Het leven in de vesting

Het leven rond de Sterkte welke het Kasteel werd genoemd en later in en rond de vesting Coevorden, heeft voor de bevolking heel wat gevolgen gehad.

Daar was om te beginnen een wel zeer veelvuldig bezoek van allerlei bisschoppen, helaas niet alleen met herderlijke bedoelingen. Tot en met Bommen Berend in 1672, wanneer de bevolking de stinkpotten oftewel de Jezuïetenmutsen rond de oren geslingerd krijgt, zullen die bisschoppen de stad of afbranden, of/en de bevolking uitmoorden oftewel de stad brandschatten. Het waren dan ook krijgshaftige bisschoppen en in hun ogen was Coevorden een zeer begerenswaardig object vanuit hun politieke en militaire denken.

De Stadsheilige St. Joris, eens toch ook een bisschop, heeft hier weinig aan kunnen doen.

Het Kasteel zelf, als stenen gebouw vrij onbrandbaar, doorstond meestal die gevechten wel, enerzijds omdat elke nieuwe eigenaar de Sterkte snel in orde moest brengen om zichzelf weer te kunnen verdedigen.

Tragisch hierbij is wel, dat nadat zo rond 1600 het Kasteel was uitgebouwd tot een ware vesting, het geen onneembare vesting werd al ging wel die roep er van uit. Er hebben befaamde bouwmeesters aan meegewerkt, en we denken dan eerst aan Adriaan Anthonisz. en Simon Stevin, later, rond 1700, aan Vauban en Menno van Coehoorn.

In de achttiende eeuw zinkt Coevorden terug tot een slaperig vestingstadje temidden van de moerassen, en het IJzerkoekenoproer op Oudejaarsavond 1770 is één van de hoogtepunten in die eeuw geweest, of moeten we zeggen dieptepunten. Ook de gedachten van de patriotten vinden hier ter stede weinig weerklank. Wat niet wegneemt dat als de Engelse troepen naar Hannover zijn teruggekeerd en de Fransen de vesting zijn binnengetrokken, de bevolking vrolijk rond de Vrijheidsboom op de Markt danst.

Er breekt dan zelf een tijd aan van bloei, want Napoleon laat hier een groot garnizoen leggen terwijl de nieuwe staatkundige indeling de handelsbelemmerende grens doet verdwijnen. Wat dat betreft geeft 1992 Coevorden wel mogelijkheden.

Als de Kozakken voor de stad verschijnen zet de Franse bezetter, met commandant-luitenant-kolonel David, bij elkaar 213 mensen de stad uit die geen eten hebben.

Na de overgave is er feest en vuurwerk en de oude tijden keren weerom.

Voor Coevorden betekende dat verdere achteruitgang, nog meer in 1854 als het garnizoen uit de stad verdwijnt terwijl de grote aftakeling wel met de ontmanteling van de vesting zelf in de zeventiger jaren van de vorige eeuw is.

Er breekt dan een wel zeer rustige periode aan. Het leven in de oude vestingstad wordt verstoord door de brute inval van de Duitsers in mei 1940. Ook het grote bombardement in februari 1944 brengt veel leed terwijl de bevolking het oorlogsgeweld voor de laatste keer ervaart in april 1945 bij de bevrijding.

En in die laatste jaren heeft Coevorden dan een belangrijk deel van haar bevolking, haar Joodse inwoners, op zo tragische wijze verloren.

Joodse bevolking, welke reeds sinds 1697 aanwezig is in de persoon van Levi Franco uit Westfalen, die zich hier ter stede mag vestigen met vrouw, kinderen en familie en het eerzame beroep uitoefent van pandjesbaas, oftewel directeur van de Bank van Lening. Hij houdt dit beroep niet lang vol evenmin zijn opvolger Samuel Johannes Gelderman uit Zwolle.

Niet altijd worden de Joden evengoed ontvangen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de publicatie van 1739 waar we lezen: “dat voorts alle vreemde, passeerende, gaande, trekkende of aanlopende Joden en Smoussen, ’t  zij Pakkedragers, Goochelaars, Liedjeszangers, Schaarslijpers, Quackzalveres, Breukmeesters, Kramers van Kleynigheden, Hairkopers, Handelaars in oude kleederen en diergelijcke, die binnen deze Provincie niet met de woon syn geseten, sullen gehouden worden te lijven op de gemeene of ’s Heeren wegen. Sonder daervan te mogen afwijcken, nog sig ten platten lande te mogen ophouden of vernaghten ..’ enzovoort.

