf van Gelder, die zijn goede bedoelingen zo miskend zag, was hierover zeer verontwaardigd.

Folkert van Coevorden, vernemende dat Graaf Otto van Bentheim afwezig was, en dat slechts een kleine bezetting op het Ksteel Coevorden lag, nam het Kasteel met verrassing in. De Gravin van Bentheim, die op het Kasteel verblijf hield, werd met de bezetting gevangen genomen. Grote ontsteltenis heerste er natuurlijk in Bentheim, Utrecht en Holland. Na langdurige onderhandelingen werd de Gravin tegen de 16 gevangen ontslagen.

 

De Bisschop, die natuurlijk woedend was, viel met een leger in Drenthe, verwoeste en vernielde alles en belegerde Coevorden. Folkert echter, het onweer ziende aankomen had zijne maatregelen genomen en het kasteel geducht versterkt.

Daar deze oorlog een ramp, zowel voor Utrecht als voor Drenthe was, boden Philippus, Aartsbisschop van Keulen en Koenraad, Aarstbisschop van Maintz, zich als scheidsrechters aan. Bij de onderhandelingen die te Deventer gevoerd werden, stelden zij voor dat Folkert, als rechtmatig en wettig erfgenaam, de Bisschop 1000 mark zou betalen, en dan zijne bediening behouden. De Bisschop was hiertoe echter niet genegen. Hij wierf een nieuw leger aan en sloeg zich bij Coevorden neer. De Drentenaren kampeerden tegenover het leger des Bisschops. Enige jonge edellieden van het Bisschoppelijk leger, vermenende dat zulk een boerenhoop te verdrijven was deden, in hunne overmoed een aanval op het leger der Drentenaren, dat eerst in verwarring geraakte. Het herstelde zich echter spoedig, joeg de aanvallers terug, en viel met zulk een kracht op het Bisschoppelijk leger aan, dat dit in wanorde op de vlucht sloeg, met achterlating van de gehele voorraad wapenen en levensmiddelen. Met welk een schrik het Bisschoppelijk leger geslagen was, blijkt, dat ruim 100 edelen gevangen genomen en slechts 30 gedood werden. De Bisschop en de Graaf Bentheim konden zich ternauwernood door de vlucht redden.

De Bisschop, vernemende dat de Graaf van Gelder de voornaamste oorzaak van de onlusten was, viel met zijn leger in de Veluwe en verwoeste deze geheel en al. De Drentenaren, dit horende, vielen in Twente, zijnde Bisschoppelijk land, en plunderden deze streek kaal. In deze strooptocht werd de stad Ootmarsen grotendeels verwoest. De Drentenaren nog een kwaad oog op Deventer hebbende, alwaar de 16 gijzelaars gevangen hadden gezeten, belegerden deze stad gedurende elf dagen, evenwel tevergeefs. De Drentenaren droegen hierop het Graafschap Drenthe aan den Graaf van Gelder op.

De Bisschop, geen kans ziende om de onlusten te dempen, reisde naar Keizer Hendrik IV, die toen te Maintz verblijf hield. Deze gaf den Bisschop Brieven, aan de Stenden van Drenthe, waarin hij deze beval de Bisschop voldoening te geven. Tevens beloofde hij de Bisschop zo nodig krijgsvolk. Plotseling overleed echter Bisschop Boudewijn te Maintz. Grote onenigheid ontstond toen over de keuze van een nieuwe Bisschop. Enigen wilden Graaf Arnold van Isenberg, anderen Dirk van Holland, broeder van den overleden Bisschop. De Keizer stond Dirk van Holland voor als zijnde zijn bloedverwant, en zond hem een herderstaf en gouden ring, ten teken zijner waardigheid. De beide mededingers reisden naar Rome. De Paus benoemde Arnold, die echter plotseling te Rome overleed. Thans werd Dirk benoemd, doch ook deze overleed op den terugtocht, te Papia in Italië, waarop tot Bisschop werd benoemd Dirk van Are, een Duitser. Deze liet de geschillen met Drenthe rusten, dat toen enige jaren in rust doorbracht.

