Dagboek Meindert van der Thijnen

Herovering van Koevorden

 

In de jare 1672

 

Getypt door J.Gerrits Koek.

 

1672 den 4 de september ben ik Meindert van Thienen met mijn vrouw en kind uit Coevorden gegaan latende alles staan wat wij hadden, uitgenomen een wagenkistjen met hen nodige linnen en wolle, dat men dagelijks van noden hadde, en zijn des nachts tot Dalen geweest, en heb aldaar een Wagen gewonnen voor 37 GL: die ons cito naar Groningen gevoerd heeft, en is in de nagt met ons van Dalen gevaren het Ooster Moer langs, doch niet zonder zorge, alzo nog volk van de Vijand op Drenthe was.

De 6e september 1672 ‘s Morgens omtrent agt Uren zijn wij tezamen tot Groningen gekomen met groote blijdschap, daar voor God gedankt zij, die ons op zoo een periculeuze Rijze zoogenadelijk bewaard heeft.

 

1672 Den 7 October ben ik gegaan bij de Luitenant Generaal Rabenhaupt en heb mijn Dienst aan zijn WelEd: gepresenteerd, en verzogt dat zijn Exellentie mij mede mogte gebruiken, als Ingenier alzoo De oude Schans als toen belegerd was.

‘Hebbe toen mede aan Zijne Exellentie geopenbaard dat ik wel een Aanslag op Coevorden zoude maken als men mij de Noodwendigheden die daattoe Gerequireerd worden willen doen hebben, en dat ik niet en twijffelde of het zoude door Gods Zeegen wel gelukken om Coevorden aan dezen Staat te leveren. Zijne Exellentie Rabenhaupt, deeze onverwagte woorden uit mijn Mond horende, zag mij sterk in het gezicht, en zonder een Woord te spreken, gaat van mij af na de Kamerdeur, daar wij inwaren, en doet die inde slot. Ik dit ziende, wist niet wat ik denken zoude en kreeg in die korte tijd vreemde gedagten te meer alzoo ik hen van mijn Leven niet meerder gesproken had dan, en hij de reputatie hadde dat hij een fel Generaal was. Doch aanstods wederom, bij mij komende ziende mij sterk in het gezichte, vraagt mij een zagte stemme, wat zaaghter daar strax, ik die zelvige woorden met een groote Vrijmoedigheit verhalende, voegh des bij dat ik een goed middel wiste om Coevorden wederom (door Gods zegen) an onsem Staat te brengen, en verzorgt van zijn Excellentie daartoe de helpende handt.

Waar op zijn Excell: mij vraagde op wat fatsoen ik zulks wilde aanvangen hem het selvige dag bekent te maken, het welke ikzo anstonds an zijn Excell: hebbe verhaaldt op wat wijze ik zulks in ‘t werk wou stellen, heeft mij vorders doen daarop gevraagt na alle gelegentheid vande plaatse, en na ‘t guarnisoen, maniere van Waken en Ordern, en voords hoe het tegenswoordig binnen Coevorden geobserveert worde.

Ick hebbe zijn Excellentie op alles geantwoord, na’t geens mij van haar dingen bekent was, mij in alles onbevraagt hebbende, heeft op mij versogt, of ik hem niet een afteykeninge van Coevorden konde maken, also ik een Ingenieur was, hebbe doen zijn Excelentie vertoont een Kaarte van Coevorden, met de Belegeringe vanden Bisschop van Münster in het voorleden Somer gedaan, daar in ik hadde aangeteykent, de guartieren in distancie vande plaats, de Approchies, Batterien, Ketels, of plaatse voor de Mortiers, en toorts alles wat den Vijand daar daagelijks hadde gedaan,

Deze Kaarte siende, besachte wel nauwe, en vraagde mij of ik die zelfst gemaakt hadde. Ick antwoorde, als de Waarheidt was, van ja, Doen heeft hij de Kaarte bij hem behouden, en mij versogt om voor hem een ander te maken in kleiner proportie, en die vooral evenwel Correct was, Dit hebbe ik aangenomen te doen, en beloofde om den anderen dag dezelvige Kaarte veerdig te hebben en dan zijn Excell: sou verthonen dat hem wel anstondt en wille also mijn afscheydt nemen, maar heeft mij eerste gevraagt, hoe dat mijn en toenaam was, en hoe dat de man heete daar ik gelogeert was, dat ik zijn Exell: alles heb verhaalt, het welk hij alles opgeschreven heeft in mijn pressentie. En heeft mij versogt om desse Saake vooral te secreteren, hetwelk hij mede soude doen.

Hebbe hierop mijn afscheid genomen, en ben na mijn Logement gegaan, en passeer en winkelhaak bij der hant genomen, en aan stonds een nieuwe en zeer correcte kaarte beginnen te maken, en denselven Dagh nog veertid gekreegen.

 

Ben dan anderen Dagh daarmede gegaan bij zijn Excell: en deselvige an hem vertoont, die mij ook niet lange liet wachten, maar voort in een Kamer doen wijsen, en is bij mij gekomen, ende kaarte voor hem op de Tafel leggende besachse wel ter Deege en vraagde mij doen, na de Stucken der forteficatie, en Examineerende mij doen, alsof ik tot een Ingenieur soude gemaakt worden, dit gedaan zijnde versogt aan mij, dat ik van verren soude vernemen of men wel biesen in de Stad soude konnen bekomen, om daarvan Biesbruggen te konnen maken.

Mijn afscheid genomen hebbende, hebbe overal waarik best konde, vernomen hadde, Somtijds worde mij gesegt, Ja, Somtijds Neen, en ik dorst an niemand die mij kende vragen, die daar anders vreemde gedagten uit souden gehadt hebben, Dit heb ik zijn Excell: van tijd tot tijdt bekend gemaakt dat ik mij met er haast so bloot niet dorste geven, in het ondersoeken van Biesen, also den Vijand zijne Spionnen overal heeft, en dan hierdoor agterdogt soud-hebben. Oordeelde van langer hand zulks welgewaar te worden, hetwelk zijn Excell: ook so voor goed gevonden heeft. Terwijl ik mij op deese Zaake informeerde, treckt zijn Excell: na de Oude Schans om te bezien hoe ‘t met de belegering stond, En heeft zich de Oude Schans op den 18e October overgegeven an zijn Excell: Rabenhaupt.

Het accoord van ‘t overgeven gemaakt zijnde, heeft zijn Excell: begeert, dat het Guarn isoen iot de Oude Schans nergens soude trecken als op Coevorden, om also den Vijandt dus te minder te doen gedenken op een anslag op Coevorden te hebben.

 

Ondertussen heb ik konnen vernemen dat Rabenhaupt dit alles, dat wij malkander gesproken hadden heeft gecommuniceerd an de Staten vande Provintie Stad en Lande, also ik sach dat ik doen niet alleen met de Luitenant Generaal Rabenhaupt Consuleerde, maar dat zijn Ed: tot geheyme Raden waren toegevoegt, de Heer Borgemeester van Julsinga ende Heer Berend Koenders als doen President van de Ommelanden zijnde, nevens den Secret : R. Busch. Deze drie Heeren neffens zijn Excll: hebben dagelijks met mij gesproken , en mij van alles ondrsocht en ondervraagt,Ja dingen wederom gevraagt waren, die ik ook weer beantwoord hebbe, so dat zij mij bij mijn eerste woorden constant vonden, en geen veranderingen in mijn Woorden gevonden hebben, Maar waren nog verwondert dat ik gedurigh al anhielt om het eens bij de handt te nemen.

 

1672 In de Maandt November is mij last gegeven om de Biesbruggen beginnen te maken, en al wat nodig was daartoe soude Kopen en bestellen, hebbe alles wel konnen bekomen, maar hebbe geen Biessen konnen voor gelt krijgen, hebbe versogt dat de Heeren geliefden te belasten an de Oldermans vande Stoelmakers gilde om een goed quantiteit Biesen tot 200 Bos in ‘t lands Magazijn te doen brengen hetwelk de Heeren anstonds also hebben belastet te doen, en zulks bij een Breuke so zij hierin nalatig waren. Doen zijn in den tijd van twee dagen groot quantiteit Biesen in het Lands Magazijn tot Groningen gebragt, daarvoor zij ook haar gelt hebben ontvangen, doen heb ik voort drie arbeiders bij mij gekregen, en haar onderrigt hoe zij de Biesbruggen zouden maken, en hebbe zelfs mede gearbeidt tot 4 a 5 Vacken, vaardig waren, Ick hebbe doen maken 26 Vacken, yder Vacken 6 voeten Lank tot drie bruggen yder 52 Voet, alsoo men Staat maakte dat het ysbit inde gragte tot Coevorden ongeveer inde veertig voeten soude wijt gemaakt worden.