We lezen hier va Joden en Smoussen. Joden, waren zij die al in ons land woonden, Smoussen waren Joden die uit Duitsland ons land binnenkwamen. En wat te denken van de motivatie uit 1760 om Joden uit de stad te weren omdat “de gesaamenlijke Jooden niet alleen een aanmerkelijk getal inwoonders deser Stad zouden uytmaaken, maar ook de Negotie, benevens het welvaren en bestaan van de Christenen daardoor worden geruïneert …”.  En aan het eind van de 18e. eeuw verzoeken Magistraat en gezamenlijke Kooplieden, Burgers en Ingezetenen aan de Landsdagvergadering het aantal Joden in deze stad te beperken. En tot aan de Franse tijd moeten de Joden aan de stadsbestuurders toestemming vragen om te mogen huwen.

Toch neemt het aantal Joden hier toe. Sommigen krijgen zelfs het volledige burgerrecht zoals Levie Israël en Isack Moses. Maar dit waren welgestelde mensen, zoals Levie Israël die aan de graaf en gravin van Rechteren een hypotheek van ƒ 5.000,-- verstrekte. In die tijd een kapitaal.

De Franse tijd brengt de volledige gelijkberechtiging. En Lodewijk Napoleon geeft bij zijn bezoek aan onze stad ƒ 500,-- aan de Joodse Kerk. Er was om ƒ 1.000,-- gevraagd. De Joden moeten goederen leveren aan de sanculotten, het wordt door de Etstoel betaald aan Isack Moses. In waardeloze assignaten. Isack Moses is dan wel failliet…

Gelukkig zijn er ook goede berichten zoals de onder grote publieke en officiële belangstelling opening van de synagoge, nu onze muziekschool, in 1840. De Drentse Courant uit die dagen heeft er een mooi artikel aan gewijd.

Behalve de Joodse bewoners kende de stad nog andere soorten bewoners, namelijk Rooms-Katholieken, Protestanten en dan waren er de soldaten, die, evenals de Joden, als vreemdelingen werden beschouwd en daarom een extra belasting moesten betalen.

Dan het garnizoen. Het bracht welvaart, je voelde je wel veilig met al die soldaten om je heen en ze brachten leven in de brouwerij.

Soms wel wat veel leven want regelmatig werd er een vondeling aangetroffen in de stadspoorten  of bij het Kasteel, en de vader was dan een onbekende soldaat van het garnizoen, de moeder een niet meer te achterhalen Coevordense schone die de strijd verloren had.

Het weeshuis heeft zo vele gasten gekend en aan de Bentheimerpoort heeft jarenlang een bus gehangen waarin iedereen, die vanuit het Bentheimse de stad moest doortrekken om verder te kunnen gaan, een dubbeltje moest offeren voor de wezen van de soldaten.

Die soldaten werden ook ingezet als er brand uitbrak in de stad. Niet tijdens de gevechten, daar hadden ze hun handen vol. Maar als er in de stad brand uitbrak, al dan niet opzettelijk, dan was er vaak geen houden meer aan. De dicht op elkaar staande boerderijen met hun strooien daken waren voor het vuur een makkelijke prooi. Tot 1684 kon zo’n brand niet anders bestreden worden dan met de bekende  leren emmertjes. Natuurlijk gaf de Overheid strenge maatregels en straffen, natuurlijk moest iedereen twee brandhaken bezitten, mochten er na een bepaalde tijd geen open vuren meer branden, mocht er geen kaars anders dan in een lantaarn mee de schuur worden ingenomen, dit alles deed het brandgevaar nauwelijks verminderen. En als in de winter de sloten, de putten en de brandgaten dichtgevroren waren, dan was het leed niet te overzien. Toch vermelden de gemeenteverslagen uit de vorige eeuw steeds dat de brandblusmiddelen in goede staat verkeren. De afloop van de branden was meestal dat de betreffende panden geheel in as waren gelegd.

Geen wonder als we zien dat er pas in onze tijd een effectieve brandweer is gekomen. In de dertiger jaren nog functioneerde, nou ja, hier ter stede een ruim honderdjarige brandspuit….

We spreken steeds over stad. Stelt u zich daar niet te veel van voor. Het was geen grote stad met hoge muren en machtige poorten zoals we kennen van de schoolplaat. Neen, rond het voor die tijd toch wel groots aandoende Kasteel lagen een aantal boerderijen, mesthopen, een herberg, wat winkeltjes, de smid, de bierbrouwerij. En op de onverharde wegen gooide men het afval tussen de varkens die vaak vrij spel hadden. Eén grote stinkende vuilnishoop was het.

