Coevorden, mijn jeugd

Een schriftelijke neerslag van de speeches voor de Picardtclub van 10 november 1986 door:

  • A.J. Evenhuis, Staatssecretaris voor Economische Zaken.
  • A.L. ter Beek, Lid Tweede Kamer voor de PvdA.
  • Dr. M.J. Faber, Secretaris Interkerkelijk Vredesberaad.
  • H.D. Minderhoud, Directeur Mijndert van der Thijnenschool.

Speech van de heer A.J. Evenhuis, Staatssecretaris van Economische Zaken.

Aanwezigen,

ik zou een drietal ervaringsterreinen van mij aan u willen voorleggen. In de eerste plaats, Coevorden voor mij als mythe. In de tweede plaats, Coevorden als verbreding van mijn wereldbeeld en in de derde plaats de herkenning Coevorden als werkelijkheid.

Om te beginnen, Coevorden als mythe. Daarbij moet u zich voorstellen dat ik mijn jonge jaren doorgebracht heb in Sleen, Noord-Sleen wel te verstaan. Een agrarisch boerendorp, de dorpsschool, een kleine omgeving, weinig verbindingen met de buitenwereld. Daar ben ik opgegroeid en daar hoorde ik wel eens de naam Coevorden. Ook al omdat mijn familie uit de omgeving van Coevorden, Dalen en dergelijke kwam. De situatie was zo dat ik tot mijn 16e eigenlijk nooit in Coevorden ben geweest, alleen wanneer wij moesten voetballen tegen Germanicus en Raptim, en dat wonnen wij ook nogal eens een keertje. De tijden daarna zijn voor mij werkelijkheid geworden, maar die mythe van die eerste jaren is toch voor mij een belevenis geweest, ook toen ik Coevorden later zelf heb ervaren. De eerste herinnering voor mij was die van de Ganzenmarkt, niet uit eigen ervaring maar uit verhalen. De Ganzenmarkt, sluitstuk van de najaarsmarkten na de eerste Biestemaandag, de middel Biestemaandag en de leste Biestemaandag, dat was het stramien waarlangs ik Coevorden beoordeelde en de manier waarop ik er over hoorde praten bij ons thuis.

In de tweede plaats de Ganzenmarkt omdat ik al van jongs af aan groepen jongelui uit het dorp op die maandag in November 's ochtends vroeg naar Coevorden zag gaan en 's avonds laat hoorde terugkomen, met nogal wat lawaai, en de café's onderweg waren druk beklant begreep ik. De tweede herinnering betrof Picardt. De naam Picardt, geen Drentse naam, was toch in mijn herinnering sterk geassocieerd met Coevorden en Coevorden manifesteerde dit in dat opzicht veel sterker dan het andere dat ik in Drenthe daarbij had ervaren.

En niet op de laatste plaats, wat practischer maar toch wel van belang is de herinnering aan de eerste tractor die wij thuis kregen ( mijn vader had een boerderij) die van Juurlink uit Coevorden was en daarmee kreeg Coevorden in mijn beleving van jongen van tien jaar nog een extra dimensie. Samenvattend: Coevorden was voor mij mythisch in mijn vroege jeugdjaren. Het had iets onbekends in zich en was voor mij uitdagend. Dan, in wat later jaren, Coevorden als verruiming van mijn wereldbeeld. Ik had de middelbare schooljaren, de ULO-jaren doorgebracht in Emmen , en voor mij was het een vraag wat ik erna zou doen. Het werd uiteindelijk de Kweekschool en die was in Coevorden. Coevorden kwam in dat opzicht dichterbij, ik zou het leren kennen, het veruimde mijn wereldbeeld, maar er was ook een boodschap aan verbonden die nog in de sfeer van het andere lag zoals ik het in mijn jongere jaren had ervaren. Bijvoorbeeld dit: Stelt u zich voor, het platteland van Drenthe, als ik kijk naar de samenstelling van de bevolking meestal protestant, eigenlijk voornamelijk protestant, of gereformeerd of vrijzinnig of orthodox, in die sfeer lag het. Maar als je, zo was mij voorgehouden, Dalen door bent en je komt in de Bente, dan krijg je daar ongeveer de eerste katholieke bewoners van Drenthe. Dat manifesteerde zich, dat bevestigde nog eens dat andere, zoals mij dat als het ware was voorgehouden. Het meest treffende daarvan vond ik toch altijd het volgende. Het is een beetje bizar, maar wanneer ik langs het kerkhof op de Loo ging, dan stonden daar twee opschriften bij de ingang. Soms moest ik er wat van rillen, maar voor mij was dat toch altijd tegelijkertijd een soort houden van. De tekst ervan : "wat gij nu zijt was ik voor dezen, wat ik nu ben zult gij dra wezen", was een tekst waar ik niet mee was grootgebracht en in die zin dus voor mij vrij schril overkwam.

