Johan van Selbach

Verwantschap met de Zuidlaarder Selbachs van voorheen bracht mij een jaar of twaalf geleden op de gedachte de herkomst van dat geslacht na te gaan. Het lag voor de hand, gezien de Hoogduitse naam, dat men daarvoor in het Duitse taalgebied ten zuiden van de Nederduitse taalgrens moest zoeken.

Daar ik destijds in Amerika woonde, was een onderzoek ter plaatse toen voorlopig niet uitvoerbaar. Maar er waren andere wegen die naar het doel zouden kunnen leiden, o.a. die van aardrijkskundige naamlijsten en van wapenboeken; en die beide waren in onze universiteitsbibliotheek te Champaign-Urbana wel aanwezig.
Wat de naam Selbach als naam van een beek of als plaatsnaam betreft, die bleek vrij dikwijls voor te komen. Het is ook een heel gewone naam voor een beek: “Selbach” betekent “Wilgenbeek”. (van het woord “sel” of “seel” kennen we een parallel in het woord “salicylzuur” voor aspirine, waarvan de grondstof oorspronkelijk uit de bast van de wilg, in het Latijn “Salix” bereid werd).

Alleen al in het tegenwoordige West Duitsland vond ik wel vijftien plaatsen met de naam Selbach of Seelbach, over de hele Bondsrepubliek ten zuiden van het Ruhrgebied verspreid.

Nu ging het er allereerst om, vast te stellen in welke van die plaatsen van het geslacht Selbach oorspronkelijk thuis hoorde. Voor het antwoord op die vraag bewezen de Duitse wapenboeken goede diensten. Het Selbach-wapen met de drie zwarte ruiten, diagonaalsgewijs gerangschikt, was bekend, onder meer van de afbeeldingen in de kerken van Zuidlaren en Loppersum.

Uit de genoemde bronnen bleek nu dat dat wapen werd gevoerd door families in het latere hertogdom Nassau en dan in het bijzonder in de streek ten zuiden van de stad Siegen, in de omgeving van het dorp Altenseelbach en de Hohenseelbachskopf. De Selbachs vormden vanouds een “Adelsgenossenschaft”, een clan met verscheidene takken, die zich meestal noemden naar de plaats waar ze hun bezittingen hadden: Selbach – Burbach, Selbach – Gilsbach, Selbach - Zeppenfeld en zo meer. Het onderscheid werd in het wapen vaak ook aangeduid door een toevoeging, b.v. van hermelijnstaartjes of van een roos.

De Selbach-familie waar we hier in Drenthe en Groningen mee te maken hebben, behoort tot de tak Selbach – Cruttorf, waarvan het wapen (sinds het eind van de 15e. eeuw) gevierendeeld is, met de drie diagonaal gerangschikte ruiten in twee overstaande kwartieren en een roos in de andere twee. Het stamslot van dit geslacht, thans Krottorf geheten, bestaat nog in volle glorie; het ligt een paar kilometer ten westen van Friesenhagen, of wel 16 km. west-noord-west van Siegen.

Aan de hand van de tot dusver ontdekte gegevens heb ik later mijn onderzoek in het stamland van de Selbachs zelfs voortgezet. Een van de prachtige grafmonumenten in de kerk te Friesenhagen is dat van Catharina van Selbach, † 1582. Ook voor haar vader is daar een epitaaf aanwezig. En dat bleek “onze” Johan van Selbach, eens kastelein van Coevorden en Drost van Drenthe, te betreffen. Volgens dat opschrift was hij namelijk o.a. bestuurder (gubernator) van de gebieden (tractuum) Drente en Twente (Trentae et Zuentae) en bevelhebber (praefectus) van “de zeer sterke burcht Coevorden” (arcis munitissimae “Guardinae”) geweest. Hij was op 11 januari 1563 gestorven, “in zijn tachtigste”.

Dat epitaaf is echter eerst ongeveer veertig jaren na Johans dood aangebracht, door zijn kleinzoon (Catharina’s zoon) Sebastiaan von Hatzfeldt. Het is de vraag, of men in de loop der jaren nog precies wist welke vesting door de naam “Guardia(na)” werd aangeduid. Er is namelijk een brief bekend van een baron van Zeppenfeld (een afstamming van de Selbachs dus) van 1908, met aanhalingen uit “dem Buch meiner Familie”, waarin dezelfde Johan van Selbach genoemd wordt als bevelhebber van de vesting “Coburg”; die naam wordt echter in het epitaaf in die vorm niet vermeld en zou in het Latijn ook stellig niet met “Guardiana” weergegeven zijn. Er staat verder onder meer in het opschrift dat Selbach eerst in dienst stond van “Karel, de laatste hertog van de Sicambren”, en daarna van “Willem, vorst der Menapiërs; dat met deze classicistische stamnamen respectievelijk Gelre en Gulik bedoeld werden, zal later ook wel niet iedereen duidelijk geweest zijn die minder goed geschoold was in de antieke literatuur dan Sebastiaan blijkbaar was.

