Herinnering aan een vaste burcht

In 1947 werd ik – amper tien maanden oud – ingeschreven in het register van de Burgerlijke Stand van de gemeente Coevorden. Ik heb hier gewoond totdat ik in de zomer van 1963 het vestingstadje verliet om te gaan studeren aan de inmiddels opgeheven Rijksbelasting Academie in Rotterdam. Het afscheid van Coevorden, waar ik onafgebroken zestien jeugdjaren sleet, deed minder pijn dan ik aanvankelijk had verwacht. Om die redenen die zo dadelijk duidelijk worden, heb ik nooit een werkelijk hechte band met de stad gevoeld. Door de studie in de Randstad ging voor mij, tamelijk letterlijk op te vatten, een nieuwe wereld open. Na mijn studie ben ik alle contacten met Coevorden kwijtgeraakt, met één heel belangrijke uitzondering: van tijd tot tijd zoek ik mijn moeder op, die hier nog steeds woont.

Na deze inleiding zult u willen aannemen hoe verguld ik was met de uitnodiging namens de Picardtclub, om vanmiddag iets te zegen over het thema van de zitting van dit jaar: De Vesting Coevorden. U bent mij niet vergeten, en als een berouwvolle verloren zoon sta ik voor u. Ik heb wel een probleem: ik ben jurist en econoom, geen historicus. Het is dan moeilijk om een onderwerp te vinden dat uw belangstelling zal bevredigen. In feite kan ik alleen putten uit mijn persoonlijke geschiedenis, voor zover die met Coevorden is verbonden. Mijn jeugd in de vestingstad, dat is de herinnering aan een vaste burcht, te weten het bolwerk van de reformeerde zuil.

Wij waren thuis gereformeerd, Voor een opgroeiend kind schept dat een grote duidelijkheid in de wereld. Er waren weinig contacten met andersdenkenden. Hervormden waren lichtzinnig in de leer, of – nog erger -  zij waren vrijzinnig. Ze hadden ook twee dominees. De preken van de één, daar mocht je nog net naar luisteren; de ander was een valse profeet. Katholieken aanbaden afgodsbeelden en meenden dat een mens – de Paus – onfeilbare uitspraken kon doen. De Roomsen waren erop uit om ons land te koloniseren door hun rijke kinderschaar. Niet-gelovigen waren reddeloos verloren. Ik bad elke avond voor het slapen gaan voor hun bekering.

Het Gereformeerde verenigingsleven was hecht georganiseerd. Gelijkgezinden hielden de luiken gesloten en koesterden het Calvinistisch erfgoed. Maar aan het eigen gelijk kon slechts kracht, geen tevredenheid worden ontleend. De gereformeerde leer stelt de ware gelovige immers voor een dubbele innerlijke tegenspraak.

Ten eerste worden aan levenswandel en geloofsleven onmogelijk hoge eisen gesteld, terwijl tegelijkertijd vaststaat dat wij “onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad”. Dat komt door de erfzonde, onze eigen schuld. Bovendien weer de gereformeerde hoe zeer hij dagelijks opnieuw tekort schiet. Het besef dat de mens van nature geneigd is tot alle kwaad, ben ik nooit meer helemaal kwijt geraakt.

De tweede paradox is deze. In de gereformeerde zienswijze moeten wij onophoudelijk streven naar het goede. Wie goed doet, mag zich daarop echter niet beroemen. Al het goede wordt ons immers van boven gegeven, door genade. Het hiermee verband houdende besef dat de mens van vroeg tot laat moet zwoegen “in het zweet zijns aanschijns” ben ik evenzo nooit meet helemaal kwijt geraakt.

In mijn lagere schooltijd fietste ik niet op zondag. Dat verstoorde de rustdag. In mijn middelbare schooltijd fietste ik – behalve in de winter – iedere schooldag heen en weer naar Emmen. Want daar was een Christelijk Lyceum. De isolatie van de gereformeerde zuil en het feit dat mijn schoolleven zich later grotendeels in Emmen concentreerde, kunnen verklaren dat mijn banden met Coevorden tamelijk marginaal bleven: ik was een passant.