Deese bruggen veerdig sijnde, heb ik so vertoond an voorgen’ Heeren ziijn Excell: de Heer Borgemeester J. van Julsinga de Heer Berent Koenders, en an de Heer Secretarius R. Busch , welke Heeren mij wederom hebben doen geven sodanig gelt, als ik tot arbeidsloon, in andern hebbe uitgeleidt in het maken der gemelde Bruggen, en mij doen belast om een schip voor het Magazijn te doen brengen en daar s’ Morgens voor den Dagh 5 a 6 Vacken vande Bruhgge daar doen inleggen en te doen voeren buiten in ‘t Horense Diep , en dat ik se daar dan eens op het Water soude doen leggen om te proberen.

Dit hebbe ik terstondt in ‘t werk gesteld, en een schip gekregen, en s’Morgens 6 Vacken vande Biesbruggen voor dage daar doen inleggen, en met den Dagh den Schipper daar mede gestuurt na het Horense Diep, en hem belastet daar so lange te liggen, tot dat ik bij hem quam, en om dat hij niemant in ‘t Schip soude laten komen, om te zien wat daar in was, heb ik eene van mijne Arbeiders mede op het Schip gelegt om goede opzicht op alles te hebben.

 

Ben doen gegaan bij de Heer van Julsinga en zijn WelEd: zulks bekent gemaakt dat het Schip al buiten was, heeft de andere Heeren doen aanseggen door eene Provintie Boode, dat alles klaar was, en dat men op een Uur nadermiddag soude komen bij Marwenpijpe dat aldaar een treckschip veerdig lag, om daar in te gaan zitten.

Op Eén Uur zijn gem: Heeren daar na toe gegaan, en in het Treckschip gaan zitten, maar hebben haar Knegts expres belast om aldaar so lange te blijven tot dat sij daar wederom souden gekomen zijn, Wij also uitvarende hadden niemant bij ons als mijn half broer Claas ter Burgh, zijn gevaren tot omtrent bij het Schip daar de Brugge in was, en hebben de Schipper met het Treckschip daar so lange hieten te blijven tot dat men hem riep. Ondertussen gaat mijn broer en ik vooruit met de Knegt die ik voor op ‘t Schip geset hadde, maakten enige Vacken vande Biesbrugge veerdig: en wees de Heeren hoe dat ik die hanteerde, en maakte also een Brugge over het diep, daar zij Heeren overgingen, welks wel nauw op alles gelet hebbende stond haar zeer wel an, en bevolende maar wederom op de nemen, en wederom in ‘t Magazijn te brengen, gelijk voort gedaan wierde, Wij na het Treckschip toe gaande voeren wederom nade Stadt, alwaar gem: Heeren mij doen voort deeden tellen hondert gulden an geldt tot een vereringe die ik aanstonds ontfingh.

Ondertussen Vorst weder wordende, deede ik alle dagen anmaninge an zijn Excell: en mij alle dagen Kondschap informerende uit Coevorden hielt wel nauwe Correspondentie, en hadde alle dagen nieuwe tijdinge uit de plaatse, so dat ik sonder roem wel durve zeggen dat niet binnen Coevorden geschiede (:daar iets angelegen was:) of ik wist het voort daar na tot Groningen, twee maal heb ik des Nagts allarm doen maken, om den Vijandt wat te abuseren als de tijd quam dat de regte allarm soude komen.

Maar wat instantie ik deede, zijn Excell: en konde niet resolveeren om nog te gaan. Eens reis ik zijn Excell: wat hart anmanede, en hem voorstellende dat ik oordeelde dat den tijd nu geschapen was om het werk antevangen, dewijl het hart vriesende weder ons diende, en ik alles wat nodig was veerdig hadde so heeft hij mij geantwoordt, of ik dan ook geresolveert was om zelfs mede te gaan, de plaatse ten bestormen, daarop heb ik zijn Excell: geantwoort van ja, dat ik niet hoopte dat zijn Excell: sulk vertrouwen op mij soude hebben, dat ik, die soo een Considerabel werk had bekent gemaakt, selfs niet soude medegaan om het werk helpen uitleveren, Ick achte dan zulks niet eerlijk van mij gedaan te zijn, Een anslag te maken, en zelfs niet te durven uitvoeren, En so ik konde bemerken so stonden hem deese woorden wel aan,

Maar heeft mij geantwoort dat hij eerst nog eens met de Heeren Spreken most, daar op gink ik zeer misnoegt van hem af, beelde mij in, dat alle werk om sunst was.

 

1672 Den December, koomt de Kapit: Gabbema van Leeuwarden des avonds en bejegent mij tot Groningen op de plein, en also het zeer kout was versogt mij om met zijn Edle te gaan om een glas wijn met hem te drinken, zijn also in het Wijnhuis gegaan daar wij in praat geraakten van het verlies van Coevorden, en hoe grooten Schade den Staat daarbij quam te lijden, en sagen geen Kans hoe men het selvige wederom soude krijgen, als met een Vereassinge, hij Kapit: verhaalde dat hij niemant soude weten die bequaam was om daar een goeden anslagh op te maken, antwoorde hem daarop dat ik ook sodanige persoon niet konde bedenken die daar bequaam toe was, en zigh so een gewichtig werk dors te onderstaan.

Gabbema antwoorde Neen, dat als sodanigen anslag mislukte, dat soo een persoon zeer ongelukkig soude zijn, als hiij inderdaad ook wel ongeluckig soude wesen. Hij vraagde mij so half schetsende of ik niet een anslag wist, want hij soude niemant weten die daartoe bequamer soude zijn als ik, tot zeker reden gevende dat ik voor eerst verstond de Ingenieurie en voor het tweede dat niemant de Fortificatie haare Swackte en Sterkte so wel bekent was als mij, oordeelde dieshalven mij niet onbequaam daartoe, waarop ik zijn Ed: tot antwoord gaf dat ik wel soude wachten een soo gewichtige dingen te onderstaan, en dat de Kennisse van een geringe Persoon als ik, hiertoe al te swak was, dat zulks te practiseeren wel een werk van een ervaren Generaals persoon was; Hij bekende dat het een gewichtige Saake was, dog seide hij ik heb last van haar Hoogheidt, so ik een persoon wist., die hem wilde onderstaan om op Coevorden een aanslag te maken, iksal hem verschaffen volk en al wat hij tot uitvoeringe van so een werk nodig heeft, en als ‘t wel gewlukt sal ik hem vereren met een Honorarium van Vijftig Duizent gulden, en daar een offitie bij, ik dit anhorende docht so voort bekomen sonder tijdvesuim, en worden sulke heerlijke beloften gedaan, en hier weet ik nog niet een s hoe dat het gaan sal, of het angaan sal of niet, ik resolveerde om Gabbema van dit Discours of te brengen, en morgen nog eens bij Rabenhaupt gaan, en nog eens instantie te doen tot het voltrecken der voornoemde anslagh. Dit is alsoo geschied, en zijn van het Discours afgeraakt, sonder mij te openbaren, wat ik in ‘t sin hadde; Des Morgens ben ik omtrent half tien Uur bij zijn Excell: gfegaan, en versogt dat men dog met het werk mogte voortgaan, maar so zijn Excell: swarigheid daarin maakte, dat mij geleifde te zeggen, so wat ik geresolveerdt om hetgeene ik an zijn Excell: versocht hadde, op een ander te versoecken, want ik oordeelde dat de tijd nu was, ten eersten om het vriesende weder, ten tweeden dat nog geen Ruiterie in Coevorden, ten derden dat nog geen pallissaden om de Tancebray stonden daar men de Aytaque mostedoen.

Zijne Excell: heeft mij geantwoord dat hij mog soo haast so veele volk niet bij malkander konde krijgen, En waar ik gaan woude om soo een gewichtig werk, uit te richten, als toch Groningen, Hebbe geantwoord dat ik na Vrieslandt woude gaan, ik twijffelde niet of ik soude daar wel gehoor en bijstand van alles krijgen, daarop heeft hij geantwoordet dat ick bij Vriesland sulx niet soude kunnen doen, tot reden gevende om dat soo groote het 3e in die provintie is, en men soude nogh wat patientie hebben.

Tegens avond ik wederom bij opgen. Capitein komende heeft van gelijks taate beginnen te voeren als de vorige avondt, zeggende bovenallen dat haar Hoogheidt sodanig persoon als het wel geluckte wilde verEren met vijftig duizend Gulden. Daarop ik antwoorde Mijn Heer Capitein kont gij mij verzekeren van Sodanige belofte die hij daar doet, so weet ik een man die een aanslag op die plaatse sal maken, en twijfelkde iet of zij zal hem door Gods Zegen wel gelucken, Waarop hij begeerde dat ik hem die persoon soude noemen, wie dat het was, hebbe van hem geeyst onder zijn Eedt an het Landt gedaan, dat hij dan zulks an niemant soude openbaren als an haar Hoogheidt, dewijle dat het eenteedere Saake is, en niemants Vreets mogt weeten. Heeft mij onder Eede belooft sulx niet willen te willen openbaren doen, heb ik gesegt dat ik de persoon selfs was.