 

In 1225 ontstond twist tussen Rudolf, Kastelein van Coevorden, en Egbert, Burggraaf van Groningen. Rudolf maakte aanspraak op het Burggraafschap Groningen. Deze twist liep zo hoog op, dat eindelijk de Bisschop, Otto v.d. Lippe, er zich mee bemoeide en naar Groningen kwam. Deze twist schijnt toen echter voorlopig bijgelegd. Toen de Bisschop echter vertrokken was, viel Rudolf gewapenderhand in Groningen, verwoeste het huis “den Ham”, toebehorende aan de Burggraaf, nam de stad Groningen in, en dreef Egbert met zijn aanhang uit de stad. Egbert vluchtte naar Friesland, waar hij een troep volk verwierf, waarmede hij Groningen belegerde, welke stad hierbij in brand geraakte, zodat Rudolf genoodzaakt was naar Groningen terug te trekken.

Rudolf gaf zijn partij echter nog niet verloren. Met een nieuw leger, nog versterkt door een groot aantal Drentenaren, belegerde hij op zijn beurt Groningen.

De Bisschop dit vernemende en overdenkende wat een moeite, de Kasteleins van Coevorden, de Bisschoppen reeds veroorzaakt hadden, besloot Rudolf een duchtig te straffen. Om een zaakje spoediger op te knappen, verzocht hij de hulp van onderscheidene vrienden en buren.

 

De slag bij Ane.

De Graaf van Gelder, Herbert en Johan van Arkel, Graaf Boudewijn van Bentheim en tal van andere machtige edelen gaven aan zijn verzoek gehoor. Met een talrijk leger trok de Bisschop naar Drenthe, zijn weg nemende langs Hardenberg, waar hij een slot had, en legerde zich te Ane, bij Gramsbergen.

Wanneer men tegenwoordig, den straatweg van Coevorden naar Hardenberg volgende, het stadje Gramsbergen gepasseerd is, ontwaart men op ongeveer een kwartier afstands, aan den rechterkant, tussen het groen verscholen, het dorpje Ane. De gele graanvelden, de witte boekweitakkers en groene aardappelvelden, rondom het dorpje gelegen, getuigen van den vlijt des landmans. Ten noorden strekken zich de groene wei- en hooilanden tot aan het naburige gehucht Klooster uit. De Kleine Vecht, komende van Coevorden en ontstaan uit de samenvloeiing van het Loo-, het Drosten- en het Schoonebeekerdiep, welke zich bij Coevorden verenigen, doorsnijdt deze landerijen en stort zich bij Ane in de Grote Overijsselse Vecht. Vroeger was de Kleine Vecht de enige afwatering van het Zuid-Oosten van Drenthe en een deel der Graafschap Bentheim. Door het graven van het Coevorderkanaal heeft het riviertje grotendeels hare waarde verloren en dient thans uitsluitend voor de afwatering van de aangrenzende landerijen. Tussen Ane en Klooster bevindt zich nog het huis “de Groote Scheer”, waaraan talrijke geschiedkundige herinneringen zijn verbonden. O.a. hield Prins Maurits, gedurende het beleg van Coevorden in 1592, aldaar zijn verblijf.

 

Wie in het begin der 13e eeuw deze streken bezocht had, zoude een geheel ander schouwspel ontwaard hebben. Het dorpje Ane bestond toen slechts uit een paar armoedige hutten. Een weinig graanbouw, gevoegd bij het vissersbedrijf, verschafte de bewoners het allernoodzakelijkste. Tengevolge van de onvoldoende afwatering, waren de groenlanden het groots gedeelte van het jaar onbegaanbaar. Slechts in het midden van den zomer, wanneer aanhoudende warmte de bovenkorst enigszins opdroogde, was de landman in staat het wintervoeder voor zijn vee te verzamelen.

x) Op een Augustusmorgen van het jaar 1227 heerste hier een ongewone drukte. Het Bisschoppelijk leger ter tuchtiging van Coevordense Kastelein uitgetrokken, had zich hier ternedergeslagen.

