Tol-tarieven

Wat moest er nu aan tol betaald worden voor al die zaken en beesten? Een overzicht van de tarieven: voor een hengst, een wagen, een tafel en een wagen met timmerholt 1 stuiver, voor een os, een rol witlaken en een kar ½ stuiver, ⅛ stuiver kostte doorvoer van een ,,stein” vlas, twee houten wielen of een zij spek en het meeste tolgeld (3stuiver) vergde een vracht Bentheimer steen of een wagen vol kuipen. Voor een verhuisboedel, ,,bestaande uit 4 wagens met huysreitschap, een kist, een spindt ende 8 koeien ende een wagen mit stro”, moest 17 stuiver neergeteld worden. Hier werd dus een akkoordje getroffen.

Naar de maatstaven van die tijden waren de tollen vrij hoog, maar ’t was de bedoeling van de tolheer zo veel mogelijk te verdienen. Immers, de kas van de keizer was doorlopend leeg….. Uit mr. Veenhovens ,,Historie van Coevorden” blijkt dat de tol- en weggelden in 1545 voor 212 en 1542 voor 120 gulden verpacht waren. De rekening van tolbeurder Van Coelen vertoont in 1537- 1538 na aftrek van de reparatiekosten der bruggen een netto-opbrengst van 109 gulden en bijna 19 stuiver. Uit de cijfers blijkt dat bij de verpachting van 1545 rekening was gehouden met de realiteit: een toename van het verkeer na de oorlogsdagen.

In 1538 werden in Coevorden honderden vaten boter en 64 kazen vertold. Zij werden geleverd door Jan Backer en Geert Kremer uit Groningen, en waren bestemd voor het Munsterse leger. We zien hier een voorloper van de leveranties uit ons land tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871.

Vrij van tol waren burgers van Groningen, Zwolle, Deventer en Coevorden. Naar ,,gewoonte uut de Bischoppelijke tijden” waren de bewoners van het klooster Sibculo dat ook. Met speciale toestemming van de drost mocht een Duits edelman met paarden ook tolvrij passeren. Gevolg van deze regels was dat de Groningen Jac. Harthauwer zijn Bentheimer steen tolvrij doorvoerde, terwijl de voerlieden uit Rynge er 3 stuiver per voer (karrevracht) voor moest betalen.

Groninger meiboter was zeer gewild in de IJsselsteden en op 27 en 28 mei 1538 vervoeren zes Deventenaren ieder zeven vaten boter per wagen. In die dagen waren de Duitse grenssteden Münster, Osnabrück en Bentheim regelmatig afnemers van Groninger zuivelproducten.
Zo’n dikke vier eeuwen terug had het handsverkeer Groningen-IJsselsteden-Duitsland via Coevorden een vloeiend verloop, dat was aangepast aan de eisen des kopers. Zo passeerden botertonnen in de tijd dat de boter ingemaakt werd, laken in de trouwtijd, wielen voor en in de zomer, timmerhout in de voorzomer en ossen in het voorjaar en de herfst.
Het is niet duidelijk of de eerste trek bestond uit ,,trekossen”- paarden werden toen sporadisch voor het boerenwerk gebruikt. Niet onwaarschijnlijk lijkt het me dat de losse exemplaren slachtvee waren, wat stellig van ‘t ,,swin” gezegd kan worden. Die gaan dan ook alleen in het najaar (voor de slachtmaand) door.
Samenvattend kunnen we de handelsbeweging door Drenthe als volgt schilderen: Groningen (met inbegrip van Westerwolde en ,,den Drenth”) leverde hengsten, ossen, boter en kaas, en kocht houten gebruiksvoorwerpen als wielen, klompen, stoelen, maattonnen en –manden, kuipen en tonnen, melk- en botervaten, timmerhout, eiken (bisse-?) kisten (dat zijn dekenkisten,), eikeschors voor de leerlooierij en Bentheimer steen.