Doen heeft hij mij begeert dat ik hem soude openbaren hoedanig ik die anslag maken wilde, maar wilde hem het niet bekent maken, Daarop heeft hij mij versogt om met hem ma Leeuwarden te gaan, om haar Hoogheidt daar eens te Spreeken, maar ik heb hem geantwoort, dat hij eerst eens bij haar Hoogheid wilde gaan, en maken bekent dat hij als sodanig persoon gevonden hadde, en antwoord wederom schrijven, s’anderdaags is hij na Leeuwarden toe gevaren, en binnen drie dagen wederom gekomen, en mij gesegt, dat haar Hoogheidt wat swarigheid maakte, en dat ik hem soude bekent maken, hoe en op wat wijze ik den anslag in ‘t werk wilde stellen, Hebbe hem glad af geseyt dat ik zulks an niemant wilde openbaren, Maar so haar Hoogheidt zulks van mij begeert te hebben, zal ik tot Leeuwarden komen, en haar Hoogheidt daar openinge van doen, hierop is hij wederom na Leeuwarden vertrokken op den 12 december 1672.

 

Denzelven dagh tegens avond word ik van een provintie Boode gehaalt om om bij de Heer Secretaris R. Busch te komen, daar ik tegens avond koom, die mij segt anstonds bij den Luitenant Generaal Rabenhaupt te komen, daar ik voort na toe gaa, en bij zijn Excell: gekomen zijnde, zeidt tot mij, gij hebt mij zoo menigmaal aangemaant, om het werk van Coevorden te beginnen an te vangen, nu ben ik ook geresolveert, om met God het werk bij de handt te nemen, hebt gij nog die selvige resolutie, die gij altijd gehad hebt tot dit werk? Heb hem geantwoort van Ja, en dat ik geen liever dagh en sagfh als dat werk (onder Gods zegen) te beginnen, zijn Excell: heeft die Kaarte gekregen die ik te vooren gemaakt hadde van de Fortificatie van Coevorden, en mij gevraagt, hoe dat ik nu oordeelde dat men de plaatse ten besten en op ‘t Sterkste an soude tasten, Hebbe daarop geantwoordt, dat ik altoos geoordeelt hadde, dat men de plaatde opp drie Bolwerken moste gelijk antasten, en dat men vooraf het Bolwerk Gelderland daar in het Kasteel legt moet attarqueeren, neffens het naast angelegene Bolwerk Hollandt, en dat men het Bolwerk Zeelandt niet konde attarqueeren, omdat men over een lopende Stroom moste passeren, die men met soo veele langsaam soude konnen overkomen, en als den Vijandt gelegenheidt geven om te degen in postuur te komen, en de derde attarque acht ik nodig te zijn dog alles onder Correctie van zijn Excellentie.

Dit heeft hij also laten blijven, en ook voor goed gevonden, en mij belast dat ik een afdeelinge soude maken van het Volk dat ik meede soude hebben 968 Musquattiers, en maken een Nitul op wat manier, de Commanderende Officiers haar sullen Schicken, en wat posten bij ieder in Versekeringe dienen genomen te worden, also mij alle posten in Coevorden wel bekent waren, en dat een officier na een post soude gaan die veer van hem afgelegen is, soude niet passen, maar de officier toevoegen die naast sijn Attarque daarbij heeft , doen heeft zijn Excell: mij toegestaan selfs officieren te kiezen wie ik oordeelde dat ik betrouwde so heb ik voor eerst gekozen tot het Hoofe van allen, den Heer Frederik van Eybergen Luitenant Colonel over het regiment van Graaf Coninksmark om de Attarque te commanderen, in ‘t bijzonder als ‘t op een Attarqueeren soud gaan, en tot de andere Attarque heb ik gekozen de Heer Majoor Wijler, Majoor van het Coninkmerker Regiment. Voorts heb ik nog eenige officieren die mij bekent waren gekosen, en heeft zijn Excell: DE ANDERE DIE NODIG WAREN DAARBIJ GECOMMANDEERT.

 

Des anderendaags zijnde den 13 december heb ik een concept an zijn Excell: gepresenteerd, dat van deese volgende inhoud was. En heb zijn Excell: versogt daar in tre verandere so ‘t hem geliefde, en luidde als volgt. Seshondert Man moeten regt op Tellinkhuiz (op- de Loo voor Coevorden staande) an marcheren, en vandaar op Toppenhaar met haar nemende seven Vacken van de Biesbruggen voor yder Attarque dat is voor de twee 14 Vacken Biesbruggen, en haar in alle Stilligheid begeven op de Contrscharp, En aldaar eenige pallisaden an Stucken hacken, En dan de overste Luitenant Eybergen moet met 150 Man op ‘t Casteel anvallen, En een officier met 150 Man soude blijven om het Bolwerk Gelderlande te vermeesteren, en de andere 150 Man moeten avanceren tot de Corps de Garde staande in de Citadelle voor de Kasteelse poort, en vermeesteren also alle Posten op het Kasteel.

Den Oversten Wachten: Wijler zal met de andere 300 Man het Bastion Hollandt Attarqueeren, en op de Fancebraye komende, sal een officiet bij de doorsnijdinge (tusschen het Casteel en beneden Wal staande met hondert Man oplopen, en Meester maken van het Canon dat op de Bolwerkspunt van Hollandt staat, en voorts vande Wacht die mede beneden deselve Batterie Staat. De andere Tweehondert Man sullen in allerhaast haar begeven an de andere zijde van het Bolwerk (als zij inde Fancebray zijn) en loopende de Fancebray langs tot aan de Sortie ofte Secreetsbrugge dat tusschen het Bastion Holland en Zeelandt is, en bij de Secreetbrugge de Wal opklimmen, dan sal een Kapitein met 120 Man hem vande Wal bein alle spoedt met de Hoofdwagt staande op de Markt en hem aldaar Meester van maken, en daar post blijven houden: Een officier met 50 Man sal hen in allerhaast begeven na de Bentheimer Poort, en de Schotpoort en gantsche Poort aldaar innemen en wel bewaren, dan zal een Sergeant met 30 Man postv atten in het Bastion Zeelandt, daar het Kruidhuis ende Batterie met Canon aldaar staande wel bewaren, dan zal nog 300 Man onder Majoor Jan Sickinga marcheren vande troup af tot op het Bastion Overijssel nemende haren Mars voor bij Broersemaas hof over het Loodiep door den Holvoort voor bij de Hengelaarshuis latende het selvige wat in de regterhandt leggen, en also dwars den ouden Spaansen dijk over de Haar, en so voorts tot an de Contrescharps grafte op het Contrescharpst punt van Ooverijssel, en met haar nemen seven Vacken van Biesbruggen, twee Koevoeten, Een Domme-Kragt en handgranaten en een goet getal Exebijlen, en halve pieenquenh. Gelijk als bij de andere twee Attaques meede sal moetren weesen; op Contrescharp komende zullen sij soo veele palissaden op de bequaamste plaats kappen, dat men met de biesbruggen daar door kan komen, en dan de Biesbruggen leggen in het Ijsbit, engeveer midden tegens de Regter Trace van het Bolwerk Overijssel, inde Fancebraye gekomen zijnde, zal hem een Capitein met 100 Man in allerhaast begeven na de Sortie, Staande inde Courtine tussen het Bolwerk Vriesland en Overijssel, en aldaar bij de Secreetsbrugge de Walle oplopen en door de Sortie, hoe dat men best sal kunnen, dan sal een Sergeant met 30 Man hem begeven na het Bastion Vriesland, en de andere sullen haar Meester maken vande Batterie in Overijssel en het Kruithuis aldaar wel bewaren.

De rest van ‘t volk sal haar begeven in allerhaast en maken haar meester van de Vriesche poorte, de Schotpoorte wel versekerende opdat se niet wordt nader laten vallen, en voorts de Wacht bij deselve poorte incorporieren, en dan de Vriesche poorte in aller haast open maken, om onse Ruiterie daarin te laten. Dit heb ik an zijn Excell: Rabenhaupt over gegeven neffens een Kaarte van alle Werken van Coevorden; daar ikmede opgeteykent hadde de drie plaatsen daar ik oordeelde dat de Attaques mosten zijn, En zijn Excell: heeft dit alles so laten blijven en goetgekeurt, so als ik deselvige hadde opgesteld.

