Inleiding

Coevorden, gelegen in het Zuid-Oosten der provincie Drenthe, is ongetwijfeld één der

oudste steden van ons land.

In oude kronieken wordt vermeld, dat Coevorden reeds in 1125 een stad was. Wanneer en door wie echter de stichting, geschied is, valt niet met zekerheid te zeggen. Niet onmogelijk is het, dat reeds in het begin onzer jaartelling door de Romeinen ter dezer plaatse een burcht is gesticht, waaraan de oorsprong van Coevorden te danken is. Langs deze plaats toch, liep de enigste weg, welke Overijssel met het Noorden van ons land verbond. De Romeinen, die op alle punten, waar een landstreek gemakkelijk te beheren was, sterkten bouwden, zullen ongetwijfeld ook hier wel een burcht gesticht hebben. Zodoende konden zij desnoods het verkeer met het Noorden geheel beletten.

Wanneer Coevorden reeds in 1125 een stad was, moet de stichting natuurlijk veel vroeger plaats gehad hebben.

Wat de oorsprong der naam betreft, ook hieromtrent verkeert men in het onzekere. De bewering van sommigen, als zoude Coevorden betekenen “Coe-voorde”(een overvaart van koeien) is zeer onwaarschijnlijk, daar, waar koeien gehouden worden, toch ook mensen wonen en de plaats waar enige mensen zich bij elkander vestigen, wordt al spoedig een naam gegeven.

Het kasteel of de burcht te Coevorden, besloeg vroeger een grote ruimte. Wanneer men van de stadszijde naderde, werd het binnentreden door een brede en diepe gracht belet. Een houten ophaalbrug verleende toegang tot de voorburg. De binnenkant der gracht was voorzien met een rij palissaden. De voorburg bestond uit een plein, aan weerszijden waarvan zich allerlei houten gebouwen, dienende tot woningen der dienstlui, tot stalling van het vee en voorraadschuren, bevonden. Wanneer men dit plein overgestoken was, kwam men aan een tweede gracht, niet zoo breed, maar dieper dan de vorige.

Een hoge muur belette nog het gezicht op het kasteel. Over een ophaalbrug en door een valpoort, kwam men aan het eigenlijke kasteel. Dit was een groot gebouw, van dikke bakstenen opgetrokken en van kantelen en hoge torens voorzien, en door een plein omringd. De kleine vensters alleen voorzien van ijzeren traliën, en de dikke, eikenhouten, met ijzer beslagen deur, verleenden het geheel een somber aanzien.

 

De stad zelve was met een wal en een gracht omringd. In vroeger tijden waren

onmiddellijk om de stad tuinen en boomgaarden aangelegd. Met het aanleggen der vesting werden deze geheel opgeruimd. De eigenlijke vesting werd eerst in het laatst der 16e eeuw aangelegd. Wel werd reeds in 1579 op last van Prins Willem I, door Diderik Sonoij en Joh. v.d. Cornput, met de versterking van Coevorden een aanvang gemaakt, maar zonder veel voortgang. Ook Rennenberg liet Coevorden versterken. Eerst in 1597 werd met de vesting, welke in 1607 voltooid was een aanvang gemaakt. Dit geschiedde vooral op aandrang van Graaf Willem Lodewijk van Nassau. De vesting bestond uit een zevental bastions, Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijssel en Groningen, onderling door hoge wallen verbonden. Buiten deze bastions bevond zich een brede, diepe gracht, waarin, tussen de verschillende bastions, en enigszins verder naar buiten, zich ravelijns bevonden, terwijl het geheel was omringd door escarpen en contre-escarpen welke weder door een buitengracht ingesloten waren. De vesting besloeg een grote oppervlakte. De omtrek van de buitengrachten bedroeg ruim een uur, de doorsnede der vesting ongeveer een kwartier. De lage landen rondom de vesting, maakten deze bijna onneembaar. Toen der tijde bestonden 2 poorten, de Friesche- en de Bentheimerpoort, in vroeger tijden schijnen 3 poorten bestaan te hebben; de Twentsche in het Zuiden, de Zwolsche in het westen en de Friesche in het Noorden. De toegang kon alleen over bruggen geschieden, waarvan 3 voor elke poort lagen.

