1672, Coevorden vanuit Groningen bevrijd

De overrompeling van Coevorden op 30 december 1672.

 

De grensvesting Coevorden beheerste de toegang tot Overijssel, Drenthe, Groningen en Friesland. Van Coevorden liep over de Hondsrug de oostelijke weg om naar Groningen te komen. Gezien de vele moerassen was de keuze van de weg zeer beperkt. Men vindt in de verenigde Nederlanden geen stad die meer belegeringen, plunderingen, verbrandingen en verwoestingen heeft doorstaan als Coevorden. Coevorden was een poort van Drenthe, een sleutel van de stad Groningen  en de ommelanden, een deur van geheel Friesland en in zekere zin een pas naar Overijssel.

Het was de Villa Cruptoricis, waarover Tacitus schrijft in liber 5 van de annalen, waar 1.500 Romeinen door de Friezen werden doodgeslagen.

 

Anno 1197 veroverde bisschop Balduwijn, broeder van de graaf van Holland en Benthem, Coevorden. Burggraaf Floris en zijn zoon Volckhardt werden op de vlucht gejaagd. Volckhardt nam later met steun van Groningers en Drenten de stad terug. De bisschop werd verslagen, driehonderd edelen werden gevangen genomen en “dertig ter plaatse neder gemaakt”.

 

Anno 1218 ontstond oorlog tussen bisschop Otto van der Lippe en de heer Rudolph van Coevorden, gesteund door Drenten. Bij het huis Gramsbergen geraakte de bisschop in de moerassen, als zijnde derzelver natuur hen onbekend. De heer Rudolph van Coevorden sloeg de bisschoppelijke troepen uiteen en maakte de bisschop met vijfhonderd zijner krijgshelden kapot. De graaf van Gelder werd gevangelijk binnen Coevorden gebracht.

 

De bisschop Wolbrandt, graaf van Oldenburg, komt later in Drenthe met grote macht. De heer Rudolph van Coevorden moest Coevorden voor den bisschop inruimen.

 

Vervolgens kwam de heer Rudolph terug en krijgt het kasteel opnieuw in zijn macht en slaat alles dood wat hij binnen vindt.

 

Het veroveren en heroveren waarbij ook de bevolking werd uitgemoord zou ook de komende eeuwen doorgaan. In 1592 werd het Spaanse leger door prins Maurits uit Coevorden verjaagd.

 

Dia 1    Van 1597-1607 werden de fortificaties geheel op peil gebracht.

 

Dia 2    Coevorden werd een sterke vesting. Zeven zware en hoge bastions genaamd Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Overijssel, Friesland en Groningen. Voorts zeven halve manen, zeven ravelijnen, een faussebraye, een zeer hoge contrescarp, wijde en diepe grachten. Een kasteel haast onoverwinbaar sterk.

 

Dia 3    Gedurende de Tweede Engelse oorlog in 1665 deed de bisschop van Munster een inval in ons gebied met achttienduizend man; hij plunderde Enschede en rukte verder op door Drenthe naar de ommelanden bij Heiligerlee en Ter Apel. De bisschop was zich terdege bewust, dat historisch de Groninger Kerpels Hunsegoo, Fivelgoo en het Oldambt onder zijn heerschappij stonden. In zijn ogen waren het Munsterse landen.

  

Op 18 april 1666 werd te Kleef de vrede getekend met Munster. De bisschop aanvaardde de volgende voorwaarde: 

-                     eeuwige vrede

-                     ontruiming van alle bezette oorden, in het bijzonder Borkulo

-                     binding van de sterkte van de Munsterse troepen op het maximum van 3.000 man.

 

Daar de pest zich te Kleef verbreidde, ging het vredescongres snel uiteen; de bisschop weigerde aanvankelijk de voorwaarden, die zijn gezanten hadden ondertekend te aanvaarden. Toen geen land meer enige hulp in het vooruitzicht stelde, ondertekende nochtans de bisschop de voorwaarden al gesteld te Kleef.