 

Op den 16 December 1672, worden alle poorten tot groningen gesloten omtrent drie uren na de Middagh om dat niemant moge uitgeraken, en aan de eene Vijandt plaatse of andere enige Kondschap te brengen, zijn Excell: heeft mij versogt dat ik op een pampier soude stellen, hoe dat ik de Marsch op Coevorden oordeelde te moeten weesen, waarop ik voort heb opgestelt, en zijn Excell: geantwoord dat de Marsch noodzakelijk bij ‘t Oostermoer langs moste gaan Eensdeels om de bequaamste wegh, anderdeels omdat men dan niet over het groote Eylersvelt en behoefde te reijden; en alsoo meede na der anden vijand quamm, die tot Meppelt en Steenwijck en daaromtrent lagh, Hebbe dan de Marsch opgestelt als volgt, Order des Marsch van Gronijngen to Coevorden Van Groningen op Haaren, Van Haaren op Zoudlaren, Van Zoudlaren op Gieten, Van Gieten op Gasselte, Van Gasselte op Borger, Van Borger op Exelo, Van Exelo op Valte, Van Valte op Emmen, Van Emmen op Ermen, Van Ermen op Dalen, Van Dalen op Coevorden.

 

Den 16 December 1672 zijn van ijder Comp: te voet in Groningen in guarnisoen leggende 36 Man gecommandeert met nodige officieren.

De Ruiterie worde mede paptent gegeven, alsmede de Dragonders die voor een gedeelte doen op de Leek lagen, om haar op de 17 met harar volk op Drenthe, omterent Zuidlaren te vervoegen, en aldaar dan nader order ontfangen.

 

1672 den 17 December ben ik vroeg voor den Dagh in het lands Magasijn tot Groningen gegaan en hebbe de Biesbruggen ordentelijk op de wagens laten packen, Enige hondert ijspoorten ontgfangen, als mede eenc quantiteit Exebijlen, Dommekragten, Koevoeten, endat alles op de wagens op de wagen doen pakken alsmede worden Musquet Kogels, Lonte, en Enige Kruid, en Enige petarden uitgegeven, alsmede vijftig halve Piecquen en andere nodige Dingen meer, op de selven Dagh omtrent een Uur, reedt de Ruiterie uit de Steenstilpoorte, en het voetvolk ging omtrent drie Uren nade Middagh mede desleve poorte, daar ik mij bij begaf, en met haar marcheerde, denselven avont quamen wij ( : dog wat laate:) tot Gieten, daar wij onze Ruiterie vonden, dog so haast wij met het grofs van ‘t voetvolk daar quamen, bestaande in 972 Man, sonder de Volontairen, so is de Ruiterie wederom vertrokken, enden gantschen Nagt voor uitgereden, ende Wegen en passen overal beset gehouden.

 

Den 18 December des Morgens, hebben wij alle onze voetvolk buiten Gieten, op den Esch gerangeert Battaljons Wijse, en is doen an Ijder Soldaat een Maatjen Brandewijn gegeven, die den Sollicit-r Wildervank op een Wagen meede deede voeren, als zij de Brandewijn gedronken hadden, marcheerden wij met onsen ganschen train voort door Gasselte, Borger, Exelo, en Valte, ‘Savonds quam ik met de Dragonders en de Artillerie bedienden tot Emmen, also de overste Luitenant Eybergen mij tot Borger versogt had om vooruit te rijden met mijn wagen tot Emmen, en aldaar voor zijn WelEd: quartier te maken, alsmede voor het voetvolk, hetwelk ikdeede, maar also de overste Luitenant misleidt worden op den Wewgh, overminds de menigvuldige Sneew, so heeft hij niet tot Emmen monnen komen, maar is met alle het voetvolk tot Odoren die nacht gebleven, dees Naght souden wij Coevorden geattaqueert hebben, maar het was ons niet doenlijk.

‘Smorgens met den Dagh zinde de 19 December oudestijl, lag ik met de Heer Majoor Joan Sickinga op ‘t Stroo, alwaar een Ruiter koomt in loopen, en zegt dat tot Odoren magtig geschoten word, wij metterhaast van het Stroo opstaande luisteren, mede daarna, en hoorden dat enige Musquettiers met gelederen Vuurgaven, Wij oordeelden dat enige Keulsche uit Steenwijck waren gekomen, en den overste Luitenant met het voetvolk aldaar attaqueerde, stuurden voort twee ruiters na Odoren op Kondschap, en voort daarna nog twee, ondertusschen stelden wij ons in Emmen in postuir, of de Vijandt ons ook mogte komen an te tasten, maar terwijl wij daarmede doende waren, komen de twee Ruiters wederom van Odoren maakten ons bekent dat alles daar wel stondt, en dat de Heer overste Luitenant Eijbergen het volk ‘t geweer hadde laten schoon maken, waardoor wij wederom onse preparatie lieten gaan, en verwachtende de Komste van gem: Heer Eybergen bij ons tot Emmen, die ook tussen tien en elf uren voor de Middagh bij ons kwam met het voetvolk ondertusschen hadden onse Ruiterie alle posten op de advennis na Coevorden wel nauwe bezettet, dat niemand heen of weder na Coevorden konde komen, doen marcheerden wij met het Voetvolk ende bedienden vande artillerie Van Emmen na Ermen, zijnde ongeveer een Uur gaans van Malkander gelegen, tot Ermen komende hebben wij ons aldaar stil gehouden, de Wagens vande Biesbruggen, en andere Behoeftigheden ontladen om aldaar alles klaar te maken, en Vrisse wagens teverwachten, hebben voor eerst die bijlen, die wij tot het kappen vande Palissaden op de Contrescharp tot Coevorden van doen waren, aldaar doen slijpen en scherp maken, also zij soo bot waren dat men daar anders onmogelijk dienst mede hadde konnen doen; Ick gaf doen mede an jeder officier en Soldaat een paar ijspoorten also het glat was, hebbe doen voort de Biesbruggen met vacken aqn malkander doen binden op de Brink tot ermen, ende officieren en soldaten geweesen hoe dat men deselve moste hanteeren, ende overste Wachtmeester Wijler heeft het volk geweesen, hoe dat men in alle deelen daar mede omme moste gaan, alsoo iemant die daartoe gestelt was mogte geschoten worden, een ander in zijn plaats mogte worden gesteld, om het werk alsoo niet agther te blijven. Ick nem mede an om de Bruggen op het Ksteel selfs over te brangen, versogte dat zijn Excell: op de tweee andere attacques, jemant, daartoe geliefde te stellen, die aldaasr de Sorge over de Biesbruggen en ‘t overbrengen derselver mogt anbevolen worden, daartoe zijn Excellentie geliefde te stellen die twee Proviandmeester Engelinck en B. van Loo, die te vorden Proviandmeester van Coevorden waren geweest, en nu mede verlangden, om weder om in haar vorige Cherchies te mogen worden gestelt, zijn Excellentie heeft mij tot Groningen voort gesegt, dat hij de twee ProviandMeesters tot de Sacke hadde gestelt, en dat ik se neffens den overste Luitenant Eybergen ( : als het tijd was: ) daartoe soude gebruiken , op Drenthe komende vraagde ik Engelinck, of hij zulks van zijn Excell:had angenomen, die mij antwoorde van Ja, Maar versogt evenwel op alle Vrindschap, so het konde geschieden, dat ik hem van deese Saake mogte Excuseeren, het welke ik hem op zijn verzoek beleeft hebbe te doen; en hebbe doen mijn eygen half broer Claas Aderjans ter Burgh daartoe versogt, die dat sejvige gewillig annamt, en rekende hem hierdoor gelukkigh.

 

Nu to Ermen zijnde, vraagde mij Eybergen wie dat de Biesbrugge bij de attacque van Majoor Sickinga en Wijler, soude in acht nemen en overbrengen, hebbe ziijn HoogEd: geantwoord dat zijn Excell: daartoe hadde gestelt de twee ProviandMeesters van Coevorden, waarop hij antwoorde dat zijn Excell: hem sulks mede had gesegt, versogt mij om die twee personen Boode te sturen, om aldaar anstonts te komen, en de orders te ontfangen, waarop ik van Loo deden halen , en onderstussen tegen de heer Eybergen verhalende, hoe dat de proviandMeester Engelinck mij onderwegen hadde versogt dat ( : soo het mogelijk was : ) hij van zijne Commissie in ‘t overbrengen vande Brugge ( om reden) mogte geexcxuseert zijn, en dat ik hem zulks op goetvinden van gem: Heer Eybergen belooft hadde, en dat ik inde plaatse mijn Eygen half broer die de Brugge meede hadde gemaakt gestelt hadde, het welk zijn Ed: wel aanstont.