Straatverlichting was er ook niet. Later vinden we een enkele kaars of olielamp en de drie podagristen zien in 1840 slechts enkele réverbères in de hoofdstraten. In 1862 komt de eerste gaslantaarn op de markt. Daarna wordt de stad langzaam maar zeker verlicht al was dit niet altijd op de juiste plekken. Menigeen marcheerde in het donker in de achterstraatjes een open riool of mesthoop in en dan moest je maar weer zien hoe je thuis weer schoon werd. Met water uit de pomp dat eerst moest worden gewarmd op een fornuis dat eerst weer moest worden aangemaakt…

Het gemeentebestuur zo rond 1900 werkte niet vlot mee om een straatlantaarn te plaatsen op verzoek van inwoners. Het vriendelijk verzoek van het R.K.-kerkbestuur werd afwijzend beantwoord, maar het verzoek van het Bestuur van de Vereniging voor Gereformeerd Onderwijs werd vlot gehonoreerd, evenals dat van de heer Trip aan de Spoorkade. En die woonde nu juist op een punt waar een straatlantaarn totaal overbodig was.

Genoemde heer Trip bekleedde dan ook een vooraanstaande functie in Coevorden, en hij was welgesteld. Dat waren ook de burgemeesters van de stad, die soms wel leuke dingen moesten doen zoals samen met twee leden van de gezworen gemeente, dus burgers die het burgerrecht van de stad bezaten en een eigen solstede hadden, ‘alle bieren proeven en daarna setten’. Dus bepalen wat de prijs van het bier mocht zijn.

Ook bepaalden die burgemeesters en de Raad dat burgers niet meer paarden of beesten mochten hebben dan ze ’s winters konden voederen. Op zich geen gekke maatregel. Burgers mochten ook niet zonder vergunning van de Drost en Schepenen graven of timmeren in de marke. Voor het bouwen van een huis was vergunning nodig. Verhuur of verkoop van een huis moest gemeld worden en dan hadden de burgers van de stad het recht van “naerkoop”, dat wil zeggen zes weken voorkeur van koop en zelfs dan kon de verkoop of verhuur aan een vreemde van buiten nog verboden worden bijvoorbeeld als de Overheid van mening was dat een nieuwe inwoner wel eens armlastig kon worden. En als je armlastig was, dan kwam je terecht bij de diakonie of de publieke armenzorg. Tot de reformatie was de armenzorg in Drenthe en Coevorden geheel een zaak van de Kerk. Daarna zullen de Gereformeerde Kerk en de Overheid hier ter stede de zaal behartigen. Maar veel armen werden hier binnen de familie of de gemeenschap opgevangen. Het eerste gasthuis stond op het voormalige erf van Roeloff Hondenbergh, die de grond hiervoor in 1439 aan de kerk hadden geschonken. En de oudst bekende bezittingen van de kerk zijn door Frederik van Blankenheim in 1411 ‘des vrijdags na nieuw Jaerdag’ gegeven.

Zowel voor als na de Overgang had het armbestuur inkomsten door verkochte melk en lammeren, met de stier verkregen dekgelden, verhuur van de kafmolen, verhuur van de vlasreep, opbrengsten uit eigen land… inderdaad, de Diakonie hier was niet onbemiddeld.

Wat wel belangrijk is, nergens vinden we enige aanwijzing als zouden kerk en overheid het helpen van de armen en bedeelden hebben aangegrepen om ze naar de kerk te krijgen. Neen, iedereen werd geholpen als het nodig was. Toch was er onder de bevolking van Coevorden zelf weinig bereidheid om geld voor die armen en wezen te geven. Dit komt waarschijnlijk door de ‘paapse’ gezindheid van de bevolking en de aanwezigheid van veel Rooms-Katholieke en Lutherse soldaten van het Staatse garnizoen.

De Overheid zorgde voor toezicht op de diaconale gelden maar die Overheid deed natuurlijk nog veel meer. Allerlei wetten oftewel willekeuren waren er betreffende het erfrecht, huisvredebreuk. Mishandeling, over plaggen maaien, over het houden van ganzen…ja, wat niet al. En er werden vreselijke straffen in het vooruitzicht gesteld zoals doodstraf mit den coorde, geseling, brandmerking, kaakstelling, verbanning, geldboetes… En reeds in de stadsbrief van 1407 werd gesproken over hier ter stede gebeurde mishandelingen, over wapengerucht, het gebruiken van scheldwoorden… je zou bijna gaan denken dat Coevorden de eeuwen door een zeer criminele stad was. Doch dit alles viel best mee, Bovendien als er iets gebeurde dan werd het vaak onder elkaar afgehandeld. Niet altijd even zachtzinnig, wel effectief. Trouwens, de meeste delicten die strafbaar waren gesteld vonden plaats op of tijdens de jaarmarkten. Er verandert dus soms weinig in een stad de eeuwen door.