 

De oorlog, met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen van 1672 wordt echter voorbereid en ingeluid. De vrede van Kleef droeg in zich het zaad voor een volgende noodlottige ontwikkeling. De bisschop zag in hem de opgelegde ontwapening een ontluistering, zelfs een ontering. De uitvoeringsbepaling van het vredesverdrag stuitten op tegenwerking van de bisschop.

 

De bezette Hollandse gebieden werden met opzettelijke vertragingen ontruimd, meestentijds door het eigenmachtig optreden van officieren, die vreesden na de plotselinge vrede zonder beloning huiswaarts te worden gezonden en derhalve op eigen kracht de buidel vulden. Op 22 juli 1666 werd te Nordhorn een bespreking gehouden tussen Holland en Munster. Daar kwamen nieuwe strijdpunten op tafel; de Munstersen eisten een vergoeding voor hun in gevangenschap overleden soldaten, waarop de Hollanders onmiddellijk een tegeneis stelden. De onrechtmatig geheven heffingen en andere overtredingen van het vredesverdrag gaven aanleiding tot nieuwe wrijvingspunten. De bisschop was blind voor de door hem persoonlijk begane fouten en dit verstrekte zijn drang om in gunstiger omstandigheden opnieuw naar de wapens te grijpen.

 

De republiek onderhandelde met Duitse vorsten om zich gewapende hulp te verzekeren om de veroveringslust van Louis XIV in te tomen. Daarnaast hield Den Haag een wakend oog op de bisschop.

 

Het tijdperk wemelt van de vredestractaten en van bondgenootschappelijke overeenkomsten, een bijzonder vredelievende rijd, maar de inkt op het papier had geen tijd om te verbleken, ingewikkelde tractaten werden aangegaan en ’s anderen daags waardeloos geacht.

In Munster wees de barometer in 1672 op storm. De Witt was zich bewust van het naderend onheil. Op 25 februari 1672 werd de eenentwintigjarige Willem van Oranje met het opperbevel over het krijgsvolk te land bekleed.

 

De bisschop van Munster stelde Frankrijk en Engeland een plan voor hoe de Nederlanden op te delen: 

  1. Frankrijk krijgt Brabant en Vlaanderen
  2. Engeland de provincie Zeeland
  3. Amsterdam, Rotterdam en misschien nog enige andere streden zouden worden gehandhaafd als vrije republieken.

De bisschop handhaafde zijn oude wensen. Het gehele Hollandse gebied zou terugkeren onder de opperhoogheid van het Duitse Rijk. Op 3 april 1672 tekende de bisschop het aanvullend verdrag met Frankrijk, zij het met een beklemd gemoed zich bewust zijnde, dat hij het recht niet aan zijn zijde had, waar wraak en haat hem leidden. Ook zijn binnenlandse toestand was dreigend. Hij besefte, dat hij op het punt stond een rooftocht naar Holland te ondernemen. Hij had vertrouwen in de staat van zijn voorbereidingen, de bruggen en wegen naar Overijssel waren verbeterd, doch hij vond geen bondgenoot onder de Duitse vorsten, behalve Keulen.

  

De bedreigde staten richtten zich smekend tot Louis XIV en verzochten te vernemen of de grote Franse oorlogsvoorbereidingen inderdaad tegen de staten gericht waren, de trouwe bondgenoten en zij waren verlangend te horen, welk kwaad de staten tegen Frankrijk hadden bedreven en welke vergoeding werd geëist. Louis XIV antwoordde, dat hij zijn troepen zou aanwenden, zoals zijn waardigheid medebracht en dat hij aan niemand rekening en verantwoording schuldig was. Louis XIV zette zijn opmars in met een leger van 112.000 man.

Gans Holland geraakte in beweging door het snelle en zo bedreigende verloop van de strijd in de zuidelijke Nederlanden. Holland was eens de bondgenoot van Frankrijk, Louis XIV had De Witt niet op de hoogte gebracht van zijn voornemens. De republiek gevoelde zich ook bedreigd door de verbinding Frankrijk-Engeland.