Coevorden als werkelijkheid. Dat was natuurlijk in de eerste plaats de Kweekschool. Maar de Kweekschool zat achter de HBS, en u moet weten dat ik overigens op de bromfiets kwam, en dat je dan helemaal moest rondrijden, en mijn eerste ervaring was dan ook weer niet zozeer met Kweekschool als wel met de toenmalige rector van de HBS, de heer Van Dam. Ik weet niet hoe het nu is, maar achter de HBS bij de achteringang daar had je een fietsenhok en daar was een mooi plaatsje waar ik mijn bromfiets prachtig kwijt kon. Dat was toevallig aan de kant van de leraren, waar de leraren hun fiets neerzetten en op een gegeven moment stond daar in de achterdeur de heer Van Dam. Degene die Van Dam kenden die weten hoe ik mij toen voelde. "Hebben wij er een nieuwe leraar bij?", vroeg hij mij indringend aankijkend. Ik keek een beetje om mij heen, ik begreep het eerst niet goed, maat het werd me al snel duidelijk gemaakt wat de bedoeling was: mijn bromfiets moest daar weg. Het was de eerste ervaring. Een andere ervaring in het Coevordense was natuurlijk die van toekomstig onderwijzer op leerscholen. En dat waren toen vooral de Parkschool en de Wilhelminaschool, met de toenmalige hoofden de heer Zwitsers en de heer Koek. Ik geloof dat tegenwoordig de heer Van der Linden hoofd van de Parkschool is. Mijn eerste ervaringen golden de Parkschool, een keurige school moet ik zeggen, bij de heer Tuiten in de vijfde klas. Ik geloof dat hij naderhand leraar aan de ULO is geworden. Coevorden was natuurlijk voor ons ook een verblijfplaats tussen de middag, en dat betekende café's. Uit mijn jonge jaren herinner ik me boven in de kantine van de HBS, die hele dunne bouillon. Ik had het daar niet zo op begrepen. Naderhand kwamen wij bij Rieks Arends aan de markt, en die wereld hebben wij in Coevorden natuurlijk goed leren kennen. Rieks Arends was meer dan café-houder alleen, hij was ook vertrouwensman waarmee nogal eens wat werd overlegd en hij was niet te beroerd wanneer het zo te pas kwam om ook de leerlingen de hand boven het hoofd te houden.

Coevorden was natuurlijk ook Fokke, de boekhandel. Van huis uit werd ik naar Fokke gestuurd, daar moest ik boeken halen, want dat gebeurde vroeger ook in de familie. Maar Fokke was toen zo'n beetje, wat de winkel betreft, aan het einde en naderhand werd het de boekhandel van Holthoon. Maar Fokke, dat kleine winkeltje, het kacheltje achterin, bijna een museum-achtig geheel, had toch iets heel speciaals en daar kon je een hele tijd verblijven. Terug naar de HBS, waar ik zeer goede herinneringen aan heb omdat ik zeker in de jongere jaren op de Kweekschool ook wel keek naar het vrouwelijk spul daar op die HBS. Ik kan u dan ook zeggen dat de kennismaking met mijn vrouw uit die tijd dateert, want ze zat op die school in Coevorden en dat betekent dat de banden met zo'n plaats opnieuw wat sterker worden.

Coevorden is ook Relus ter Beek. Ik ken Relus als een echte Coevordenaar maar ik herinner me ook nog dat hij voor de school stond het volk toe te spreken om in het schoolbestuur te komen. Hij had toen al de ambitie om op de voorgrond te treden. Relus wilde, dacht ik, journalist worden, maar goed, de krant waar hij het op had begrepen die maakte het toen, althans nationaal, niet zo lang meer en Relus kwam toen in de Kamer. Met Relus heb ik trouwens vele debatten gehad. Het komt ongeveer hier op neer dat ik ze altijd als zeer plezierig heb ervaren, maar we waren niet te beroerd om binnen vijf minuten ook vechtend onder de de tafel te liggen, in positieve zin dan.

