De betekenis van "de Klencke" voor het Zuidenveld.

“De Klencke” is de enige havezathe – dit woord betekent: riddermatige hofstee - in Zuid-, Oost- en Midden-Drenthe en alleen al om die reden mag Oosterhesselen hiermee in het oude dingspil Zuidenveld best voor het voetlicht treden.

 

Men moet zich van de historische betekenis van de “De Klencke” voor ons deel van de Olde landschap geen te grote voorstelling maken.

De positie van de havezathebewoners in Drenthe was maar zeer bescheiden in vergelijking met die van hun collega`s in Overijssel.

De Drentse “ridders” hebben er wel het nodige voor gedaan om in de landschap nummer één te worden, maar die poging mislukte al in de middeleeuwen.

 

Rond het begin van de dertiende eeuw duiken zij in de schriftelijke stukken op: de Ansen`s, Van Echten`s, Van Eelde`s, Van Norch`s, Van Peijse`s, Van Runen`s …en ook de Clinke`s die als eerste bewoners van de “De Klencke” worden genoemd.

Hoe is dit verklaarbaar?

 

De middeleeuwse bisschoppen van Utrecht oefenden niet alleen het geestelijk oppergezag over Drenthe uit, maar zij waren tevens “Graven van Drenthe” en met het bezit van die mooie titel alleen namen zij geen genoegen.

De meeste historici, waaronder ook onze oud-plaatsgenoot wijlen dr. Jan Naarding, nemen aan, dat de bisschoppen om in het bezit te komen van de feitelijke wereldlijke macht, vertrouwde militaire “dienstmannen” (of ministerialen) zich lieten vestigen op strategische plaatsen aan de Drentse stroompjes, die in die tijd ook nog als vaarwegen werden gebruikt.

Waterwegen waren toen immers belangrijker dan wegen te land!

 

Ook “de Klencke” lag op zo`n strategische plaats, waar men het Drostendiep en de doorgang daardoor via een doorwaadbare plaats in de richting Sleen onder controle had.

Taalkundig is zo ook de naam “Clinke” te verklaren.

Bovendien lag “De Klencke” niet ver verwijderd van het bisschoppelijk kasteel te Coevorden en zo kon onze “burcht” waarschijnlijk als voorpost hiervan fungeren.

 

Een dergelijke vestiging te Gees bij de belangrijke doorgang van de oude Coevorderweg -de enige weg te land van Coevorden naar Zuid-, West-Drenthe en vandaar naar Overijssel en Friesland, door de Geeserstroom moet zijn mislukt.

Zo wordt het althans verteld in een mooi oud volksverhaal, dat al in de eerste helft van de negentiende eeuw aan het papier werd toevertrouwd door de theologische student Lesturgeon in het beroemde boek van “de drie podagristen”.

Dit boek kwam in Coevorden van de pers toen Lesturgeon in de volksmond “Lesterson” te Oosterhesselen predikant in zijn eerste gemeente was.

 

De “Gieser” overlevering, die zich afspeelt rond de Klinkenbarg of Klenkerheugte bevat zoveel elementen van historische waarde, dat aangenomen mag worden, dat zich hier een stukje van de Drentse vrijheidsstrijd tegen het bisschoppelijk gezag heeft afgespeeld.

Of de familie Clinke hierbij was betrokken moet evenwel worden betwijfeld, omdat de taalkundige het woord “Klinkenbarg” verklaren als….afgelegen hoogte!

 

De Clinke`s worden wel beschreven als trouwe dienaren van de bisschoppen: een van hen heeft nog het bisschoppelijk Kasteel te Coevorden beheerd.

Als “roofridders” maakten zij het met collega`s en bondgenoten uit Drenthe, Bentheim en Overijssel en waarschijnlijk met een welwillende houding van de bisschop op de achtergrond, zo bont, dat de tot het uiterste getergde Drentse boeren hen het land uitzetten.

Verschillende Drentse “ridders” hebben een tijdlang als ballingen vertoefd in met de bisschop bevriende steden als Hasselt en Kampen.

 

De Drentse eigenerfden lieten zich niet intimideren!

Na een lange met tussenpozen gevoerde strijd tegen de bisschoppen hadden zij toen al het fundament gelegd voor een uniek soort vrije boerenrepubliek, waarin zij op basis van een eigen grondwet, het Drentse landrecht, onder erkenning van hoger gezag, of dit nu van de bisschoppen, de Habsburgers of van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kwam, hun eigen zaken in het kerspel, het dingspel en in de landschap zelf konden regelen.