Van Loo binen komende zeijnde de Heer Eybergen tegens hem dat hij wel wiste wat order hij hadde van zijn Excellentie en dat het nu deese nagt souden zijn, dat jeden Man zijn Commissie zouden Exerceeren, en dat hij hem tot tijn Uiren in de avont zoude veerdig houden, om met de Heer overste WachtMeester Wijler, en zijn onderhebbende troup te marcheeren tot op de grafte van Coevorden, en maken dat de Biesbrugge aldaar behoorlijk worde overgebrogt, waarop hij tegens gem: Heer antwoorde dat hij onderwegens met zijn Peert so fel hadde gereden om Wagens en boeren te pressen, dat hij met zijn Peerdt gevallen was, en hem beseert hadde, endat hij over zulks deze Commissie niet konde Excerseeren, welk antwoort ons beyde niet aanstondt.

Ick hadde bij mij een Claas Buiter voor desen Hoedemaker binnen Coevorden geweest zijnde, en naderhant hem in Dienst onder een Drenthse Comp: van Capitein Hutu Struuk begeven hebbende, is bij ‘t overgaan van Coevorden mede daaruit geraakt, en is also gedwongen onder de Munsterschen onder ‘t Regiment vande overste Eenstraat dienst te nemen; en tot Zwolle leggende, is hij vande Munstersen gedeserteert, en bij ons tot Groningen gekomen, alwaar ik hem mede gebruikte tot het maken van de Biesbruggen, also ik qualik volk daar konde of ook dorste toe krijgen, maar also hij een liefhebber van den Drank was, heeft hij mij niet al te trouw geweest, maar al wat hij vermerkte, tegens zijn Baas een Paaps Hoedemaker in Oosterstraate gink zeggen, gelijk in naderhant hebbe verstaan, doen stuurde ik hem eens op Kondschap na Dalen an een Huisman daar ik meede correspondeerde, die alle dagen binnen Coevorden quam, om van hem pertinent vernemen en mij berigten, hoe de Saken tot Coevorden stonden, alhoewel ik zulks wel pertinent wiste, maar zijn Excell: wilde hebben dat ik voor ‘t laats nog jemant so wijt, soude zenden dat men eens vernam, of er ook veranderingen in Coevorden gemaakt was, maar Claas tot Dalen komende, raakte bij den Huisman daar ik hem an geaddresseert hadde, maar daar komende wordt binnen Coevorden een Stuk canon gelost, ik weet niet om wat reden, Claas dit horende wordt verschrickt, loopt so wijt weer, als hij daar heen gegaan was,

Deze Claas Buiter stelde ik dan an de Heer Eybergen voor, om de Brugge op ‘t Bastion Holland bij Wijler oveer te brengen, dat zijn HoogEd: toestond, en neemt Claas sulks te doen in plaats vanden andere. Des Nade middags ongeveer twee Uiren worden binn en Coevorden drie Schoten uit het Canon gedaan, dat wij tot Ermen gemacklijk hoorden. Alsoo het maar ongeveer twee groote Uiren gaans van Coevorden is, Des avots omtrent tusssen vijf en zes Uiren liet de Heer overste Luitenant Eybergen alle officieren die tot de Attacque aldaar gecommandeert en tot Ermen waren bij ons, inde Heer Voorn-t zijn Camer komen, en aldaar alle bij malkander zijnde, versogt openleggen, en an de Heeren officieren wijsen, hoedanig of op wat posten het soude geattacqueert worden, het welk ik terstond deede, en wees alles an, daarop de Heer Eybergen een jegelijk tot zijin pligt vermaande, en haar voorhielt hoe dat zij zouden gehonoreert worden die wel deede, en ter Contrairs gestraft worden die qualijk deeden, en wel meer andere Vermaninge, jemant was er die wat zwaarhoofdig was, dat men zulk een Sterke plaatse met so weinig volk soude Attaqueeren, Die gaf de Heer Eybergen een uitwisser, hem zeggende, of hij dan de enigste waar die flauwhartig wasd, en so hij dat was, dat hem dan geoorlooft worde, om wederom na Groningen te gaan, maar hiij en wilde zulks niet doen, maar heefet Attacque als een Man met Eren bijgewoont, waarop alle officieren gelast is om zig wat uitterusten, en zich tot tien Uiren des avonts zijnde 19-20 December 1672 tot den Mars veerdig te houden. En wierde doen an jegelijk officier het Woordt of parool Hollandt gegeven, en tot een Veltgeschrey Godt met oons; boven dat worde belast dat so wel officieren en Soldaten te peerde en te voet, so wel Volontairen als Artillerie bedienden, al wie bij den troup was, een Stroo Wisse op sijn houdt soude vastmaken, om also malkander te konnen kennen en vande Vijandt onderscheiden, daarop is jeder officier wederom bij zijn volk gegaan, en afwagentende den tijd om te mascheeren, hier worden elk Soldaat wederom enig Brandewijn gegeven;

 

Ick had ook een weinig voor mijn provisie in een klein Vatjen van een Stoop groot uit Groningen medegenomen en in een Kiste gesloten die op de wagen stond, die voor mij bereid was, Ick gaf aan Claas Buiter de sleutel om bij de kist te gaan, en mij het vaatjen te halen, het welk hij doet, ick een Soopjen daaruit nemende, geef hem het Vaatjen, om weder weg te sluiten, hem zeggende, dat er nog in was, dat soude ons te nagt wel te pas gekoomen, als wij marcheerden, hij gaat heen, Ick wagte wel een Uir op zijn wederkomst, om dat ick hem tusschen ons tweeen vermanen wilde, dat hij hem inde aanstaande nagt wel soude houden, En beloven hem avancement als ‘t wel uitviel, endat hiij hem soude wachten dat hij niet te veel vande Brandewijn en dronck die voor ‘t volk gegeven worden: en andere dingen, ook zijn gewisse eens te raken, gelijk in silke tijdtsgelegenheidt an sulke roekeloose broers behoort gedaan te worden, maar wat ik wachtte, daar quam geen claas wederom. Ick zelfs naar mijn wagen toe, daar komende vondt hem daar leggen, so vol als een beest, sonder qualijk te konnen spreeken, alsoo hij mijn klein vaatjen gansch geleegte hadde. Ick was zeer gealtereerd datzelve ziende, laat hem met twee soldaten het Boerenhuis dragen, en aldaar op ‘t stroo leggen, en mij een ander persoon op soeckende die de brugge in zijn plaatse soude overbrangen, also ik het op hem niet dorste vertrouwen, terwijl een jegelijk zich een uirtien tot ruste begaf, stelde ik Heer Luitenant Eybergen voor oft niet goed soude zijn, dat order worde gestelt in het Dorp Dalen, om alle de boeren honden te doen opbinden opdat zij geengeraas en maakten als wij met den ganschen trein daar door marcheeren, en ligtelijk van den Viijandt binnen Coevorden koste gehoort worden also het maar een groot half uir vandaar is gelegen.

Dit heeft zijn HoogEd: voor goed gevonden, en aldaar een bequaam persoon na toe gesonden, die zijn ampt ook wel verrigt heeft want doen wij door Dalen trocken, hebben wij geen hond gezien, nog gehoort.

 