 

Frankrijk trok op 12 juni over de Rijn bij de tegenwoordige tolkamer (het tolhuis). Munster opent de vijandelijkheden op 25 mei 1672, Keulen op 27 mei 1672. De Engelse en Franse vloten zagen De Ruijter tegenover zich; in de slag bij Solebay wist de Hollandse vloot zich te handhaven. De Ruijter was in staat de aanvoer ter zee ongestoord te verzekeren en daarmede redde hij het land. De nieuwe Hollandse waterlinie werd gesteld. De Fransen hadden het voorzien op Den Haag en maakten van een vorstperiode gebruik om vanuit woerden op te marcheren naar het westen, waar zij Zwammerdam en Bodegraven uitmoordden.

 

Engeland overviel op 23 maart 1672 de Hollandse Smyrnavaarders; de koning beriep zich op het nalaten van een saluut ter zee. De bisschop van Munster beschikte over een leger van 42.000 man, 17.000 ruiters en een sterke artillerie.

De oostelijke en zuidelijk provincies werden in korte tijd overmand. Op 9 juni 1672 viel als eerste Groenlo; Hattem, Elburg en Harderwijk boden geen tegenweer. Op 21 juni viel Deventer, 23 juni Zwolle, 24 juni werd de Ommerschans genomen, die de toegang naar Groningen en Friesland afsloot.

 

Op 4 juli 1672 werd Coevorden na een beleg van slechts enkele dagen door de stadsoverheid – ondanks de oppositie van de commandant Jan van Burum – aan de bisschop overgegeven.

 

Amsterdam besloot tot het uiterste weerstand te bieden en de onderhandelingen met de Fransen af te breken. Een zeer belangrijk besluit aangezien de Amsterdamse kooplieden over de financiële middelen beschikten die de prins van Oranje, de latere koning stadhouder, nodig had voor de verdediging en de tegenaanval. Bij Groningen waren inmiddels de vijandelijke troepen tot de aftocht gedwongen.

 

Dia 4    Op 4 september 1672 ontvluchtte Meindert Minnes van der Thijnen, schoolmeester te Coevorden, deze stad richting de stad Groningen, waar hij door Rabenhaupt, bevelhebber van Groningen, werd ontvangen, Van der Thijnen had in Coevorden na verkenning van de vestingwerken hiervan een kaart vervaardigd, die hij in zijn kleren verborgen meenam en aan Rabenhaupt ter hand stelde. Van der Thijnen had bovendien een plan ontworpen voor een aanvalsplan. Hij stelde voor de grachten met behulp van Biesbruggen overschrijdbaar te maken en stelde zich persoonlijk beschikbaar voor de bestorming van de bastions.

            Enige maanden werden besteed aan de voorbereidingen. De vorst viel in en toen achtte Van der Thijnen het ogenblik gekomen Coevorden van het Munsterse juk te bevrijden. Rabenhaupt machtigde op 22 december 1672 Van der Thijnen zelf de officieren uit te kiezen, waarop hij aanwees als algemeen aanvoerder de luitenant-kolonel Frederik van Eybergen en de majoors Jan Sickinghe en ijler. Op 26 december 1672 werden de poorten van Groningen gesloten ter voorkoming van verraad.

 

Dia 5    Aan Van Eybergen werd de marsorder verstrekt voor een troepenmacht ter sterkte van duizend man infanterie, enige studenen en een aantal vrijwilligers met een eskadron ruiterij. Ingedeeld waren zeven kapiteins, zeven luitenants en twee vaandrigs.