U hoort mij niet klagen. Een gereformeerde jeugd is een goudmijn en bepaald niet alleen voor literaire auteurs zoals Jan Wolkers en Maarten ’t Hart. Toen ik mijn gedachten liet gaan over het onderwerp van deze middag, zocht ik in de nalatenschap van mijn vader – hij overleed in 1962, toen ik vijftien was – een ander soort goudmijn en voer voor historici: de notulen van de anti Revolutionaire Kiesvereniging Coevorden “Nederland en Oranje”. Deze hebben betrekking op de periode 1945 – 1952. In het najaar van 1948 volgde mijn vader H. de Roode op als secretaris van de Kiesvereniging. De bewaard gebleven notulen geven een prachtig beeld van een stukje naoorlogse sociale en politieke geschiedenis van de “kleine luyden” in deze stad.

In de eerste jaren na de oorlog telde de kiesvereniging ongeveer 140 leden. De A.R.P. was met twee leden in de gemeenteraad vertegenwoordigd. De Kiesvereniging vergaderde zeven tot acht keer per jaar, waarbij het aantal aanwezigen rondom de 35 schommelde. Blijkens de notulen werden vergaderingen geopend met een psalm, bijbellezingen en gebed. Doorgaans hadden een of meer leden een voordracht over een actueel onderwerp voorbereid.

Op 24 januari 1949 bespreekt D. Langemaat  de komende wet op de Publieksrechtelijke Bedrijfsorganisatie. De inleider toont aan dat dit begrip in eerste beginsel al wordt genoemd bij Groen (van Prinsteren) en Kuyper. De mannenbroeders hoeven voor deze sociaal-economische innovatie dus niet beducht te zijn. Op de voorafgaande vergadering van 1 december 1948 heeft ds. Van Dijk over een andere nieuwigheid gesproken: de A.R. kunnen niet afwijzend blijven staan tegen vrouwelijke kamerleden!

Op maandag 21 november 1949 sprak wijlen mijn vader over een merkwaardig actueel thema: Naar een verenigd Europa? Zijn conclusie komt ons bekend voor: de zaak  heeft veel kanten, positieve en negatieve. De meeste aanwezigen stonden overigens blijkens het verslag tamelijk gereserveerd tegenover het meegaan “van ons Christenen in federale richting”.

Ontwikkelingen in de gemeentelijke, nationale en internationale politiek hebben hun sporen op de vergeelde bladzijden nagelaten. Neem eerst de gemeente-politiek. De kiesvereniging Coevorden kende een permanent sluimerend conflict tussen arbeiders en middenstanders (waaronder de boeren). Deze laatsten hadden traditioneel de overhand. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 15 juni 1949 kwam de arbeideristische dissident Roddenhof met een “wilde lijst” (CVP). Zijn initiatief had geen succes en in de zomer van 1950 werd Roddenhof weer lid van de A.R.P. Op de achtergrond van dit conflict speelde de zuigkracht van de in 1946 opgerichte PvdA. Tijdens de vergadering voorafgaand aan de bedoelde gemeenteraadsverkiezingen (op 9 juni 1949) gaf ds. Van Dijk een vlammende analyse van de politieke verhoudingen op dat moment. Het grootste gevaar was zijns inziens niet de Communistische groep, maar de PvdA, “die door de Roomsen wordt gebruikt om ons land te verroomsen, door doorbraakmensen om christenen weg te halen bij hun positieve Christelijke partij, en door aanhangers van de oude SDAP om ons land socialistisch te maken”. Ik citeer verder uit de notulen: “Met voorbeelden uit een onlangs door deze aspirienepartij verspreid pamflet laat spreker de onwaarachtigheid in hun (=PvdA) propaganda zien”.