Op den Marsch tusschen Groningen en Coevorden zijn twee Dragonders van onsen troup gereden, en haar bij den Vijandt in Coevorden begeven. Des nachts ( : na mijn gissing :) tussen elf en twaalf uir, hebben wij onsen wagens doen inspannen, en also met den ganschen trein uit Ermen vertrokken voorbij de Hool op Dalen, en vandaar recht op Coevorden op een plaatse genaamt de Hooge Loo, bij zeker huis van Jon-r Tellinvkhuis, alwaar wij de wagens allen deeden ontladen, en die boeren met diezelve lieten rijden. Onze Ruiterie heeft goede wachten op deese togt gehouden, ja, soo voorsichtig dat zij tot Wachtum in een boerenhuis ongeveer een uir van Coevorden zijnde, zagen voor hetzelve huis, de jager van de Commandant Mooy binnen Coevorden gaan met een officier of twee uit hetzelve guarnisoen, die zij wel gemacklijk konden hebben gekregen , maar lieten haar stilleties vertrecken na Coevorden toe, om geen geraas te maken, Claas Buiter was wederom nugteren geworden, stelde hem aan ‘t werk om de Biesbruggen neffens mijn halfbroer Claas ter Burg an malkander toe voegen, Majoor Sickinga met mijn half broer met seven Vacken van de Biesbruggen, volgens order door den Holvoort met zijn volk na de punt Overijssel gaande, En onse Musquettiers voor Eybergen en Wijler gereet doen maken ondertusschen hoorden wij gemaklijk de Schildwagten op de Wal tot Coevorden dickwijls roepen Werda. Waarop de Heer Overste Luitenant Eybergen mij ter zijden van ‘t volk of alleene riep, en mij vragende, wat mij nu van ‘t werk dogte, zij hoorden de Schiltwagten, met meichten roepen, waaruit men bespeurde dat zij niet sliepen, endat zij ligtelijk van onze aankomst verwittigt waren, wat ik nu geraadsaamst agte, Want ik de order nu so wel hadde tot Attacqueeren, als ik mogte mijne menige zeggen, of men de plaatse soude aantasten, waarop ik zijn HooghEd: soetjes hebbe geantwoord, dat wat angink het menigvuldig roepen der Schiltwagten op de wallen, geschiede daarom, omdat er soo veele ronden van haar worden gedaan, Ja dat dickwijls in een wagt ronden omde wal gingen, en rekende sulcks goed voor ons, alsoo de Schiltwagten so nauw op haar eygen ronden mosten van binnen letten, dat zij van buiten niet eens op ons, en daghten , endat zij nette Condschap van ons hadden, konde ik qualijk geloven, endat ik resolveert was, en riedt dat men de plaatse soude antasten: en twijffelde niet (: also wij in alles tot den Storm veerdig waren: ) of de plaatse soude binnen een Uir of twee in onse gewelt ( : door Gods Sterke hulp: ) zijn. Waarop zijn HoogEd: wederom tot mij zeijde, zijt gij dan so daar toe geresolveert. Ick seijde, Jaa, wel zeijde zijn HoogEd; ik ook, help ons dan Godt daartoe, en laat ons het werk dan beginnen, Ick seijde, Ja wij met ons tweeen willen met Godt den troup voorgaan, en haar an de Wallen voeren, waarop hij mij antwoorde dat het niet geraedsaam was, dat wij beide bij malkander bleven, maar alsoo ‘t volk wat stelle, en soo ‘t scheen wel traagh tot het werk soude zijn; was nodigh soo wel eene agter om traage voort te drijven, ende afgeslageneals ‘t noodt was wederom te seconderen , en vondt alsoo goed, dat ik met zijn troup op het Casteel soude gaan, en zijn Ed: soude mij van atgteren secondeeren, dat mij so wel anstont, so gesegt, so gedaan, bijden voort an ‘t werk. Verscheyden soldaten bij de Biesbruggen om te dragen, maar met zulks traage handen als zulks worden angetast was te verwonderen, als men se aan een Eijnde opgeheven hadde om te dragen, lagh het ander Eijnde weder neer, so dat men genoodsaakt was na lange suckelen om soo veele officieren rontom de brugge te zetten dat jegelijk de Soldaten dwong, om gelijkehant an te tasten, tot dat men Eijnedelijk klaar worden en begonnen de bruggen voor an, neffens de halve Piecquen. Bijlen, en Koevoeten, en Kontstapels met handgranaten te marcheren, regt op ‘t gerigt op Poppenhaar an, De troup die op ‘t Casteel soude Stormen met 300 Man voor an, de ander onder Majoor Wijlen die op Holland soude stormen met haars bruggen als anders daarop volgende, op Poppenhaar bij de galge komende, zijnde een hooge plaatse, deeden wij de brugge nederleggen, en het volk halte doen met konde men het anbreeken vande dagh kennen, alsoo dat ik begon de Contrescharp en Wallen te zien, zeggende tegens de officieren daar ziet gij de Bruidt daar wij om dansen zullen, haar met een vragende wat order zij tot aanval hadden, zij antwoorden geen order te hebben, vraagden mij wat ordeer ik dat ik hadde, gaf ik tot antwoordt, dat wij alle drie Attacquen op acht Uir souden gelijk begonnen, maar ik oordeelde dat wij so lange niet behoorden te wachten, maar onse twee Attacques aanstonts beginnen, aleer het ligter werde, en wij vande vijandt gesien werde, die met zijn Canon voor eerst, en daarna met Musquetten onder ons volk groote Schade soude doen; En dat Majoor Sickinga soo haast op Overijssel niet konde komen aks wij, Resolveerden dieshalven ons werk voort te beginnen, waarop veresogte dat zij so lange wilden stille staan dat ik eerst nade Contrescharp wilde gaan om te regt te weten, of ik op de regte punt was, daar ik weesen moeste, also men van verre het niet wel konde zien, overmids een dicken Nevel doen opquam, dat ons geen quaat deede die officieren bleve stillestaan met haar volk, terwijl ik na de contrescharp gink, doen hebbe zij mij een Man voort nagesonden om order te halen waar dat sij na toe souden marcheeren ik an de Contrescharp grafte komende, sach dat ik op de punt van ‘t Bastion Gelderland was achter het Casteel daar ik aldernaast wesen moste op de korte Linie tegen de regter face van het Ravelijn gelegen, en de grafte tusschen het Bastion Gelderlandt en Holland, daarop ik voort die persoon in ‘t gemoet liep, die mij nagesonden was, stuirden hem voot na de officieren toe, en liet haar zeggen, dat sij niet na mij souden toekomen, daar ik doen was, Maar dat sij alteszamen dwars over het land, Klinkenbroekjen genaamt souden marcheeren, Ick soude de grafte langs gaan, en haar daarin wachten, ondertusschen gaat hij met haast wegh, en hoorde ik, doen ik op de grafte quam, een schilktwagt teegens zijn Cameraad zeggen ( : alsoo de Vijandt een brandwacht die Nacht in de Contrescharp hadde:) Daar geit ein Kerel op de graben, waarop de andere Soldaten ui t het Wachthuisjen quamen, om mij te zien, zeggende, waar is den Keirel, waarop geantwoort worde Suda Sustu en nicht, ik dit alles anhorende, gaf mij op de ganck bij de grafte langs na de plaats daar ik den troup inwachten wilde, doen begonden zij te roepen, Werda, Werda, uit de Contrescharp, maar ik het zulks onbeantwoort heen gaan, dat duurde immer voort, Werda, Werda, Sprick in Duibels naam Sprick, totdat een Soldaat van de drie, die doen voort vande troup na mij toegestuirt worde, geantwoort wierde, goet Vriend, waarop ik hem bekeef, zeggende Stille te zwijgen, Zij zouden straks wel gewaar worden, wat vrienden dat wij waren terwijl ik de grafte langs liep, begon de Mist weder op de trecken, soo, dat men de Schillwagten vande groote Walle begon te zien, die ook zeer Sterk begonden te roepen, Werda,Werda alle omstandigheden kan men niet schrijven, Ick met drie Soldaten komende opde punt van ‘t Contrescharp bij de hoek van ‘t bijsterveld, bleef staan, en sach de Heeren officieren met het volk regt na mij toekomen, Waarop ik riep, en met mijn hoed wenckte dat haastig souden aankomen.

 

Doen ga de Vijandt uit de Contrescharp de eerste reis met Musquetten fuis op mij, de officieren quamen niet bij mij al gaande maar loooende als brave luiden. Daar waren de Heeren Capitein Bartels, Koenders, Chiton, Speer, Luitenant van ‘t Hof en meer nadere brave officieren die ik niet kan noemen.

Daarmede voort an ‘t kappen en houwen van de palissaden op de Contrescharpen, totdat men een gat daarin kraagh, ondertusschen gaf den Vijandt braaf vuur uit Canon en musquetten vande groote Wal op ons, daarmede met onze Biesbruggen de regter Linie vande Tange de Contrescharps langes op het Bastion Gelderlandt, Majoor Wijler met zijn 300 Man de linker linie langs na het Bastion Hollandt, welks Majoor zijn beklagte deedt, dat hij zijn Attaque niet recht wiste, maar dat ik met hem soude gaan, en hem die anwijsen, hetwelk ik hem geweigert hebbe, maar wees hem zijn post van verre, en mij Excuserende, zeggende dat ik met de Troup van Eybergen op Gelderlandt moste Stormen, het hielp niet ik soude het hem wijsen, en hem op zijn postbrengen, of so het qualijk uitviel, soude hij hem op mijn weigeringe beroepen, en andere woorden meer, Ick resolveerde om in allerhaast met hem te gaan, en brogt hem tot an de groote grafte daar het Ijsbit was zeggende, daar ziet gij het Bastion dat gij bestormen zult, en midden tegen de Linie omtrent, zult gij U Biesbrugge doen leggen en Attacqueeren volgens U ontfangen order. Ick zieget nu wel, zeide hij, en ben van U nu voldaan, gaat nu maar bij U Troup, dat ik deede, ondertusschen speelde de Vijandt vacker met Canon en Musquetten op ons, en insonderheid inde agterste Troup, die daardoor langsaam anquamen, sodat ik geloof hadde de Heer overste Luitenant zelfs met eenige officieren hem niet in de Arrier guarde begeven, wij souden niet wel hebben gesecondeert worden Ick loop dan so haast ik kan na mij troup ( : het was doen al helder ligt dagh: ) eer dat ik bij de brugge quam, die al in ‘t Ijsbit lagh, quamen mij al verscheiden gequetten in ‘t gemoete die zeer jemmerden, Ick trooste haar, zeggende dat zij te vreden moste weesen, zij souden strax buit hebben, ik bevond dat onze officieren al met eenige Manschap ind fancebray stonden, die Biesbrugge was losgegaan, en draaf van malkanderen. Ick maakte se voort wederom an malkanderen kruipende op mijn buik dezelve langs, en met een halve piecque het drijvende na mij treckende, bondt het vast te zamen, ondertusschen gaf den Vijandt al braaf Vuur op ons, roepende ons met Smadelijke woorden toe, dog onse bleven haar ook met schuldig, door dit lette vande Brugge stond veel volk, op de Kant van ‘t bit, dia al Vuir gaven nade Wal, Sodat door de zwaarte het Ijs neerboogh, dat men over de Schoenen in het Water stond, Ick gaa nederzitten houdende met mijn handen de Brugge vast, en liet het volk overlopen, haar andrijvende, en met een vermanede, dat so zij niet geschoten wilden zijn, so mosten zij haar haasten van ‘t Ijs tot inde fancebray begeven.