 

            Vier broers Sickinghe – zij vormden de 11e. generatie van het geslacht – waren als officier-vrijwilliger ingedeeld bij de colonne onder leiding van Jan Sickinghe waarvan ook de ruiterij deel uitmaakte. Kan Sickinghe 23 jaar oud, Roelof Sinkinghe 29 jaar oud, ritmeester Hendrik Sickinghe 22 jaar oud en Feyo Sickinghe 16 jaar oud. Roelof had zich onderscheiden als een van de onderbevelhebbers bij de verdediging van Groningen. Hij zou later stadhouder Willem III vergezellen bij de overtocht naar Engeland. Hendrik zou bij de bestorming van Coevorden gewond raken. Feyo, de jongste van de vier broers, was vaandrig. Het aanvalsplan van Rabenhaupt was duidelijk.

 

In het donker en bij mistig weer bij de stad aangekomen werden de laatste bevelen gegeven:

 

Num. 74.

 

Ordre van den Lt. Generaal Rabenhaupt aan de Attaquanten van Koevorden.

 

Bebogrende op Pag: 848.

 

Dat 600 Man regelrecht marcheeren souden op Tellinkhuysens Huys, en dat voort na Poppen-haar, met 12 Vakken van de Biesbrugge, en gaven haar in allen stilte op de Contrescherp, en eenige Palisaden aan stukken breekende, sal de Officier die het Gros commandeert (zijnde Overste Lieutenant Eybergen) met 300 Man op het Kasteel aanvallen, eerst in de Faulcebree, en door de Sortie, en sal voorts 150 Man de Wacht, staande in’t Bastion Gelderlandt incorporeeren, en haar meester maken van ’t Bastion, de andere 150 Man sal de Wacht innemen staande in de Citadel voor de Kasteel-poort, en wel versekeren ’t huys daar de Commandant Moy in woont.

Voorts sal een Officier (die geweeft is de Overste Wachtmr. Wijler) met de andere 300 Man op het Bastion Hollandt aanvallen, op de Faulcebree sal een Officier met 100 Man by de Doorsnijdinge op loopen, en de Wacht, staande in ’t Bastioni Hollant innemen; de ander 200 Man sal langs de Faulcebree loopen tot de Sortie, staande in de Gordijne tusschen Hollandt en Zeelandt, en tegens de Seecreet-brugge op klimmen, en sommige door de Sortie, en dan met 100 Man gaan door de Oosterster-straete recht op de Hppft-wacht aan, om haar van de Hooft-wacht meester te maken; voorts een Officier net 50 Man na de Benthemer Poort, en de Wacht aldaar innemen, en maken haar meester van de Poort, en daar de Post bewaren; Een Sergeant met 30 Man sal Post Grijpen in ’t Bastion Zeelandt, en daar wel Post houden.

Een ander Officier (welke geweest is de Majoor Sikkinga) sal met 300 Man van de Troup af gaan, nemende zijn wegh na t’Hengelaars Huys, achter door de Holvoort, over de Haar, tot aan de Hoppegoorn, leggende aan de Contrecherp op ’t Punt Over-Yssel, en met haar nemen 6 Vakken van de Bries-brugge, om mede pver ’t Bijt te komen, vallende voort op de Fache van Over-Yssel aan, aan de kant na Camps Huys, loopende de Faulcebree langs tot aan de Sortie staande in de gordijne tusschen Vrieslant en Over-Yssel, klimmende op de Brugge van ’t Secreet aldaar, en andere door de Sortie, tot dat alle binnen op de Wal zijn; op de Wal zijnde, sal een Officier (die geweest is Jr. Rutger van den Camp, Cornet van Hendrik Sikkinga) met 80 Man gaan im de Wacht staande in ’t Bastion Vrieslant te incorporeeren; meester van de Wacht en ’t Bastion zijnde, sal een Sergeant worden gecommandeert met 30 Man, om sich meester van het Bastion Uytrecht t emaken, en aldaar Post houden tot nader ordre. De Officier die de 300 Man gecommmandeert heeft, sal hem voor eerst meester soeken te maken van ’t Bastion Over-Yssel , en het Kruydt-huys asdaar wel doen bewaren, als mede het Kanon staande op de Batterye aldaar, sendende een Officier met 50 Man in ’t geseyde Bastion. Voorts sal de Commandereerebde Officier met de overige Manschap hem aanstonts vervoegen langs de barakken tot aan de Vriessche Poort, en laten voort met 30 man de Schotpoort innemen en bewren, en met de rest van t Volk de Wacht voor de Vriessche Poort incorporeeren, en die Poorte annstonds los maken, om de Puyterye in te laten, en die Post bewaren: welverstaande dat die Troup twee Koevoeten, eenige Handt-granaten, met Bijlen en Hamers by haar moeten hebben.