Coevorden was voor mij ook politiek. Politiek omdat ik in die jaren lid ben geworden van de JOVD, dat is de liberale jongerenorganisatie. Relus en zijn kornuiten waren in die zin op hetzelfde niveau actief in de FJG. Dat was een hele boeiende periode, ik denk ook dat het ons allen heeft geinspireerd in dat opzicht actief te zijn. In verband hiermee wil ik ook de naam noemen van de gedeputeerde Eshuis, inmiddels helaas overleden, Aaldert mocht ik zeggen, die aanvankelijk lid was van de JOVD, maar door de FJG als het ware van ons werd afgetroggeld. Relus zal het daar overigens niet mee eens zijn.. Coevorden was ook, als ik dat politiek bekijk de heer Hemel. De heer Hemel heb ik kort meegemaakt in die tijd en wel in de volgende situatie, die laat zien dat de politiek vandaag de dag wel wat ingewikkelder is. In de JOVD hadden we toentertijd een operatie: kennis nemen van andere politieke groeperingen, onder het motto: 'We laten iemand vertellen waarom ben ik ......" en vult u maar in. Dus de Hemel mocht zijn verhaal dien: waarom hij lid was van de KVP. Ik heb de heer Hemel daarover opgebeld. Hij zei: "Evenhuis, daar hoeven we geen verhaal over te vertellen, want dat is heel duidelijk, ik kan het jullie nu aan de telefoon zeggen, ik ben lid van de KVP omdat ik katholiek ben". En daarmee was het verhaal afgelopen. Anders gezegd, de politiek is in dat opzicht wat ingewikkelder geworden en ik denk eerlijk gezegd ook wel wat ingewikkelder gemaakt.

Misschien is het ook aardig om te zeggen, hoe ik Coevorden naar buiten toe beleef. Ik herinner mij heel goed een gesprek met mijn broer die later ook op die kweekschool in Coevorden zat, ten tijde van de Cubacrisis. Ik moet u zeggen dat we in die jaren dat we daar op die Kweekschool zaten heel wat hebben afgepraat, juist over dat punt, omdat we allemaal in de leeftijd zaten waarop we eventueel opgeroepen konden worden voor militaire dienst. Dat besef leefde toen heel sterk bij mij, van:"hoe gaat het lopen". Je maakt je daar toch ongerust over en in die context is voor mij dat aspect Cuba-crisis heel sterk verbonden met Coevorden.

En dan tot slot: de burgemeesters. Toevalligerwijs ook door werkzaamheden heb ik er een paar meegemaakt. De heer Wolters was eigenlijk wat voor mij actief in de Drentse politiek. De heer Hofstee-Holtrop heb ik wat dat betreft des te nadrukkelijker meegemaakt. Ik heb hem ook meegemaakt in de statenfractie van de VVD toen hij burgemeester was van Coevorden . Hij had een hele sterke bestuurlijke inbreng maar was ook nooit te beroerd om mij zijn laatste Belgenmop te vertellen. Ik heb ook de latere burgemeester meegemaakt, Hoekzema heel intensief, ook hier in het Haagse, maar ik spreek nu vooral over de Coevordense tijd. Hij heeft Coevorden geweldig gepromoot. Ik heb altijd in die jaren het gevoel gehad, en dat zal Mient Jan ook wel aanspreken, dat als er nog een top tussen Oost en West zou komen, deze als Hoekzema dat had kunnen bepalen, heel goed in Coevorden plaats had kunnen vinden omdat Coevorden precies tussen Washington en Moskou ligt. De laatste burgemeester, de heer Spahr van der Hoek, heb ik weer een andere situatie meegemaakt, maar ook die tracht ook op een eigen wijze Coevorden vooruit te helpen.

Ik heb hele goede jaren in Coevorden gehad, ik heb er de beste herinneringen aan, en in dat op zicht was het mij niet moeilijk om zo wat herinneringen op te halen Coevorden was voor mij een mythe, het werd werkelijkheid.
 

Speech van de heer A.L. ter Beek, lid Tweede Kamer voor de Partij van de Arbeid.

Meneer de slotvoogd, heren assesoren, dames en heren.