Ick bemarkte dat de onse inde fancebray al redelijk Sterk waren, en sagh dat meede al eenige Musquttiers door de Hagendoorn waren, en post gevat hadden omtrent midden tegen de Walle, preste mijn volk sterk voort om over te loopen nade fancebraye. De Vijandt schoot seer sterk op ons, dan quam een kogel en nam een voor mij vande Brugge weg in ‘t overgaan, dan an mijn zijdet en achter mij de kogels fritsende, Wij hadden het wat Scherp om dat wij den Commanant van Coevorden Jan de Mooy, Overste over een Regimen Munterse Infanterie tegen ons haaden.

Ick sagh dat ons volk inde fancebraye bleven sonder de Wal te Attaqueeren; gaf de Brugge an een persoon over die daar op soude passen, en gink zelfs na de fancebraye. Daar vondt ik den Capitein Luitenant vande Lijfcomp: van zijn Excellentei Rabenhaupt, en andere meer, snijden de Doornheggen op verscheyden plaatsen Stucken, terwijl doet den Vijandt een Schoor uit een Canon met Schroot vande regter schouder van ‘t Bastion Hollandt dat Majoor Wijler doen attacqueerde, en Schiet Verscheyden van ons Volk terneer. Ick zegge tegens den Capitein Luitenant koom laat ons boven gaan de wal bestormen, het sal genereuser zijn, daar te Sterven, als hier. Daar met wij, door de Hegge met eenige onderofiicieren en Musquettiers na boven, tot op de kruin vande borstwringe komende, wat de Vijandt an ‘t reireren, en verlieten voort haar batterie, gaven evenswel in ‘t retireren al Vuir, waar door gemelde Capiteint Luitenant van zijn Excell: Rabenhaupt worde inde rechter borst geschoten, daar hij voort van storf, ons maakten haar voort Meester vande Batterie.

 

Ick op het parapet Staande, liet zijn hoed om het hoofd gaan, roepende de Soldaten die op ‘t Ijs, en inde fancebraye waren; koomt haastelijk op Mannen de Vijandt is afgeslagen, de plaats is over, doen quamen zij anstonts tot ons op, also zij geen tegenweer vonden, De Heer Capitein Koenders, gaat met enige officieren op den Commandant los, die hem, of wel zijn volk nog wilde verweren, en bleef hij Commandant Mooy, Doodt, ( : dog ofinde furie, en of hij van buiten geschoten is, en kan ik niet zeker weten, also ik daar doen niet bij was, maar an de andere flancq van ‘t Bastion: ) Ick versochte die officieren die ik bij mij hadde, dat sij met soo veele volk als men bij een konde krijgen in allerhaast wilde post vatten in dat Kasteelsche Bolwerk achter den Heer Coeverneur zijn huis, also dat Bolwerk com-mandeerde over het groote Bolwerk Gelderlandt, doen is een Capitein Bulow aanstonds daarna toegegaan, maar vond daar geen Vijandt meer, begaf zig met enige Soldaten inde Commandant Mooy zijn huis, daar ik geloove dat hij well schadeloos uitgekomen is, ondertusschen stelde ik wacht bij dat Pulver huis in ‘t Bolwerk Gelderlandt, en gaf mij voort met mijn bijhebbende Volk op ‘t Casteel. Vaandr: Lingenouw met enig volk is deze post toevertrouwt, en aldaar gebleven.

 

Ick de walle langs lopende, vernam geen vijandt, als hier en daar een Dood leggen, tot dat ik quam bij de Kasteelse poorte, daar Majoor B. Koenders al meester was, alsmeede vande Wacht,, hier sach men al plunderen vvan ‘t volk dat ons wel qualijk soude bekomen hebben, Ick versogt de officieren dat sij haar volk zo lang van ‘t plunderen wilden houden tot dat wij alles gedaan hadden, hetwelks enig sints nagekomen werdt, Ick sagh twee jongens (; zijnde Tamboers van onse militie, en met ons over de grafte gekomen:) met haar trommels op haren rugge, beneffens de Kasteelse Molen staan, en Sagen het werk an, Ick roepende haar toe of zij die princen Marsch wel konden Slaan, zij antwoorden, Ja, Wacker dan zeide ik. Sla dan beijde gaar wacker op (: want wij hadden nog geen trommel geroert :) ‘t welk die twee tamboers in allerhaast deeden, dit beneden vande Vijant gehoord wordenden, konden doen wel Staat maken, hoedat het met het Kasteel geschapen stondt, en waren hierdoor zeer confuis geworden, gelijk ik naderhant gehoord hebben, hiermeede koom ik bij de Wacht vande Kasteelse poorte, daar ik een persoon zeer hoorde roepen en jammeren, gink in de wacht, Sach wat daar was, daar hadden de Polacquen de Weerdt inde Pauw onder met namen Jan Bierlkink, die vande Munsterse was gevangen geset omdat hij tot Groningen geweest was,

Ick hem, en hij mij terstondt kennende, maakte ik hem loss, en gingen also van ‘t Casteel naar de Markt en maakten ons doen Meester van de Hoofdwacht, en Jan Bierlink an zijn huis brengende, zijnde met een Keten aande eene Hand, en aan het eene been gesloten, keeerde ik weder nade Markt, maar daar worden nog geen Borgers deuren geopent, op de Markt komende, So komen eenige vande Munsterse aghter de Hoofdwacht oploopen en wilden weder op ‘t Casteel omtrent veertien of vijftien brave jonge Kerels, Die ik met mijn volk gevangen nam, an voor eerst inde Hoofdwacht bragt, en daarna inde Kerk.

 