 

Num 75.

 

Het herkenningsteken werd bekendgemaakt “Holland”, zijnde dit het woord. Het veldgeschrei, “god met ons”.

  

De hoed van de aanvalstroepen werd voorzien van een strowis. Om tien uur (22.00) moest de troep marsvaardig zijn, op de brink te Erm. Langs Den Hool en Dalen bereikte men het Loo. De klok der vesting sloeg toen middernacht. De troepenmacht werd in drie colonnes gesplitst. Men hoorde "Werda" van de Wallen. Van Eybergen ontstelde, doch Van der Thijnen verklaarde, dat er geen reden voor alarm was.

 

Van der Thijnen sloot zich aan bij de afdeling van Eybergen. Deze afdeling marcheerde recht op het bastion Gelderland aan. De afdeling Wijler bestemd voor de aanval op bastion Holland volgde.

 

Het vervoer van de biesbruggen gaf wel enige vertraging. Te Poppenhaar liet Van der Thijnen de biesbrugen neerleggen.

Bij het aanbreken van de dag bleek het mistig weder, niettemin kon men de contrescarps en de wallen zien. Dadelijk daarop werd de aanval op de bastions Gelderland en Holland geopend en even later die op het bastion Overijssel. De mist werd dichter. Dit was in het voordeel van de aanvaller. Van der Thijnen gaf de aanwijzing dat zij over het land genaamd Klinkenbroekje moesten trekken tot achter het kasteel, waar hij hen zou inwachten. De vijand had in de contrescarp een brandwacht geplaatst, waarop Van der Thijnen niet had gerekend.

 

Dia 6    Plotseling trok de mist op en een algemeen "Werda" was duidelijke taal. Van der Thijnen had het punt Bijsterveld bij de contrescarp bereikt en wuifde met zijn hoed ten aanval. De palissaden werden onder vijandelijk vuur gekapt. Van der Thijnen bracht de majoor Wyler op zijn plaats. Men nadert de laatste gracht, de biesbruggen worden gelegd en met grote moeite aan weerszijden bevestigd. De biesbruggen blijken voldoende sterk en beloven een succes.

Men stuift de faussebraye in, vliegt den wal op en beklimt het parapet (borstwering). Van der Thijnen roept: “Op mannen, de vijand is geslagen, de stad is ons”. Er waren drie doelen: stadsbuitenwerken, bolwerk en poorten. Kapitein Koenders velt de commandant Jan de Mooij. De batterij wordt genomen, het commandantshuis wordt bezet, de wachten overrompeld en het kruithuis bewaakt; hij die weerstand blijft bieden , wordt over de kling gejaagd.

Dia 7    Twee jonge tamboers slaan de “prinsenmars”. Kapitein Steven Kling laat de Friesche Poort openen. De ruiterij rukt naar binnen, de trompetters blazen het Wilhelmus. De bezetting van het bastion Overijssel hield stand.