Het Bastion Gelderland was het sterkste en stond met het kasteel in verbinding. Het kasteel was naar de stadszijde door een gracht afgesloten. De vesting bevatte een 5-tal kazernes, een arsenaal, enige kruitmagazijnen en vermoedelijk een kruitmolen. In het midden der 17e eeuw bestond het garnizoen uit één compagnie te paard en zes te voet.

Het hoofd van het burgerlijk bestuur was de Drost of Gouverneur.

De stad was in vier rotten (kluften) verdeeld welke waren het rot van de Frieschestraat, van de Bentheimerstraat, van het Kerkhof en het Westerhof, vermoedelijk de Oosterstraat. Over elk dier rotten had een Burgemeester toezicht, terwijl er vier rotmeesters, op een jaarlijkse bezoldiging van ƒ 20,- ieder, belast waren met het uitvoeren van alle orders en bevelen der Regering, met het invorderen der Stadsinkomsten, het inzamelen der boeten, het politiewezen enz.

Tegenwoordig zijn de vestingwerken grotendeels geslecht. Alleen de bastions Holland en Zeeland vertonen nog enigszins hunne oude vormen, ofschoon zij van de borstweringen zijn ontdaan. De contre-escarpen zijn nog grotendeels aanwezig evenals de buitengrachten en een deel der binnengrachten. Een tweetal kazernes, het arsenaal en de hoofdwacht staan nog volledig, de andere kazernes zijn geheel of gedeeltelijk gesloopt,evenals de kruitmagazijnen. Het vroegere kasteel bestaat thans een drietal woonhuizen. In den gevel van het hoofdgebouw bevind zich nog het wapen van Karel van Gelder. In dit gebouw bevindt zich, ook nog de grote zaal, vroeger diende tot het houden van vergaderingen.

Eerst in het jaar 730 heeft Marcellinus te Coevorden het Evangelie verkondigd. Voor dien tijd waren de ingezetenen uitsluitend heidenen. Vroeger bestonden te Coevorden twee kerken. De ene stond in ’t Westen der stad, op de plaats der latere contre-escarpen. Zij was omringd door hoge eikenbomen. Deze kerk werd de “Oude kerk”genaamd.

De andere “de nieuwe kerk”, stond ter plaatse van de tegenwoordige Ned. Herv. Kerk.

In 1508, werd deze kerk, door aflaten, hiertoe door Paus Julianus II toegestaan hersteld. Deze kerk, voorzien van een stenen gewelf, twee rijen pilaren en een hoge toren, verbrandde gedurende een belegering. Later werd op dezelfde plaats wederom een kerk gebouwd, waartoe de materialen door Drenthe geleverd werden. De toren op deze kerk was van een tamelijke hoogte en van klokken voorzien. Onder Drost E. van Enze werd deze kerk verwoest, en gedeeltelijk met zand gevuld, waarop kannonen geplant werden ter verdediging der stad. Toen ter tijde waren te Coevorden een pastoor en vier vicarissen of kapelanen.

Omstreeks 1530 vond in Drenthe de Hervorming ingang. Langzamerhand ging de gehele bevolking tot het Protestantisme over zodat in de 17e eeuw dan ook uitsluitend Protestanten te Coevorden woonden.

In 1641 werd met den bouw van de tegenwoordige Protestante Kerk begonnen. Directeurs over den bouw Arnolt van Loo, Werner ten Broeke, Jan Onias, Bernard Bertelinck, Reynert Dirkszn. Brumt en Herman Mesmaker. De gelden voor de bouw benodigd, werden door het heffen van belastingen, o.a. van accijns op het bier, bijeenverzameld. Zoals uit bovenstaande blijkt is de bewering van sommigen, alsof de tegenwoordige Ned. Herv. Kerk vroeger een R. Katholieke geweest is onwaar, daar bij de stichting der Herv. Kerk Coevorden uitsluitend Protestants was.

Was het vroeger een R. Katholieke geweest, dan zoude ook het koor nog wel aanwezig zijn.

Den 14 maart 1786 vergunden Ridderschappen eigenerfden de Staten van Drenthe, inzonderheid op herhaalden aandrang der officieren van het garnizoen te Coevorden, den Roomsch-Katholijke ingezetenen aldaar om een pastoor te mogen hebben en die Godsdienst binnen de vesting te verrichten.

Den 18 mei 1790 werd de eerste steen gelegd van onze lieve Vrouwen of R.C. Kerk te Coevorden.