Rondom en in het dorpje Ane, overal zag men de legertenten der ridders. Vlaggen, banieren, banderollen en wapenschilden, wapperden en schitterden, door de morgenwind bewogen, in den zonneschijn en verleenden het geheel een ongewoon levendig aanzien.

De Vecht, was in de nabijheid overdekt met een menigte platboomde vaartuigen, welke langs Zwolle opgevaren, levensmiddelen en krijgsbehoeften voor het leger aangevoerd hadden.

Met recht kan men zeggen, dat hier een uitgelezen leger verzameld was. Op de roepstem des Bisschops waren uit geheel het tegenwoordige Nederland en een deel van Duitsland, de ridders opgekomen om de kerkvorst bijstand te verlenen. De graven van Zuilen, van Harlaer, van Linschoten, van ter Haer, van Amstel met zijne zonen, Rudolf van Goor , van Twikkel, van Veen, Bentinck, Gruter, Diderik, Proost van Deventer, de Graaf van Gelder, van Arkel , van Bentheim, Bernard von Horstman, een Duits ridder, die zich in het Heilige land, Italië en Engeland roemvol onderscheiden had, en tal van andere edellieden, allen met talrijke benden vazallen, nog versterkt door de krijgscharen van de Bisschoppen van Munster en Keulen, vormden met het Stichtse leger, een geduchte krijgsmacht waaraan Drenthe, in het open veld, moeilijk weerstand kon bieden.

Ten zuiden van Klooster, langs de Kleine Vecht, langs wallen en in het kreupelbos, had zich Rudolf van Coevorden, met het Drentse leger verzameld. Nog bezig zijnde Groningen te belegeren, brak hij, op het horen van den aantocht van het Bisschoppelijke leger, het beleg op, en trok in allerijl, door Drenthe naar Coevorden.

 

x) Volgens een oorkonde berustende in het Provinciaal archief te Assen had de veldslag plaats in den morgen van 21 augustus 1227.

Overal, gedurende de tocht, kwamen nieuwe benden van Drentenaren zijn leger vergroten, om hun beminde heer, bijstand te verlenen tegen den Bisschop. Te Coevorden gekomen werd zijn leger nog versterkt door de bezetting van het Kasteel.

Wel begrijpende, dat hij, met zijn merendeels ongeoefende troepen, de strijd in het open veld moeilijk wagen kon, besloot hij den Bisschop tegemoet te trekken en in de moerassen van Ane af te wachten.

In vergelijking met het Bisschoppelijke leger was het Drentsche in een slechte toestand. Slechts enkele ridders vertoonden zich in de gelederen. Het leger voor Groningen gebruikt, vormde, met de bezetting van Coevorden, de kern. Het merendeel bestond echter uit Drents landvolk, slechts gewapend met hun akkergereedschap, zeisen, hooivorken en schoffels. Enkelen waren voorzien van bijlen, anderen van zwaarden, talrijke benden waren alleen met den kruisboog gewapend. Wat echter het leger aan orde, krijgstucht en bewapening ontbrak, vergoedde het door geestdrift en moed. Weldra kwam er beweging in het Bisschoppelijke leger. Het roffelen der trommen riep een ieder op zijne plaats en spoedig was het leger in slagorde geschaard. Voordat echter de strijd een aanvang nam werd door enige priesters een eenvoudig veldaltaar opgericht, een plechtige mis gelezen en vrede en vergiffenis beloofd aan allen die zich in den strijd dapper zouden gedragen. Een krijgsheraut sprak den ban uit tegen Rudolf en zijn aanhangers en daagde hun uit zich te onderwerpen.