 

Nergens anders bezaten de boeren zoveel invloed! In de wereld rondom waren zij vaak nog horigen of lijfeigenen.

Zo groeide het in de middeleeuwen en zo bleef het tot de Franse tijd, zij het dan, dat de Drentse adel zich na de reformatie een meer vooraanstaande plaats kon veroveren.

 

De Drentse boeren stonden op hun rechten! Dit bleek ook te Oosterhesselen, waar de Klencker heren hun aanspraken op het bezit van woeste grond pas konden waarmaken na een eeuwenlange “koude” oorlog met de Hesseler eigenerfden, waarin tal van gerechtelijke uitspraken moesten worden gedaan.

Het was een “koude”, juridische strijd met als voornaamste gewelddadige actie de tijdelijke inbeslagname van een kudde schapen!

 

Zeker, de Hesseler boeren moeten erkennen, dat de havezathebewoners bijzondere rechten hadden in de kerk, die wellicht door hun toedoen is gesticht.

Ook had “De Klencke” krachtens een oud “recht op wind” voorrang bij het malen van koren op molens in de omgeving, bijvoorbeeld ook te Dalen.

Maar “Heren van Oosterhesselen” zijn de bewoners van “De Klencke” nooit geweest en ook op hun eigen grondgebied waren de Klencker heren niet meer dan werkgevers, verpachters en grondeigenaren, die in die kwaliteit bijvoorbeeld ook tol hieven.

 

Ook na de middeleeuwen speelde “De Klencke” een eigen rol binnen het dingspil.

Als leden en vertegenwoordigers van de ridderschap bekleedden havezathebewoners tot de Franse tijd tal van belangrijke functies in het landschapsbestuur.

Twee van hen waren zelfs Drost van Drenthe en wellicht ontleent het Drostendiep aan deze van Dongen`s zijn naam.

 

Ook in maatschappelijk opzicht had “De Klencke” een eigen plaats in de historie van het Zuidenveld, zij het dan, dat de havezathebewoners zich daarbij in een wat geïsoleerde positie bevonden.

Ook op dat terrein kenden de Drenthen hun rechten en lieten zij zich door de Klencker heren niet de les lezen.

 

Eenzaam moet bijvoorbeeld Herman van Welvelde zich hebben gevoeld, toen hij Menso Alting, jong pastoor te Sleen, ten zeerste begunstigde op zijn weg naar de reformatie.

Herman was afkomstig van de havezathe “Weleveld” bij Borne in Twenthe en hier en in Duitsland had hij hervormingsgezinde familieleden.

Menso Alting studeerde in het calvinistische Heidelberg en wellicht heeft Herman van Welvelde hem hier vooruitgeholpen.

Hij kwam naar Sleen terug als bevoegd predikant en hij bracht het woord der reformatie bij een hunebed, dat naar dit gebeuren nog altijd “de Papeloze Kerk”, kerk zonder priesters, heet.

Menso was nog altijd in functie als pastoor.

Toen bleek, dat de “Sliener” niets moest hebben van de “nieuwlichterij” van hun pastoor en hem zelfs wilden stenigen, moest Herman van Welvelde hem helpen vluchten naar het veilige Duitsland.

Net op tijd, want Alva was in aantocht…Menso Alting zou later “de hervormer van Drenthe” worden en hij vervulde die taak in opdracht van Willem Lodewijk, de Friese stadhouder, die de Drenten dwong hun oude geloof te verlaten…

 

Eenzaam moet, ruim twee eeuwen later, ook Derk van der Wijk zich hebben gevoeld als fanatiek patriot.

Met wat medestanders in Sleen maakte hij “De Klencke” tot een van de brandpunten van patriottisme in Drenthe en vormde hij zelfs een legertje, een “vrijcorps”.

Hij was het, die een soort “beeldenstorm” in de Hesseler kerk uitvoerde en vrijwel alle grafzerken en rouwborden van vroegere havezathebewoners naar “De Klencke” meetroonde en daar deze bijna allemaal liet stuk slaan en vernietigen, als volgens hem, verfoeide overblijfsels van het oude regiem.

Van de rouwborden ontkwam alleen dat van de schoonmoeder van Derk aan de vernietiging evenals enkele grafzerken en overblijfsels daarvan.

Zij zijn nog steeds op “De Klencke” aanwezig als stille getuigen van politiek vandalisme.