 

De majoor Johan Sickinghe was met zijn onderhoorige TROUP wat later aan zijne post gekomen doordien zijn marsch daar na toe  wat verder om was: doch aan de bestelde plaatse komende / zo zijn / behalve het voetvolk daar hij ‘t commando over had / de meeste ruijters vrijwillijk van haar paerden afgestegen / om beneffens het voetvolk mede aan te vallen / en hebben boven de kappen van hare laarzen afgesneden / opdat dezelve haar in ’t opklimmen van de wal niet hinderlijk zouden zijn: zo haast den vijandt hun vernam / wurd er een canon-schoot op de troup gedaan / de welke voort vijf persoonen van onder de biesbruggen wech nam. Even furieus stapt de majoor voort / en moedighde zijn volk met deze woorden aan: za, mannen, vat maar, dan gaat u voor, en zijn alzo dapper aangevallen / dat ze aan ’t  contresscherp, over de palissaden geraakt zijn / daar ze malkander hebben overgelicht / en voorts eenige met bijlen aan stukken gehouwen / zodat de gantsche troup daardoor is gekomen; den vijandt dit houwen hoorende / riep eenige malen: wie daar? Doch geen antwoordt krijgende / begon eijndelijk te schreeuwen / help, help. De majoor ondertusschen met de biesbruggen over de opgeijsde gracht gekomen zijnde / is dapper gevolght vn zijn volk, tegen den vijandt, alhoewel die zeer sterk schoot / de wal opgeklommen / roepende den vijandt toe: houdt op van schieten, of ghij zult geen quartier hebben, en alzo boven op de wal komende / heeft een van des vijands constabels zich onderstaan om het vuur in ’t canon te willen steeken / maar de majoor heeft zulks belet / hem met zijn sweert ter neder vellende / en heeft zelfs het canon can achteren opgelicht / dat hem met de neus in de grond viel / een ander meenende dezen heldt van achteren te treffen / wierde mede ter neder gemaakt aleer hij zijn ooghmerck konde volvoeren / maar dezen dooden mans wijf toe loopende / en haar man doodt ziende / trok des dooden swaart uijt / en meende de majoor Johan Sickinghe daar mede te doorsteken / doch zij wierde in haar opzet verhindert; den vijandt zich evenwel noch lustigh defenderende / zo wierden verscheijde van de vijandt door de majoor en zijn onderhebbende troup afgemaakt…

 

Dia 8    De colonne Sickinghe kreeg nu steun van binnen, zodat de verdedigers tussen twee aanvallende troepen werden ingesloten.

De gevangenen werden in het kerkgebouw opgesloten. In de tijd van één uur was Coevorden veroverd. De studenten Scato Gockinga en Geertsema brachten de heugelijke tijding over naar Groningen.

Wanneer nu dit grote werk zo gelukkig uitgevoerd, en de majoor Sickinghe (nog zeer ontsteld, en van boven tot beneden met vijandenbloed besprengd) was, zagen zij vol verbaasdheid malkander aan, sloegen dan weder hunne ogen zeggende “hoe is het mogelijk?” en een ander antwoordde: “dit is niet anders als gods hand”.

Dia 9    De buit bij herovering van Coevorden was groot. Veel belangrijker was de geweldige bemoediging die van deze overwinning uitging naar het gehele land. De eerste overwinning op de vijand, vele andere zouden volgen.

 

           De overwinning kwam in zicht. Holland en Oranje hadden het initiatief wee in handen. De jonge stadhouder zou zijn vernuft en moed beloond zien. Nu 300 jaar geleden werd hij geroepen mede koning over Engeland te zijn. Een feit dat dit jaar uitvoerig werd herdacht.

 

           Zonder de moed en het vernuft van Mijndert van der Thijnen zou Coevorden echter niet zijn bevrijd.

 

Dia 10  De stad Groningen liet ter herdenking van de verovering door de Groningers een penning slaan met deze tekst:

 

            Gedenkpenning

 

            1672 Vierkant.

 

            Voorzijde:         de stad Groningen, daaronder:

                                               Groningen belegert den 9 july verlaeten

                                               den 11 augustus 1672.

 

            Keerzijde:         door Rabenhaupt zijn wijse raet

                                               en door Eibergens helden daad

                                               vier Sickinghen van groote moedt

                                               clingh, losecaet en gruis te voet,

                                               hebben Coverden met klein moei

                                               dapper in ee uir tyt vercragt

                                               het welk den bisschop spyt

                                               en Groningen op ’t hoogst verblyt.