Nauwelijks waren de laatste klanken over de vlakte weggestorven of het geschetter der trompetten en het roffelen der trommen gaf een sein tot den aanval. De voorhoede bestond uit het merendeel der ridders, met Roelof van Goor, drager van de krijgsbanier des Bisschops, aan het hoofd. In snelle draf ging het de vijand, die rustig op zijn plaats bleef, tegemoet. Weldra was het groenland bereikt. Plotseling schenen de voorste ruiters hunnen vaart te verminderen. Moeilijk stapten hunne paarden, alsof een onzichtbare vijand hun het voortgaan belemmerde. De Bisschop, onbekend met de streek, giste niet dat de weke en drassige gronden de geharnaste paarden en ruiters niet kon dragen.

Eensklaps zonken enkele paarden tot de knieën in de weke grond. Met inspanning van alle krachten rukten zij zich los, om echter het volgende ogenblik nog dieper te zinken. Het volgende gelid werd het voortgaan, doordat de grond deels reeds vertreden was, nog moeilijker. Zij trachtten hunne paarden in te houden, maar te vergeefs. De achterste gelederen, meenden dat de strijd een aanvang had genomen en ook hun deel aan de zege willende toebrengen, zetten hunne paarden aan. De voorste gelederen waren echter reeds zodanig vastgeraakt, dat zij zich niet meer bewegen konden. Een verschrikkelijke verwarring ontstond.

Thans achtte Rudolf zijn tijd gekomen, liet de boogschutters voorkomen en de Bisschoppelijken met de lange pijlen bestoken. Verschrikkelijk was de uitwerking. Gekneusd, vertrapt, door de pijlen der Drentenaren doorboord, waren weldra tal van ridders dood of gewond. Kreten van woede en pijn vervulden de lucht.

Langzamerhand gelukte het echter enkelen zich los te werken, elkander te bereiken en zodoende het leger weer enigszins te verzamelen. De Drentenaren echter, begrijpende, dat, zo dit gelukte, zij verloren waren, en van de verwarring profiterende, vielen de Bischoppelijken aan.

Niet bezwaard met de zware harnassen en bekend met het terrein, konden zij zich ongehinderd bewegen. Verschrikkelijk was de strijd, De Bisschoppelijken, woedend en ten minste niet zonder strijd willende vluchten, hielden stand en deden menig Drentenaar onder hunne slagen vallen. Maar wat hielp het. Voor één, die zij doodden, kwamen hopen terug. De Bisschoppelijken, de onmogelijkheid, om de zege te behalen, inziende, trokken terug en trachtten de Vecht te bereiken. Maar het was te laat. Het Drentsche leger had zich over de vlakte verspreid, en door een omtrekkende beweging den vijand geheel ingesloten.

Thans was het geen strijd meer. Het Bisschoppelijke leger, van alle kanten besprongen, was spoedig geheel verslagen. Slechts enkele ridders gelukte het zich staande te houden. In hun midden bevond zich de Bisschop met Roelof van Goor, zijn banierdrager.

Wonderen van dapperheid werden door het kleine hoopje verricht, maar eindelijk moest het ook voor de overmacht bukken. Slechts met grote moeite gelukte het Rudolf van Coevorden enigen van hun gevangen te nemen, de woedende Drentenaren wilden van geen genade horen.

Noodlottig was deze voor het Bisschoppelijke leger. Bijna al de ridders waren gesneuveld. Gevangen genomen werden o.a. de graaf van Gelder, van Amstel, Johan en Herbert van Arkel, Bernard van Horstmar en Diederik v.d. Lippe, broeder des Bisschops. De Bisschop zelf, die niet bij de gevangenen was, werd overal gezocht. Eindelijk vond men hem, dood, te midden van een hoop lijken, verminkt en overdekt met wonden.

Grote vreugde heerste in het Drentsche leger. De behaalde zege verschafte de Drentenaren dadelijk grote voordelen. De gehele voorraad van het Bisschoppelijke leger, benevens tal van paarden en wapenen viel in hunne handen.

De tijding van de nederlaag van het Bisschoppelijke leger en het sneuvelen des Bisschops, verwerkte in het Sticht hevige verslagenheid.