De boeren in het kerspel die de actie van Derk niet konden verhinderen, want wie was eigenaar van grafzerken en rouwborden in de kerk?, dachten volgens de overlevering, dat “mijnheer” niet goed bij zijn hoofd was geworden.

De opvattingen van de Oranjegezinde Kymmel`s in Dalen en Zwinderen en Mensingh`s in Zweeloo kwamen beter met de hunne overeen….

 

Ook jonkheer mr. Hendrik Jan Leopold van der Wijck, de eerste burgermeester van Oosterhesselen was een eenzaam figuur.

Vanwege zijn eigenzinnige optreden werd hij vanuit Assen meermalen op scherpe toon berispt.

Toen hij tenslotte moest aftreden als burgemeester, een Hesseler landbouwer volgde hem op, wilde hij het gemeentearchief, dat zich bij hem thuis op “De Klencke” bevond, niet afstaan.

Hij gaf pas toe, nadat de gemeenteraad het provinciaal bestuur te hulp had geroepen…

Mr. Hendrik Jan Leopold van der Wijck vestigde zich hierna als advocaat te Assen.

 

Meer aanzien genoten latere van der Wijck`s als landbouwers en grondeigenaren.

Jonkheer Mr. Hendrik Jan Pieter van der Wijck werd vanwege zijn vele verdiensten voor de landbouw in 1883 zelfs tot erevoorzitter van het Drents Landbouw Genootschap benoemd, welk genootschap overigens in die tijd door velen nog als een “herenclub” werd gezien.

De familie Van der Wijck heeft met gebruikmaking van voor die tijd moderne technieken veel woeste grond tot cultuurgrond laten “aanmaken”, maar aan haar danken wij ook het behoud en de uitbreiding van het mooie “Klenckerbos”.

De “van der Wijckshoeve”, een ontginningsboerderij van “De Klencke” uit het begin van vorige eeuw moest in onze tijd plaatsmaken voor het nieuwe gebouw van het vormingscentrum “De Klencke” en een deel van het bestemmingsplan “Welvelde”.

Veel nieuwe inwoners van Oosterhesselen komen uit alle delen van het Zuidenveld…..

 

Nu wij langs deze weg bij onze moderne tijd zijn gekomen, moet hier nog worden gememoreerd, dat de havezathe ruim twintig jaar lang het gelijknamige vormingscentrum heeft gehuisvest.

Ook op deze wijze had “De Klencke” betekenis voor het Zuidenveld.

 

De laatste Van der Wijck, echtgenote van een Zutphense notaris, legateerde tenslotte met een royaal gebaar het gehele landgoed “De Klencke” aan de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland, die hiermee één van haar meest uitgestrekte bezittingen in Drenthe verwierf.

Als monument van cultuur en natuurschoon heeft “De Klencke” voor de tegenwoordige bewoners van het Zuidenveld en hun gasten, de recreanten, grote waarde.

 

De Hesseler landbouwers hopen, dat het beheer van dit prachtige bezit blijft geschieden in goede samenwerking met degenen, die op het land brood moeten verdienen.

Samen zijn wij verantwoordelijk voor het mooie Drentse landschap, het kostbare erfgoed, dat ons vanuit het verleden is overgeleverd.

De havezathe bevindt zich thans niet meer in een geïsoleerde positie.

 

Bronvermelding:

Bij het samenstellen van dit verhaal is gebruik gemaakt van de volgende literatuur:

Dr.L. Buning “het Herenbolwerk”;

G. Drieman, bijdrage in “Havezathe de Klencke”,uitgave van A.N.W.B. en Nederlandse Kastelenstichting;

 

Mr.G.J. ter Kuile “Havezathen (in Overijssel)”;

H.D.Minderhoud “700 jaar Dalen”;

Dr. Jan Naarding, “uit Eelde`s oudste eeuwen” en “uit Zweeloo`s grijs verleden”;

Prof. dr. H.J. Prakke “Deining in Drenthe”;

Van der Scheer, Boom en Lesturgeon “Drente in vlugtige en losse omtrekken geschetst door drie Podagristen”;

K.P. Timmer “De Marke van Oosterhesselen, drie en een halve eeuw strijd” bijdrage in Nieuw Drentse volksalmanak 1978”;

Mr. A.Veenhoven “Historie van Coevorden”;

Dr. J. de Vries “Etymologisch Woordenboek” en woordenboek der Noord- en zuid- Nederlandse plaatsnamen;

Ds. de Weerd “Nederlands Hervormde Kerk te Sleen”.