Ik moet u zeggen dat ik een paar problemen heb met deze spreekbeurt, met het onderwerp, Coevorden, mijn jeugd. Niet dat ik bang zou zijn voor de afdeling jeugdsentiment, maar jeugd in Coevorden is geen afgesloten hoofdstuk, ik heb er nog altijd mee te maken, want tenslotte woon ik hier nog altijd, en gelet op mijn huidige leeftijd zou ik net zo goed kunnen spreken over Coevorden, mijn middelbare jaren. Maar wat het voor mij nog een beetje moeilijker maakt, ik moet een toespraak houden in tien minuten. Nu praten politici over het algemeen altijd al lang, maar als ik over Coevorden aan het woord kom, dan weet ik niet of ik dat in tien minuten red. Ik zou er uiteindelijk wel een boek over kunen schrijven, en misschien dat ik dat ook nog wel eens een keer doe, tenzij Huib Minderhoud me weer eens een keer voor is geweest. Ik heb nog een derde probleem en dat is dat professor Buist heeft gevraagd om min of meer objectiverende beschouwingen. Nu, dat lukt me niet. Ik kan niet objectief over Coevorden spreken en ik zeg u dus ook bij deze dat in mijn verhaaltje ook niet het geval zal zijn. Coevorden is een deel van mezelf en daar kan en wens ik zelfs niet objectief over te praten. 

De slotvoogd heeft in zijn introductie al gememoreerd dat ik op het Tuindorp geboren ben. Tuindorp, aan het eind van de oorlogsjaren, honderd huizen, overzichtelijk genummerd van 1 tot en met 100 . Ik was dus geboren en woonde op Tuindorp 18 en dat Tuindorp had eigenlijk alle kenmerken van een klein dorp. Iedereen kende iedereen. Maar dat Tuindorp, honderd huizen, had toch een kruidenier, een groenteboer, een melkboer, een kapper en zelfs een schoenmaker, op nr. 100, Reins. Dat Tuindorp, honderd huizen, kende toch ook al weer zijn verschillen. Later heb ik ooit eens geleerd dat je zoiets dan sociale stratificatie moet noemen , maar dat waren gewoon sociale verschillen die zich daar op dat Tuindorp ook voordeden. Wij woonden vooraan in het Tuindorp, aan de Looweg, tegenover Diekema, met een speeltuin. Een zichtbaar lidteken op mijn scheenbeen is nog altijd een aandenken aan het feit dat ik daar ooit eens een keer van het tenminste drie meter hoge hobbelpaard ben gevallen. Dat was dus aan de Looweg, maar achteraan op het Tuindorp daar was het toch wel weer wat minder. Dat heette dan ook de Achterstraat. Aan het begin van de vijftiger jaren kwam er het nieuwe Tuindorp, met witte huizen, Jeruzalem heette dat al gauw en toen ging het Tuindorp het "Oude Tuindorp" heten. Het karakter van het oude Tuindorp is eigenlijk niet zo erg veranderd. Het is en bleef vooral een arbeiderswijk waar overigens een zeer maatschappelijk bewuste bevolking aanwezig was. Want dat Tuindorp heeft heel wat matadoren in de lokale politiek voortgebracht.

Ik noem Donker, Grootoonk, Ten Hoonte, Stuiver, Muller, Kruk, allemaal socialisten, maar ook raadslid en later wethouder Hemel, kwam van Tuindorp. Hemel was afkomstig uit de KAB, de Katholieke Arbeiders Beweging, maar zoals Evenhuis al zei hij was toch in eerste plaats katholiek en daarom KVP. Maar ook vanwege dat arbeidsverleden pastte hij heel degelijk op dat Tuindorp. Mijn jongste jeugd beleefde ik dan ook in een politiek bewust milieu. Mijn vader was voor de oorlog ooit nog eens een tijdje raadslid voor de SDAP, werd actief in de PvdA, en vooral ook voor de VARA. Tot aan zijn dood is hij secretaris geweest van de Coevorder afdeling van de VARA. Mijn moeder was actief in de vrouwenbond. En dat betekent eigenlijk dat ik in een soort milieu opgroeide waar politiek heel gewoon was. Waar het erbij hoorde, waar het vanzelfsprekend was en dat betekende dat ik als klein jongetje al meeging met mijn vader naar spreekbeurten die hij hield in de omgeving, naar feestavonden van de VARA, naar 1 mei - bijeenkomsten. Vandaar ook dat ik als klein jongetje ook al rode tulpen verkocht voor een dubbeltje per stuk. Bij ons thuis werd het Vrije Volk gelezen; er werd naar de VARA geluisterd, de grote boodschappen werden gedaan bij de coöperatie, kortom, ik groeide op in wat dan heet een rode familie. In het verzuilde Nederland was ook Coevorden verzuild, en ik ben dan een product van een deel van die verzuiling, een product van de rode-familie. Ik ben opgegroeid met de rode bril van Evert Vermeer, met beschouwingen van Meijer Sluiser, u weet nog wel dat hij altijd sprak op zaterdagavond om kwart over zes, twintig over zes en dan hield hij een doorwrochte beschouwing over de wereld en dan eindigde dat meestal zo: "alles samenvattend geloof ik toch dat de situatie in de wereld niet best is, ik wens u smakelijk eten, goedenavond luisteraars". Nu daar ben ik mee opgegroeid en dan natuurlijk Voskuil op zaterdagavond, het commentaar van Voskuil na Vara's showboot van Karel Prior die laatst hier nog langs is geweest bij de burgemeester, voor een andere omroep weliswaar. 