Het Kapittel te Utrecht schreef dadelijk een vergadering uit om een nieuwe Bisschop te verkiezen. De Graaf van Gelder en van Amstel werden op hun erewoord ontslagen, teneinde deze vergadering bij te wonen en om voor hunne invrijheidsstelling hulp te verwerven.

Na langdurige beraadslagingen werd tot Bisschop verkozen, Willebrand van Oldenburg, Bisschop van Paterborn, een ridder, die lange tijd in Palestina en Italië de wapenen, gevoerd had. De Bisschop ontsloeg den Graaf van Gelder en van Amstel van hun erewoord, daar Rudolf van Coevorden in den ban was.

Grote toebereidselen tot de oorlog werden gemaakt. In alle landen werden ’s Pausens aflaten verkondigd aan allen, die aan den strijd tegen Drenthe en Coevorden deelnamen. Uit Friesland, Gelderland, Overijssel, Holland, Munster, Keulen en andere landen stroomden grote hopen volk te hulp.

In Drenthe zat men intussen ook niet stil. Moedig door de behaalde zege, en wetende wat hun te wachten stond, zo de Bisschop overwon, spanden de Drentenaren al hun krachten in.

De Bisschop verdeelde zijn leger in zes afdelingen, die ieder op een afzonderlijke plaats de aanval zouden beginnen. De Drentenaren, ofschoon zij ook hun leger verdeelden en verwoed vochten, waren niet in staat de Bisschop te weerstaan. Op een paar plaatsen gelukte het hem Drenthe binnen te dringen. Verschrikkelijk hield de Bisschop hier huis, het gehele land werd platgebrand, uitgemoord en verwoest.

Hierop werden vredesonderhandelingen aangeknoopt. Door een gezantschap, hiertoe naar de Bisschop afgevaardigd, werd de vrede gesloten, onder de navolgende voorwaarden:

1e . Rudolf zal op staande voet overleveren het Kasteel te Coevorden, en het huis te Laar, gelegen in het Graafschap Bentheim.

2e . Zal mede kwiteren al zijn recht, dat hij heeft in ’t Landschap Drenthe.

3e . Zal aan de Bisschop betalen 3000 mark, voor de schade, die hij den Bisschop aangedaan heeft.

4e . Zal op zijn kosten werven honderd ruiters, om die te zenden in Lijflandt, om onder de Christen-Heeren te dienen tegen de ongelovige Heidenen.

5e . Zal op ’t Zwarte Water bij Zwolle een klooster stichten van 25 Bagynen, van St. Benedictus-orde.

6e . Zal op de plaats genaamd “de Mommerijken”x) daar den Bisschop dood geslagen is, tot verzoeningen des dootslags, sonderen een collegium van 25 Canoniken.

 

 

x) Later werd deze plaats de “Bommeriete”geheeten. Men heeft er meermalen hoefijzers, sporen, gebroken wapenen enz. gevonden.

 

 

Het huis te Laar werd afgebroken en op het Kasteel Coevorden, bezetting gelegd, waarna de Bisschop weder naar Utrecht vertrok.

Rudolf van Coevorden, niet tevreden met zijn toenmalig lot, en horende, dat de Bisschop zijn leger ontbonden had, waagde een aanslag op het Kasteel Coevorden. Met hulp van een bediende van het kasteel, gelukte het hem de poort te openen, binnen het kasteel te geraken, en de bezetting te verdrijven.

De Bisschop en zijn leger ontbonden hebbende en het Bisdom uitgeput, riep andermaal de hulp des Pausen in. In 1228 kwam hij met zijn leger in Drenthe en legerde zich om Coevorden. Met opzet kwam hij midden in den winter terwijl alles bevroren was, en hij dus niet in de moerassen verzinken kon.

Maar ook ditmaal was het geluk hem niet gunstig. Terwijl hij met zijn leger op het ondergelopen land lag, verhief zich plotseling een hevige wind, die vergezeld van zware regenbuien, in een oogwenk de gehele omtrek onder water zette, zodat de Bisschop hals over kop met zijn leger moest vluchten, met achterlating van den gehele voorraad wapenen en levensmiddelen. De Coevorders waren fluks bij de hand en verwierven grote buit.