De Nederlanden waren onder het bewind van Karel V en Filips II buiten het bestuurlijk verband van het Rijk gekomen en de daardoor begonnen vervreemding van weerszijden zal nog versterkt zijn door de kerkelijke en politieke tegenstellingen, die in de Nederlanden uitliepen op de 80-jarige oorlog. De Noord-Nederlandse gewesten waren ten tijde van Selbachs dood officieel nog Rooms en werden later Calvinistisch, sommige Duitse landen daarentegen waren officieel Luthers. Deze omstandigheden kunnen misschien verklaren hoe het kwam dat in Duitsland de Nederlandse periode in het leven van Johan van Selbach in het vergeetboek geraakt is en dat anderzijds in Nederland zijn Duitse herkomst en latere levensloop uit de herinnering verdwenen zijn.

In de godsdiensttwisten van de 16e. eeuw moet waarschijnlijk ook de verklaring gezocht worden van het zonderlinge feit, dat, hoewel het epitaaf voor onze slotvoogd in de kerk te Friesenhagen te vinden is, hijzelf niet daar blijkt te zijn begraven, maar 25 km. Zuidelijker, in de kerk van de Cisterciënzer abdij Marienstatt bij Hachenburg. De kerk van Friesenhagen behoorde namelijk van 1540 tot 1620 aan de Luthersen. Johan was echter, in tegenstelling tot zijn dochter en kleinzoon, zijn leven lang goed Rooms gebleven en had daarom, blijkens Sebastiaans opschrift, reeds bij zijn leven in de genoemde kloosterkerk een graf voor zich laten maken.

Inderdaad vonden wij in het koor van die kerk zelfs twee graftekens die aan de nagedachtenis van onze voormalige Drost gewijd zijn. Tegen de noordmuur staat een gietijzeren grafplaat met in reliëf een levensgrote afbeelding van een geharnast en gehelmd krijgsman, waarschijnlijk van Johan von Selbach zelf, met vier voorouderlijke wapens op de hoeken en met het randschrift: “Anno 15..den .. Tag des … ist in Got christlich abgescheiden der edle und ernveste Johan von Selbach Marschalck zo Crutorf. Der Sele Got genedig sei”.

De opengelaten sterfdatum kon natuurlijk in een tijd toen men de kunst lassen nog niet meester was, achteraf niet meer toegevoegd worden. Die datum kon wèl medegedeeld worden in het andere gedenkteken, dat aan een pilaar bevestigd is, een afbeelding van het gevierendeelde Selbach-wapen in reliëf en kleur met er omheen het opschrift: “am 11.ten des Monats Januar 1563 ist der Edler und Ehrnüeste Johan Selbag zo Crothff in gott verstorben”.
Twee grote grafzerken op de vloer van het koor vertonen het wapen met de drie ruiten, zonder enige inscriptie.

Oude overleveringen betreffende de Selbachs zijn verbonden aan de Hohenseelbachskopf, die niet ver van Altenseelbach verrijst op de oude grens tussen de vroegere graafschappen Sayn en Nassau, thans ook van de landen Rheinland-Pfalz en Nordrhein-Westfalen. Op weg naar de top kwamen wij langs een (modern) gedenkteken met op een bronzen plaat het drie-ruiten-wapen als gemeentewapen van Altenseelbach en het opschrift: “Wappen der Ritter von Seelbach, 1288”.

De streek ten noorden en oosten van de hoogte, de vallei van de Heller, heette vanouds de “Freiengrund”, “dal der Vrijen” (in de elfde eeuw reeds: “praedium liberorum virorum”, “land der vrije mannen”). Het was een niemandsland, waar de graven van Nassau en Sayn elkander de heerschappij betwistten. De Selbachs die hier gevestigd waren, beschouwden zichzelf als rijksonmiddelbaar en verzetten zich tegen de feodale landsheren. Ze hebben die ongelijke strijd uiteindelijk moeten opgeven, al werd het tot in de 18e. eeuw nog over de zaak geprocedeerd.