En de zaterdag, ja die herinner ik me ook altijd als de wasdag. Zaterdag, dan moest ik in bad. Daar moet u zich geen overdreven voorstellingen bij koesteren: een bad hadden we toen gewoon niet. Ik moest in een teiltje, want dat gemeentelijke badhuis aan de Haven dat kwam pas later. Een douche stond toen niet op het Tuindorp, en ook geen toilet trouwens, we hadden nog een tonnetje. En dat werd altijd braaf opgehaald door de gemeentereiniging en onze achterbuurman Wessel heeft aan die activiteit zelfs nog een bijnaam overgehouden, die bij de echte Coevordenaren wel bekend is, maar die ik vanwege het openbare karakter van deze bijeenkomst maar niet zal vermelden.

Terzijde even een klein uitstapje. Coevorden is natuurlijk geweldig bekend geworden vanwege zijn bijnamencultuur. De bijnamen waren wijdverspreid. Ook ikzelf ben er niet aan ontkomen, want ik heb op een gegeven moment de bijnaam Knelis Eenoor gekregen, en dat kwam eigenlijk alleen maar vanwege het feit dat wij een kostganger in huis hadden, een verzekeringsagent, en die had een oor. Toen werd ik dus Knelis Eenoor. Mijn broer Henk heeft de bijnaam Centje gekregen, maar dat was eigenlijk een verbastering van Sintje en dat kwam weer omdat mijn vader altijd voor Sinterklaas speelde onder andere bij B. en H., bij Bade en Huttinga. En een fantastische bijnaam zal ik dan toch maar noemen want die heeft later ook nog een politiek rol gespeeld, dat was de bijnaam die de al eerder genoemde Kruk had, de Bukk'n. Kruk namelijk, die kreeg een keer ruzie met de PvdA en vormde toen zijn eigen lijst voor de gemeenteraad en verscheen toen met de leus: "'t zal wel lukken met de bukk'n". En ik kan u verzekeren: hij is gekozen.

Over naar mijn schooltijd. De kleuterschool, daar heb ik geen grote herinnering aan. Ik ben er ook maar tweeënhalve dag geweest. De kleuterschool was toen in dat oude gebouw waar voor de oorlog de familie Roos heeft gewoond, daarna Spijkman en nu zit er geloof ik iets van een veiligheidsdienst in of zo. Nu daarachter was een kleuterschooltje, maar nogmaals, daar heb ik het maar tweeënhalve dag volgehouden. Vervolgens naar de Parkschool en daar heb ik heel wat meer dierbare herinneringen aan. Juffrouw Wolbers was mijn eerste juffrouw daar in de eerste klas. Ik weet nog steeds dat mijn moeder met mij daar aankwam en vol trots vertelde: "Ja, Relus kan al rekenen, hij kan al sommen tot twinting". Dus, juffrouw Wolbers ik hoor het haar nog vragen:"Hoeveel is 8 en 3?" Ik wist het absoluut niet op het moment. Daarna kwam juffrouw Harms, meneer Drenth.