Nogmaals werden ’s Pausen aflaten tegen Coevorden gepredikt, en brak de Bisschop met zijn leger naar Hardenberg op. Hier werd een wapenstilstand gesloten voor den tijd van 15 dagen, onder voorwaarde, dat Rudolf zich onderwierp aan de uitspraak van 3 Prelaten, die als scheidsrechters verkozen waren om te trachten het geschil bij te leggen.

Rudolf wel inziende, dat hij op den duur tegen den Bisschop geen stand kon houden, besloot zich te onderwerpen. Met zijn vriend, Hendrik van Gravesdorp ( bedoelde ridder had vermoedelijk ook goederen te Peize liggen en was als zodanig in de twisten met den Bisschop gemengd) van Veldhuizen in Bentheim, begaf hij zich naar den Bisschop te Hardenberg. In stede van naar zijn rang en stand ontvangen te worden, werd hij in de kerker geworpen, met zijn vriend onmenselijk gepijnigd en levend op raderen gelegd, 25 juli 1230 (Sjoerds Friesche jaarboeken). Grote verontwaardiging heerste in Drenthe over deze verraderlijke handelswijze. Zelfs in ’t Sticht kwamen naar aanleiding hiervan onlusten voor, welke echter door den Graaf van Holland gedempt werden.

In 1231 ontstond onenigheid tussen Uithuizen en Eenrum in Groningerland. In dezen strijd kozen de Drentenaren de partij van Uithuizen tegen Eenrum en Groningen. De Drentenaren belegerden Groningen, maar leden grote schade, doordat Egbert van Groenenberg Drenthe doorstroopte en grote buit behaalde, waaronder wel 600 paarden.

De Bisschop kwam de Groningers te hulp, en beval de Drentenaren de wapenen neer te leggen. Toen zij hieraan niet spoedig voldeden, trok hij door Drenthe naar Coevorden en nam de stad en voorburg in. De stad werd uitgeplunderd, uitgemoord en verbrand. Zelfs de kleinste kinderen werden niet gespaard, maar meedogenloos gedood. Hierop trok de Bisschop Drenthe in en verbrandde en verwoeste het gehele land. Jong en oud, alles werd vermoord. De Drentenaren, eindelijk buiten raad, vielen, met hulp van Groningerland, op den Bisschop aan, en versloegen hem. Grote buit aan bagage en levensmiddelen, waaronder ook het te Coevorden, geroofde, viel in hun handen.

Bisschop Wolbrandt of Willebrand overleed in 1233 te Zwolle.

Tot Bisschop werd verkozen Otto III van Holland, broeder van Graaf Floris. Door de Drentenaren werd een gezantschap naar den Bisschop gezonden, en de vrede gesloten. Zij namen aan een klooster van de Cistenser-orde te stichten en dit te begiftigen met jaarlijkse renten en inkomsten. Behalve onderscheidene hofsteden en landerijen in Overijssel, kwam dit klooster o.a. in ’t bezit van Padhuis en Veenhuizen en een gedeelte der tussen deze plaatsen gelegen landen: blijkens een geschil over deze landen tussen ’t Klooster en de ingezetenen van Dalen, welk geschil volgens nog voorhanden oorspronkelijke brief opgemaakt te Coevorden op den dag van Heilige Maria 1276, in dier voege is geëindigd, dat het klooster jaarlijks van Padhuis een pot boter, van de werde “Burchmad” drie jonge hanen en van “Venehuis” mede drie jonge hanen aan het Kasteel te Coevorden zal moeten opbrengen. Daarentegen zou het Klooster deszelfs vee van het “Veenehuis”zoals het dien tijd gebruikelijk was geweest, in de weilanden van Coevorder marke mogen weiden, doch het Klooster zoude in vergelding hiervoor ten allen tijde twee stieren moeten houden tot dekking der koeien van de boeren van Coevorden.