Deze tegenstellingen berustten in de Middeleeuwen, althans in de 14e. eeuw, niet slechts op bezits- en jurisdictie-aanspraken. In die tijd stonden de Selbachs namelijk bekend als roofridders, en waarschijnlijk niet ten onrechte. Want het zal wel niet alleen voor hun eigen veiligheid geweest zijn dat ze in het jaar 1350 voor zich een “burg” bouwden, Hohenselbach, op de vermelde daarnaar genoemde hoogte. Dat was een ringmuur van basaltblokken in de vorm van een ellips, die, volgens opmetingen van de ruïne in later tijd, een lengte van ruim 200 meter had en een maximum breedte van bijna 90 meter. De totale lengte van de ringmuur was bijna 500 meter.

De heren van Hohenselbach hebben niet lang genot van hun burg gehad. Zij werden beschuldigd van landvredebreuk en in 1352 werd op initiatief van Boudewijn, aartsbisschop van Trier, door de vorsten in de omliggende gebieden een landvredebond gevormd; de sterkte werd belegerd en nog in datzelfde jaar ingenomen en geslecht. Volgens een overlevering, medegedeeld door Wilhelm van Selbach van Zappenfeld in 1567 aan Johan van Nassau (“Jan de Oude”, stichter van de Unie van Utrecht), had Gertrud, de vrouw van ridder Albert van Selbach, zich vermeten tot de trotse uitspraak: “Evengoed als de beuk voor het huis Hohenselbach tot steen kan worden, zal bisschop Boudewijn Hohenselbach kunnen innemen”. En toen wàs die beuk in steen veranderd en was de burcht veroverd. Gertrud mocht het huis verlaten en van haar bezit zoveel meenemen als ze dragen kon. “Toen heeft zij haar man opgenomen en weggedragen tot in het dal, naar Zeppenfeld. Ten bewijze van het wonder toonde Wilhelm een stuk versteend hout; dat komt daar inderdaad in de bodem voor, ontstaan door de inwerking van mineraalhoudend water. De basaltblokken van de burg zijn in de moderne tijd aan de steenhouwerij ten prooi gevallen. Wij vonden daar in het struikgewas aan de top dan ook maar heel weinig meer van terug.

Johan van Selbach van Crutorf was in 1512, dus als jong man tegen de dertig, in dienst van Johan von Wisch, Drost op diens huis Ter Borch in het graafschap Zutfen. Hij deed toen als zodanig de eed van trouw aan Karel van Egmond, de vermaarde hertog van Gelre. Tijdens zijn Drostschap werd Ter Borch met poorten, grachten en bolwerken versterkt; deze vestingbouwkundige ervaring zou hem in later jaren nog meer dan eens te pas komen.

Voorlopig diende hij de hertog echter vooral bij diens krijgstochten tegen Bourgondisch-Habsburgse erfvijand.
Met Maarten van Rossem en andere Gelderse ridders nam Selbach in de zomer van 1516 deel aan de inneming van het Hollandse stadje Nieuwpoort aan de Lek. Zij werden als spoedig verdreven door de Hollandse stadhouder Hendrik van Nassau. Terwijl sommige van de Geldersen gevangen genomen en onthoofd of gehangen werden, ontsnapten Maarten, Johan en enkele andere ruiters ternauwernood aan dat lot door een overhaaste vlucht. Maar dit avontuur was slechts een voorspel op de grote ondernemingen van hertog Karel, waarin Selbach nog een belangrijke rol in zou gaan spelen.

In 1517 nam Karel het door de Saksische hertog in Friesland afgedankte 6000 man sterke huurleger, de “Zwarte Hoop”, in dienst en zond het onder aanvoering van Johan van Selbach en Johan Goltstein noordwaarts door Drenthe heen naar Groningen en Friesland ter versterking van de Anti-Saksische partij van Jancko Douwama en de zijnen. De stad Dokkum werd belegerd, ingenomen en door Goltstein bezet. Selbach trok met een deel van de Zwarte Hoop naar de Kuinre en stak vervolgens met “Grote Pier” en zijn vloot de Zuiderzee over, met het doel de Bourgondische macht in Holland afbreuk te doen. Dat gebeurde dan op de gebruikelijke wijze. Allereerst werd Medemblik ingenomen, geplunderd, uitgemoord en platgebrand. Grote Pier is toen met rijke buit naar Friesland teruggezeild. De Zwarte Hoop, onder aanvoering van Selbach, trok al plunderend en brandend verder, langs Alkmaar, Haarlem en zo voort, via Nieuwpoort naar Asperen aan de Linge, waar weer op de bekende manier werd huisgehouden. Tenslotte verdreef Hendrik van Nassau de Geldersen naar de Veluwe en deed de bevolking daar dezelfde barbaarsheden ondergaan.