Ik ben door de Parkschool ook nog eens naar een kindervakantiekolonie geweest. Zes weken om wat aan te sterken. Ik kwam terug en vier dagen later had ik een hersenschudding, want toen was ik gevallen tijdens de jeugdwielerronde van Coevorden. Ik zal ook dat nooit vergeten. Ik reed op een damesfiets met een handrem, zo'n blokje dat voor op de voorband drukte. Ik had ook nog een andere handicap: als ik scheef ging dan liep de ketting eraf. In de eerste de beste bocht vergat ik natuurlijk al dat ik niet door mocht trappen, dus: ketting eraf en prompt al een halve ronde achter bij de eerste doorkomst. Een geweldige inhaalrace gestart, en toch nog een premiesprint gewonnen. Dat was een ijsco van een kwartje, een choco-tip beschikbaar gesteld door IJsco Wessel, van de Markt. En vervolgens ben ik dan toch de bocht uitgevlogen bij de hoek Aleida Kramersingel-Aleida Kramerstraat. Dokter de Vries heeft mij met een omzwachteld hoofd naar huis gebracht en ja, dat was het dus. En Van Herpe's krantje wist te melden, ook toen al niet altijd even correct met de waarheid omgaand, dat ik als vierde geeindigd was, maar dat kwam omdat ik rugnummer vier had gehad, en dat terwijl ik de race overduidelijk niet gefinished had.

Overigens, de oorsprong van die jeugdwielerronde zit in allerlei relletjes die toen in de vijftiger jaren hier plaats vonden. Er werden van die wilde rondes gereden op het terrein aan de haven, op het nieuwe Tuindorp. Dat werd verboden. Resultaat: allerlei opstootjes in de stad. Aan die opstootjes is nog altijd de legendarische naam van agent Jopie Achterstraat verbonden, die gezeten in zijspan zonder aanziens des persoons menig succesvolle charge uitvoerde.

Terug naar school. Eén man is wel van héél bijzondere betekenis geweest, en dat is meneer Zwitsers. Het hoofd van de school. Want ik denk nog wel eens dat ik zonder hem waarschijnlijk nooit op de HBS terecht zou zijn gekomen. Bij ons thuis was het zeker geen vetpot. Vijf jaar HBS, dat leek mijn ouders toch wel wat teveel te zijn. Toen heeft Zwitsers gezegd dat het toch zonde zou zijn om die jongen naar de ULO te doen. "Stuur hem nu maar naar de HBS, drie jaar HBS is minstens zoveel als drie jaar ULO". Zwitsers heeft natuurlijk toen al geweten, dat als hij hem eerst maar op die HBS zou krijgen dat hij die drie jaar wel vol zou maken en daarna die vijf jaar ook wel. Nu zo is het gegaan, en tot mijn grote vreugde zie ik dat hij in de zaal zit, en ik wil hem vanaf deze plek nu eens een keer bedanken voor wat hij toen voor mij gedaan heeft. Zo ben ik op de HBS terecht gekomen. Natuurlijk wel een wat ander milieu, dan waaruit ik afkomstig was, maar gelukkig had ik nooit echt problemen omdat toch ook op de Parkschool al vriendjes en vriendinnetjes zaten voor wie het allemaal heel normaal was dat ze naar de HBS gingen en met hen heb ik een band gehouden, zodat op die manier mijn overgang misschien wel wat makkelijker is geworden. Ik heb mijn weg dan gelukkig ook wel weten te vinden.

Albert Jan Evenhuis maakte al melding van het feit dat ik inderdaad voorzitter van de leerlingenvereniging ben geworden, wat natuurlijk toch vrij uitzonderlijk was voor iemand van het Tuindorp. Wat die middelbare school vooral voor mij heeft betekend is dat ik daar echt bewust ben geworden van maatschappelijke ongelijkheid en onrechtvaardigheid. Mijn ouders moesten ploeteren en sabbelen, zoals wij dat zeiden. Mijn vader, gepensioneerd, trok van Drees, verdiende nog wat bij, liep met een busje van het Koningin Wilhelminafonds, de Kankerbestrijding,en was kaartjesverkoper bij Germanicus. Mijn moeder was werkster bij de leraren die ik had op school, op het nieuwe Tuindorp. Ikzelf moest altijd een zeven gemiddeld halen, dan waren de boeken vrij, en dan kreeg je een bijdrage uit het gemeentelijk studiefonds, f. 250,- per jaar was dat toen. Dus eigenlijk ben ik in die jaren in zekere zin ideologisch gevormd omdat ik altijd het gevoel heb overgehouden, hier klopt iets niet, hier deugt iets niet, dit is niet eerlijk, het is onrechtvaardig. Als men mij dan vraagt wat is die prikkel geweest die jou tot de politiek heeft gebracht, dan geloof ik , dat los van mijn eigen achtergrond, van mijn eigen milieu, dat dat aspect toch heel belangrijk is geweest.