Het recht tot het houden van drie jaarmarkten verkreeg Coevorden van Karel V op 4 augustus 1541 omdat, zoals Karel schreef “Coevorden drie keer verbrant ende in de gront verdorven was, én, drie keer verbrand, ook drie vrije jaarmarkten.

In 1612 stichtte Willem Lodewijk van Nassau hier een weekmarkt, voor het garnizoen en de burgers.

Het aantal jaarmarkten was in de loop der jaren zeer verschillend, ook het tijdstip waarop ze gehouden werden. Rond 1900 kende we hier 5 jaarmarkten, namelijk één meimarkt en vier herfstmarkten. Bij die laatste vier, zat naast de biestemoandag, middelbiestemoandag en Olle Wievenmarkt ook de Ganzenmarkt.

Bies-moandag betekent niet zoals vaak beweerd wordt biest, dus vee, maar bies betekent gewoon druk. Op die dagen werden er veel paarden aangevoerd en dan was het druk. Dus drukke Maandag.

Olle Wievenmarkt, dan deden de boerenvrouwen inkopen voor de winter. De slacht was dan achter de rug, er was ruilhandel met schapevachten, wol en huiden. De knechten en meiden hadden jaarloon ontvangen en de bloemetjes werden zeer behoorlijk buiten gezet. Van Ganzenmarkt tot Trouwerij was dan voor verscheidenen gewoon oorzaak en gevolg. En dat waren dan tegelijk de enige hoogtepunten in hun leven.

Ganzenmarkt Nieuwe Stijl, zoals we sinds 1962 kennen heeft de datum van de oude Ganzenmarkt niet aangehouden. Die was namelijk de vierde maandag na de derde dinsdag in oktober. En die derde dinsdag in oktober werd en wordt de beroemde Zuidlaardermarkt gehouden.

Als men naar huis ging, dan was het gewoonte dat men buiten Coevorden nog even in een café, in Dalen bijvoorbeeld of Weijerswold, ging napraten en ook drinken. Traditie was dan, de mannen betaalden in Coevorden, de vrouwen buiten Coevorden.

Volgens zeggen gingen de meeste ganzen die hier verhandeld werden via Rotterdam naar Engeland om daar als kerstgans de tafels te sieren. Misschien is de kerstgans uit het beroemde verhaal van Dickens ook hier vandaan. Maar behalve de gans op deze dag kennen we ook de geheel andere betekenis. Want met die ganzen werden – worden? – namelijk ook die meisjes bedoeld die op deze marktdag een poging deden om aan een jongen gekoppeld te worden…

Natuurlijk hoort de kermis erbij, ook vroeger toen de ganzenmarkt voor vele kermisexploitanten de laatste kermis van het jaar was en vaak overwinterde men hier, om in het voorjaar met het hele spul per schip of wagen naar elders te gaan. Vroeger was er ook nog het circus bij en daar moet het gebeurd zijn dat een nagemaakte dronken paardrijder zijn rol zo goed vervulde dat hij door de politie de tent werd uitgezet.

Men kwam naar de markt te voet of per linnenwagen, de tol werd betaald aan de Looweg. Later kwam men per tram, de Noord-Ooster-Locaal-Spoorweg kende hiervoor verlaagde tarieven. En in 1935 adverteerde garagehouder Jan Mulder uit Emmen: Retour per taxi naar de Ganzenmarkt voor ƒ 1,-- per persoon.

Het leven in de vestingstad Coevorden kende en kent vele aspecten. Ik had u nog willen vertellen over het eerste postkantoor in de Friesestraat nummer 4, in 1823, met als directeur de loperslager Harm ter Poorten, van de reis per postkoets van Coevorden naar Groningen die 15 uur duurde, van dat leuke tolhuisje aan de Looweg met haar vast in het zand gelegde blauwe gesmoorde plavuizen, van de Coevorder Diek, van de turfschippers en scheepsjagers….

En van alle monumenten die wij hier terstede hebben. Van pas geleden en geheel vroeger. Er valt over onze vestingstad nog veel te vertellen en we kunnen er nog heel wat zien. Er is voor een ieder nog wel een eigen plekje te ontdekken. Maar laten we er wel voor zorgen dat die plekjes welke getuigenis doen van dat verleden, goed bewaard blijven. Er moet voor onze kinderen ook nog wat te zien zijn en niet alleen in het museum, hoe mooi dat ook is.