Bijna twee jaar later, op 6 april 1951, wijdt de kiesvereniging een hele avond aan het rode gevaar. “De PvdA is een nationale ziekte”. Toegegeven wordt echter “toch heeft zij een goede trek, namelijk haar hartstocht naar sociale rechtvaardigheid”. Sommigen onder u weten misschien dat ik de afgelopen twintig jaar in deze partij in verschillende hoedanigheden actief ben geweest. Een van mijn belangrijkste motieven is altijd geweest dat de PvdA – in mijn zienswijze althans – het beste opkomt  voor de mensen die het minder hebben. Die inspiratie, en een warme politieke belangstelling, heb ik ongetwijfeld van huis uit meegekregen. Wat jammer dat ik hierover nooit met de secretaris van “Nederland en Oranje” heb kunnen discussiëren.

Ook de nationale politiek komt op de vergaderingen uitgebreid aan de orde. Op 19 december 1949 spreekt het Drentse Statenlid Smallenbroek over de balastingpolitiek van de regerende rood-roomse coalitie. “Koude socialisatie”, is zijn afwijzende oordeel. Nu de huidige staatssecretaris van Financiën in ons midden is, komt zo’n uitspraak extra hard aan. In de eerste helft van de jaren vijftig zou de PvdA overigens actief meewerken aan afslanking van de overheid en verlaging van het belastingpeil.

Dat is een van de verdiensten van drie achtereenvolgende kabinetten Drees (1951-1958) geweest. Momenteel bestaat bij velen in de PvdA helaas het misverstand dat een grote overheid per definitie “linkser”is dan een kleinere overheid. Zou dat onbegrip uit de wereld zijn, dan is een belangrijk obstakel opgeruimd dat een fundamentele herschikking van het politieke krachtenveld vooralsnog belemmert. Ik doel hier op de in mijn ogen wenselijke samenwerking  van PvdA en VVD na de kabinetsformatie van 1994. Maar ik moet mij verontschuldigen, we kijken vandaag naar het verleden, en niet naar de toekomst.

Op diezelfde vergadering komt het regionaal-economisch beleid ter sprake. Coevorden voelt zich ten achter gesteld bij Emmen, en claimt meer (financiële) steun. Smallenbroek wijst dit af: het initiatief voor verdere economische ontwikkeling moet van de plaats zelf uitgaan. “Coevorden heeft een gemeentebestuur dat zijn taak verstaat”. Terugblikkend op de afgelopen veertig jaar lijkt de juistheid van althans deze uitspraak wel overtuigend te zijn aangetoond.

Mijnheer de Voorzitter!

 In de periode 1950 – 1952 benaderde de A.R. Kiesvereniging in Coevorden welhaast het Weberiaanse “ideaaltype”. Voorzitter en secretaris waren werkzaam in het uitgebreid lager onderwijs; (kleine) zelfstandigen en arbeiders schoolden zichzelf en elkaar tijdens de vergaderingen. In die vorm bestaat de gereformeerde wereld niet langer. Voorzitter Dijkstra lijkt daarvan een voorgevoel te hebben gehad. Op 20 januari 1950 verzorgde hij een inleiding over “Plaats en taak van de A.R. Partij te midden van een wegzinkend volk”. De inleider constateerde alom verval, en hij riep zijn geestverwanten op te blijven strijden voor beginsel en ideaal. Zoals we weten: tevergeefs. Gerekend vanaf 1952 zou het geen kwart eeuw duren voordat roomsen en gereformeerden nog slechts aparte bloedgroepen in het CDA vormden. Ook in andere opzichten zijn de gereformeerden in verregaande mate “geassimileerd”.

Van de vaste burcht die ik mij herinner, is slechts een ruïne over. De samenleving is sinds de jaren vijftig in veel opzichten onherkenbaar veranderd. De oude vestingstad Coevorden is meegegroeid met de maatschappelijke ontwikkelingen, en economisch opgebloeid.

Veel van die veranderingen betekenen vooruitgang, meer welvaart, ruimere ontplooiingskansen en een grotere vrijheid. Wie terugblikt, beseft echter dat tegelijkertijd een prijs is betaald doordat sommige waardevolle structuren en waarden verloren zijn gegaan, of onherstelbare schade hebben opgelopen. Met deze afsluitende observatie, dames en heren, hoop ik voor eens en altijd het vooroordeel uit de wereld te hebben geholpen dat economen mensen zouden zijn die van alles de prijs en van niets de waarde kennen.

Ik dank u voor uw aandacht.