Een van de laatste vragen die we voorgelegd kregen was: wat is nu de betekenis in negatieve zin en in positieve zin, wat zijn de voor-of nadelen van het opgroeien in een kleine perifere stad als Coevorden. Nou, ik waag me er niet aan, om op die vraag een antwoord te geven. Ik wil liever op een andere manier eindigen. Het werk van mij brengt me nogal eens in het buitenland, en daar betrap ik mezelf altijd op het feit dat ik vol trots over Coevorden praat en dat ik dan nooit kan nalaten om uit te leggen dat Coevorden in het Engels Oxford is. En als we nou allemaal weten welke grote intellectuele geesten Oxford heeft voortgebracht, dan weet u wat Coevorden voor mij betekent.
 

Speech van de heer dr. M.J. Faber, secretaris Interkerkelijk Vredesberaad.

Dames, heren,

Ik had mij voorgenomen om dit praatje in het Drents te doen, of eigenlijk nog liever in het Coevordens. Er is echter een probleem. Ik heb wat geoefend in de trein van Zwolle hier naar toe en daar bleek mij dat niemand begreep waar ik het over had. De enige gevolgen waren dat de trein twintig minuten vertraging had voordat ik hier was en dat ik op den duur ook zelf niet meer begreep waar ik eigenlijk over sprak. Dat betekent dat ik het toch maar doe in het Nederlands, met een oude Drentse tongval van weleer.

Coevorden, mijn jeugd. Ik heb ruim 18 jaar in Coevorden gewoond, van december 1940 af tot in 1959. Echter met een onderbreking van ongeveer een jaar. En dat was een onderbreking in het laatste oorlogsjaar. Coevorden had een NSB-burgemeester gekregen, en mij vader werkte hier op het gemeentehuis, vanaf 1936 tot aan zijn pensioen en dat was in 1972, 1974, en die vertikte het onder een NSB-burgemeester te werken en die hield er daarom mee op. Vervolgens meenden de Duitsers en NSB-ers dat het dan ook geen pas meer gaf dat wij in ons huis, van der Lelysingel 25, bleven wonen, dus dat we daar ook uit moesten. Mijn allereerste herinnering, ik was toen drie jaar oud denk ik stamt uit die tijd. Ik zie daar het beeld nog voor me dat ik samen met mijn moeder en mijn zusje en broertje, wij verschillen allemaal een jaar, ergens buiten Coevorden in Zwinderen op zoek waren naar onderdak. Bij boeren daar, om te kijken of ze ons konden hebben voordat we weer verder gingen. Dat is het allereerste beeld wat mij voor ogen staat van Coevorden.

Mijn vader zwierf her en der rond en deed allemaal dingen die de Duitsers niet aanstonden en hem zagen we dus haast niet in die tijd. Mijn tweede herinnering stamt van vlak na de bevrijding, ook hier in Coevorden. Dat heeft iets te maken met militaire wagens, met Canadezen, met wittebrood en met veel vreugde, maar ook nog met iets anders. Toen wij terugkwamen in ons eigen huis aan de Lelysingel misten er nogal wat dingen. Het was een jong gezin, er waren inmiddels vier kinderen, en er miste een kinderwagen, een ledikantje, en al dat soort dingen. Toen zei mijn moeder op een goede dag, kom we gaan onze spullen terughalen. Ze nam me aan de hand mee en dan gingen we langs huizen van NSB'ers, en dan zei ze: "kijk daar staat de wagen" dan haalden we de wagen terug. Zo kregen we onze spullen weer thuis. Het gekke is dat je dat nooit vergeet en dat je ook weet wie die mensen waren en waar ze woonden. Dat soort dingen dat houd je bij je. Goed, je noemt het nooit meer, maar je houd dat beeld bij je. Als ik nog ooit een keer in handen van een psychiater val dan zal hij zonder enige twijfel zeggen, Ja, dit is nu precies de reden waarom jij bij het IKV werkt. Die ervaring. Maar zover ben ik gelukkig nog niet.