In 1315 heeft het klooster de bovengenoemde boter- en hanepachten, alsmede het bezwaar om 2 stieren te houden ten dienste van de ingezeten van Coevorden, afgekocht door enige venen tussen Veenhuizen en Padhuis af te staan.

Zoals men uit ’t bovenstaande ziet, maakte men in den goeden ouden tijd kwesties op een zeer goedkope wijze uit de wereld.

Tegenwoordig zouden met een paar jonge hanen wel niet veel kwesties uit den weg te ruimen zijn. Eerst werd een begin gemaakt tussen Coevorden en Schoonebeek; het stuk land, waarop met het bouwen van bedoeld klooster begonnen werd, was “de Hilbrandskamp”geheten. Volgens sommige berichten is dit klooster zover voltooid geworden, dat het bewoond werd door nonnen, aan welker hoofd een abdis stond.

Deze plaats was echter niet geschikt, zodat dan ook het bouwen aldaar gestaakt werd. Nog in 1660 waren overblijfselen van deze bouw zichtbaar.

Later werd bij Duurze bij Rolde aangewezen, maar ook hier kwam het niet tot stand. Eindelijk werd op de plaats van het tegenwoordige Assen het klooster gesticht. Assen heeft aan dit klooster den oorsprong te danken. De stichting van dit klooster ging met grote kosten en moeilijkheden gepaard. De Bentheimersteen moest per as van Bentheim gehaald worden, de baksteen meest van Groningen.

In 1395 ontstond twist tussen Reinoud van Coevorden en den Bisschop Frederik van Blankenheim. Drenthe dat zich onzijdig hield, verzocht den Bisschop van overlast verschoond te blijven. De Bisschop beloofde, bij open en verzegelde brief,x) “dat hij, in aanmerking nemende, de goede en getrouwe diensten door Drenthe bewezen, het kasteel Coevorden wederom wilde inlossen en redimeeren, opdat de Drentenaren van alle overlast zouden bevrijd worden”, en verklaarde tevens, dat hij Drenthe ‘in haar Landrecht, willekeuren, vrijheden en gewoonten, zoals zij van ouds genoten hadden, wilde handhaven.

Tevens gaf hij onderscheidene nieuwe privilegiën o.a. “Dat geen der ingezetenen van Drenthe wegens enige zaken mag getrokken of geroepen worden voor enig gerecht buiten deze landschap”. De twist met den Bisschop liep over de vraag, of de Bisschop Coevorden kon inlossen en terugbekomen, tegen betaling van het vroeger ontvangen geld. Toen Reinoud dit weigerde, kwam de Bisschop, ondersteund door Johan van Brederode, Willem van Abcoude, Hendrik van Vianen, Johan van Renesse en anderen met een leger in Drenthe en belegerde Coevorden. Heer Gijsbrecht van Bronkhorst, de heren van Batenburg, van Borkulo en andere bloedverwanten van Reinoud verklaarden den Bisschop den oorlog. Reinoud geen uitkomst ziende, gaf zich, na een langdurige belegering over, 4 april 1402, onder de navolgend voorwaarden:

1e. De Bisschop zal aan den Heer Reinoud van Coevorden aan contante penningen geven twaalfduizend gouden schilden;

2e. en noch vijf jaren achter malkander jaarlijks zeshonderd schilden.

3e. Heer Reinoud zal behouden alle zijne goederen, hem van zijne ouders aangeërft, die tot Heerlijkheidt Coevorden, niet en behooren. x)x.

Bisschop Frederik van Blankenheim bevestigde 31 december 1407, de privilegies en vrijheden van de burgers der Stadt Coevorden. x)xx.

 

x) d.d. 14 augustus 1395 2 kopieën van de brief, berusten nog in ’t archief te Coevorden.

x)x 2 kopieën, der beide brieven van dit feit opgemaakt, berusten in ’t archief te Coevorden.

x)xx De originele brief geschreven op perkament, berust nog in ’t archief te Coevorden. Het zegel van rood, was aan een perkamenten staart, is beschadigd.