Ondertusschen sach men van zelven al enige van ‘t Vijandts volk in de Kerk lopen te meet doen de troup van Majoor Wijler op Hollandt ovequamen, die doenm mede ruim baan inde Stad maakte; Eene Capitein Steven Klinge gaat voort met enig volk nade Vriesse poorte, En doet doe openen, en de Sloten in Stucken slaan door een Schoenmaker Mr. Koenraat Cornelijs, Soon van Coernelijs Schmidt van Sleen, die zijn broeders voor hamer daartoe genomen hadde, door welke openige de Ruiterie en Dragonders worde ingelaten; doen Majoor Joan Sickinga hem (; volgens zijn order:) tot Stormen bereyde, liet hij zihjn Stevels en Kappen afsnijden, en begaf order onder ziijne Ruiterie, wie dat wilde die soude van ‘t peert treden en zigh nevens hem veerdig maken om het Bastion Overijssel te bestormen, hiertoe presenteerden zig niet alleen vferscheide gemeene ruiteren, maar ook diverse ofiicieren te peert, als de Heer Roelof Sickinga Staat Generaal als Volontair. Neefens zijn broeders de Heer Ritmeester Hendrik Sickinga en Johan teije Sickinga, neffens de Luitenant Rosinck, de Heer W van Besten Mon, Pruis en veele anderen te lank te Schrijven, die alle zeer Malijk den Heer Luitenant van den Kamp (;die de Avant quarde voerde tot den Storm:) volgen, en also het Bastion Overijssel bestormen, Den Vijandt schoot wacker op haar, om dat zij wat later als wij anquamen, So dat een Canon kogel van 24 K. Ses man onder de Biesbrugge hadde weggenomen, en die Biesbrugge doen Scheuren, en breeken, dit geschiede op de Contrescharp in ‘t doorgaan der afgekapte palissaden, waar door de andere dragers vande Brugge Sommige gequetse Sommige so dat het eene eijnde gedragen, en op sommige plaatsen gesleept, enan stucken gescheurd worde, Slepende also de brugge op het beste dat zij konden tot in het Ijsbit: Daar Majoor Joan Sickinga hem met enige officieren voor overgeeft die brugge dus in ‘t water leggende brak wederom los, So dat de overgaande met halve peicquen dezelven alwederom an den anderen haalden, en so veel doenlijk vast maakten, hierin toonden den Heeer Luitenant Ferdin: Bernson hem seer ijverig, en sijn also over de grafte geraakt, niet sonder verscheiden gequetsten en Dooden te hebben, also Ritmeester Hendrik Sickinga, en Luitenant Rosink Jonkheer W. van Besten, Jonkheer Mom, alle in de arm en Schouder gequest waren, Majoor Joan Sickinga vand hier Sterke tegenweer, also den Vijandt van ‘t Casteel en andere plaatsen, na het Bastion Overijssel liep, totdat ol de Heer Overste Luitenant Eybergen versogt, dat Majoor Sickinga van binnen mogte gesecondeerd worden, dat het hem Swaarlijk soude zijn, anders over te komen, welk hij overste Luitenant zelfs met enige Musquettiers gink te doen, versoekende mij om zijn HoogEd: een Man mede te geven die deese plaatse bekent was, die aanwees waar de post was die Sickinga Attacqueerde ‘t welk ik deede, doen is gen: Heer Overste Luitenant zelfs daar na toegegaan. Ondertusschen koomt onse ruiteren in, en posteerd haar op de Markt, blasen de trompetters Wilhelmus van Nassouwen, en door voorn: bijstand, so komt Majoor Jan Sickinga met zijn bijhebbende Volk, ook in de Stadt, En also is die Sterke Vesting Coevorden (: door de Sterke hand de Almagtigen Gods :) in de tijd van een Uir geincorporieert, en alle Vijands officieren en Soldaten die ‘t leven daar of brogten, gemaakt Prisonniers de Guerre, en inde Kerk gevangen geset, en aldaar gemonstert, en Sterk bevonden ongeveer 600 Man, behalven die het nog uit de Benthemer poort nade Graafschap Bentheim ontvlugt waren over, en door de graften; onder dit volk inde kerke vond men mede die twee Dragonders die op Drenthe van ons waren afgelopen die man vandaar liet brengen, in een ander gevanckenissen, terwijle en so lange dat haar Proces gemaakt werde, en haar sententie bequamen, om door den Scherprichter met de Koorden geexcuteert te worden, dat er de Dood navolgde; Maar also den Scherprichter lange wachten, dat hij van Groningen tot Coevorden quam, so is de Sententie so wijt gealteriert, dat zij geharquebreert souden werden, en zijn also binnen Coevorden op de Markt ander de galge van haar Metgesellen de Dragonders dood geschoten het waren twee gebroeders beijde jonge Keerels, het plundren gink ook wacker aan, so wel onder de Soldaten als Borger goederen, waardoor Sommige Borgers Schaade geleden hebben, mijn eigen Meubelen, die ik bij het Uitgaan van Coevorden aldaar moste laten, meende ik doen nog te bergen, maar is mede weggeraakt, verscheiden ingezetenden van Coevorden hebben meede brave buit gemaakt dat men het merkelijk an haar kode zien, Klaas Buiter die ik mede genomen hadde, als een handlanger, speeld mij hier een ongedagte Streek. Een Luitenant die hem verborgen hadde gehouden en zich versteeken, soch ik op, en geeft hem quartier, en bragt hem op zijn instantelijk versoek meede nade Kerk, daar koomt hij L. mij zeggen, dat hij mij bedankte, voor dat ik so beleeft met hem gehandelt hadde, en maakte mij bekent, dat hij ongeveer Hondert rijxsdaalders in de Walle op de Solder van Hendrik Buiter hadde verborgen, en dewijle hij wel sagh dat hij daar niet van profijteren konde, so gunde hij se mij voor jemant anders; ik daarop wederom tot hem zeggende, dat hij met mij soude gaan, en mij de plaatse soude wijsen daar het geld was, ik wilde hem de helfte vandet er gevonden worde wedergeven, daarop hij zeer verblijdt met mij, nade zolder ginck, en socht, daar hij het gelaten hadde, maar vond het niet, waarover hij gevange zeer bedroefd was, en brocht ik hem alsoo wederom veijligh inde Kerk, bij de andere gevangens, naderhant koomt het wonderlijk uit, dat hem Claas nagezegt worde, dat hij de 100 Rijxsdaalders gekregen hadde, maar loochende het zulks, totdat zijn eijgen Nichte de Vrouw van Hendrik Buiter hem het selvige heeft overtuigt, zeggende dat haar Dogter daar nogeen Ducator van genoten hadde; ‘t welk hij doen bekende.

 

Doch ik was, en moste tevreden zijn, Lovende, en dankende den Almagtige Godt, die ons de groote Victorie gegeven hadde, en mij in Soo veele periculen bewaard en uitgereddet heeft, so dat ik Vris en gezond daarvan ben gekomen sonder de Minste quetsure te hebben ontvangen, als alleene een Schoot door mijn Rock en mijn reghter zijde, maar weet niet waar of op wat plaats ik die gfekregen hebbe. Alsoo is deese overwinninge ons van den Hemel gegeven, daarvan Godt alleen de Eere moet hebben, en zeggende, het is vande Heere alsoo geschied, en het is een wonder in onze oogen.

Dit so verre gebragt zijnde, hebben wij onse Dooden begraven, daar onder de Commandant van de Munstersen Jaan de Mooy genaamt; en een van onse Capiteins genaamd VegeSack, die inde Fancebraye doodt geschoten was.

Sondag den 22 December oudee Stijl 1672, ben ik na Groningen gegaan, en van alles rapport gedaan an de Staten vande Provintie Stadt en Lande, en an Rabenhaupt, daar ik zeer bedankt ben; vier en vijfdaage hierna ban ik wederom na Coevorden gesonden met een Commissie als Ingenieur om de palissaden vande Contrescharp te nemen, en op de Fancebraye te zetten, ende Batterie inde fancebraye te doen maken, en voorts alles in Staat te brengen waar dat iets Manqueerde, gelijkv ik ook gedaan hebbe, voort daarna in Jan: 1673 Wiert mij gestuurt de Commissie van Sergant Majoor tot Coevorden, welke plaats ik begon te bedienen, en heeft wel 4 weken geduirt, maar also ‘t zeer moejelijk was, heb ik de selve, bedankt.

 

Den 22 Febr. 1673 ben ik van Groningen na den Haag gereist, en aldaar komende vernam, dat men mij Capitein over een Comp: te voet wilde maken, maar wijl mijn Vrouw daar geen inclinatie toe hadde, wierde mij ondertusschen de Commijsiplaats van ‘s lands Magazijn van Coevorden gegeven, en was mijn Commissie al veerdig, en heeft den Eed daar van afgeleijdt voor de heeren Raden van Staten der Vereenigde Nederlanden op den 7 Marty 1673, en zijn Commissie ontvangen hebbende, os dan 8 dito uit den Haag wederom na Groningen en Coevorden vertrocken, en zich alsoo in possessie gestelt van gen.Commijs plaats.

 

Volgens wierden nog eenige bijzonderheden gemelt, als dat in ‘t jaar 1676 den 5 Juny de Heeren vande Provintie Stad en Lande an hem tot een gedagtenisse van dit voorn, werk hadden vereert een gouden medaulje wegende 642 loot zwaar, daarop de eene zijde gegraveert was, het wapen vande Provintie Stad en Lande, en an de anderen zijdt, de Stadt Coevorden geattacqueert, en in ‘t zelve Jaar den 17e September haaden Hed:MOG: de Raden van Staten hem tot dankbaarheid van ‘t voorgaande innemen van Coevorden vereert een Silveren Verguld Pocaal met het Generalitiets Wapen, en het innemen van Coevorden neeffens een brief houdende de oorsaak daarvan in. 1683 op den 3 January hadden de Heeren Raden van Staten der Vernigde Nederlanden, zijn Tractement van achthondert guldens verbetert, met een pensioen van tweehondert gulden Jaarlijkx, Staande op den Ordinaris en Staat van Oorlogh.

 

 

Deze vergulde Pocaal off Beker is door M; van Thinen aan het gereformeert Kerkgenootschap te Coevorden gegeven, en is nog heden aanwezig, wordende deeze Beker bij het genoemde Kerkgenootschap tot een Avondmaal gebruikt.

(Deze wordt nu tentoongesteld in het museum in Coevorden).

 

 

Meindert van Thinen was in die tijd Schoolmeester te Coevorden weird om zijne gedane diensten inj January 1673 Ser. Majoor te Coevorden, en in Maart Deszelven Jaars Comies s’lands Magazijnen aldaar; ook vind men hem in Stads Prothocollen in later tijd als Burgermeester van Coevorden.

 

Aldus het overgeschreven dagboek