Hoewel Karel van Egmond Westerlauwers Friesland aan Karel V moest afstaan, gaf hij zijn verzet tegen de Habsburgse overmacht nog lang niet op. In het Oosterlauwerse en de stad Groningen werd hij nog als beschermheer erkend en daarom moest de verbinding met het noorden versterkt worden. Dat vereiste de verovering van Drenthe en in het bijzonder van de vesting Coevorden op Frederik van Twickelo, de drost van Filips van Bourgondië, bisschop van Utrecht.

Het kasteel van Coevorden werd op 12 september 1522 door de Geldersen onder bevel van Johan van Selbach ingenomen en binnen een paar maanden was de hertog meester van Drenthe en Overijssel en dus over alle Oostelijke gebieden tot de Groninger zeekust.
Selbach werd tot kastelein van Coevorden en drost van Drenthe aangesteld en dat zou hij blijven tot het eind van Karels heerschappij in de gewesten in 1536. Tijdens Selbachs bestuur werden het Kasteel en de vesting versterkt, zodat men een vijandelijke overval niet behoefde te vrezen en hij zich aan het burgerlijk bestuur, de rechtspraak en niet te vergeten de belastingheffing kon wijden. Want Drenthe was een wingewest en de Drenten schikten zich niet gemakkelijk onder de Gelderse overheersing.

Selbach was niet doortastend genoeg, vond de hertog en hij vermaande hem voortgang te maken met het opleggen van de huldigingseed aan die onwillige onderdanen en om meer belastingen te innen. Nog in een brief van 1536 beroept de drost zich ter verontschuldiging op overmacht, wegens de grote armoede van “uwer vorstelijke genade onderzaten des lands van Drente”, ten gevolge van een slechte oogst. “Wanneer ik mijn lieden uitzendt om wat van hen in te vorderen”, schrijft hij, “dan gaan ze op de vlucht en lopen weg als de hazen voor de windhonden. Ook van de Groninger bezittingen is thans, daar het een slecht gewas geweest is, weinig te krijgen”.

In november 1536, na een beleg van twee maanden, moest Selbach de vesting en het kasteel overgeven aan de stadhouder en legeraanvoerder van Karel V in Friesland, Schenck van Tautenburgh. In datzelfde jaar sloot hertog Karel vrede met de keizer. Hij moest alle rechten op Drenthe en Coevorden, evenals op Groningen en de Ommelanden afstaan. Na zijn dood twee jaar later werd Karel van Egmond als hertog van Gelre en Graaf van Zutfen opgevolgd door Willem, hertog van Gulik, Kleef en Berg, graaf van de Mark. Selbach is toen in diens dienst overgegaan en naar zijn geboorteland teruggekeerd, waar hij drost van Windeck aan de Sieg is geweest. Nadat Willem van Gullik zich bij de Protestantse Duitse vorsten had aangesloten en vervolgens (in 1543) door Karel V verslagen was, heeft Johan van Selbach, de beroepssoldaat, zich tenslotte in ’s keizers dienst begeven, en zo is hij, volgens het getuigenis van zijn kleinzoon Sebastiaan, aanvoerder van het leger van de kreits van de Beneden-Rijn en Westfalen geweest en heeft vele veldtochten naar verre landen ondernomen, in het bijzonder “bij de bekende grote expeditie tegen de woeste vijand van de Christenheid, de Turken”.

Na zijn terugkeer op Crottorf is hij begonnen aan een verbouwing van het huis tot een zgn. “Wasserburg”, o.a. met een paar torens die lijken op de gerestaureerde hoektoren van het Coevorder kasteel! Zijn dochter Catharina en latere geslachten hebben die verbouwing voltooid.
Intussen zijn er afstammelingen van Johan van Selbach in de Nederlanden gebleven. Zijn dochter Maria was gehuwd met Roelof van Munster, de zoon van de beruchte vroegere drost van Munster. Zij woonde te Loppersum en ligt daar ook begraven, getuige de grote grafzerk aldaar. Haar dochter Agnes was getrouwd met de gevreesde Groninger ketterjager Johan de Mepsche.

* Voor uitvoeriger mededelingen en bronnenmateriaal over Johan van Selbach en zijn geslacht, zie mijn artikel "de Selbachs" in het tijdschrift "Gruoninga" (1981)