Coevorden mijn jeugd. Eind jaren veertig, begin jaren vijftig. Alles was erg overzichtelijk toen. Ik kom uit wat genoemd wordt een goed gereformeerd gezin, we werden nageroepen op straat, "Cocksen" heetten we, Relus roept dat nog wel eens een keer als ik ergens een spreekbeurt heb in het land. Dan roept hij dat het van Hendrik de Cock is, veel meerkan hij er niet bij bedenken, maar dat geeft ook niet. Wij waren Cocks, het was een erenaam, hoe langer je hem droeg hoe mooier die werd. Je vader is ouderling, je ouders zitten beiden in het zangkoor van de kerk en 's zondags ga je twee keer ter kerke. De gereformeerde kerk aan de Van Heutszsingel, 's morgens om tien uur en 'smiddags om drie uur. Maar dan is het nog niet afgelopen, want 's middags om half vijf als de kerk dan uitkomt dan ga je met de leeftijdsgenootjes naar de knapenvereniging. Dat duurt van half vijf tot half 6 à 6 uur. Die knapenvereniging daar leer je spreekbeurten houden. Daar leer je dus vrij te spreken. Je moest het nu eens aan je kinderen vragen of ze zo'n dag zouden willen meemaken. 's Morgens naar de kerk, 's middags naar de kerk en dan nog naar de knapenvereniging. Maar je leerde wat, je leerde zonder enige twijfel een heleboel dingen die je later in je leven meenam. De enige onderbreking uit de kerkelijke gang die ik mij herinner van die jaren was dat mijn broertje en ik zondagsmiddags om drie uur in de kerk moesten zijn en we ervoor zorgden dat we precies om half 3 nog op de Pampert waren bij het veld van Germanicus. We konden dan net het eerste kwartier van de wedstrijd meemaken en daarna gingen we in looppas naar de kerk en kwamen net op tijd. Mijn vader was daar niet enthousiast over in die tijd.

Je zat op de gereformeerde lagere school, op de Paul Krugerschool, en je leerde wie dat was: Paul Kruger. Alleen leerde je niet over zwart en over blank en over racisme of over apartheid en je leerde ook over de boeren en Engelsen en de gevechten die daar toen gevoerd werden zo rond de eeuwwisseling. Het was echt een andere tijd. Zoals ik al zeg, alles stond op z'n plaats. Onze grootste vijanden, en dan praat ik even over onze gereformeerde lagere school, die zaten op de Rooms Katholieke school, over het spoor. Dat was ongeveer het ergste wat je je kon voorstellen. Daar maakte je dan ook plannen voor om daar tegen te gaan vechten. Voetballen was dan een aanleiding om elkaar echt eens een keer goed in de haren te vliegen. De rest was vrij neutraal. Je wist wat het was, de Parkschool, die was voor de heidenen, maar voor de heidenen van goeden doen, al hoorde ik net dat Relus er ook op heeft gezeten, en de Wilhelminaschool die was voor het proletariaat.

Daar kwam het Tuindorp, dat ging naar de Wilhelminaschool. Je deed je inkopen bij gereformeerde winkeliers, je schoenen kocht je bij Petstra, die in die jaren de hele stad begon te veroveren. Je kolen die kocht je bij Spijkman, dat was ook een gereformeerd iemand en je vlees kocht je in de Stationsstraat bij Dijkstra. Niet bij slager Schutte in de Kerkstraat, ofschoon die goedkoper was en bovendien twee jongens had, Freek en Egbert, die zeer goed konden voetballen. Dus je kocht eigenlijk veel liever daar. Alles stond op z'n plaats. De gereformeerde bevolkingsgroep rustte echt op een aantal hele sterke persoonlijkheden. Meester Heis, een naam die aan Coevorden verbonden is en jarenlang hoofd van de Paul Krugerschool was. Iedereen had ook bij hem in de klas gezeten, dus hij kende ook werkelijk alles van alle mensen.. Zeer betrouwbaar. De grossier Feijen, met z'n grossierbedrijf aan de haven was ook zo'n steunpilaar van de gereformeerden, en een naam in de raad, ASR, evenals Langemaat die fractieleider was in die tijd. Het waren figuren waar je op bouwde. Toch was je niet alleen maar gereformeerd in dit plaatsje: je was ook Coevordenaar.

Ik heb mij altijd verbonden gevoeld en de groep waarin je zat voelde zich ook verbonden met de opbouw van Coevorden na de 2e wereldoorlog. Een aantal jaren na de oorlog was er de enorme brand van de Vakschool. Wij woonden op de Lelysingel, maar mochten er niet eens naar kijken, we moesten allemaal naar de keuken toe. De vlammen schoten omhoog, een vuurzee was het. Het was zo rond de jaren vijftig en hiermee begon als het ware de druk om Coevorden op te bouwen. We zongen dat ook : "Coevorden bouwt op", er was een liedje van gemaakt, en iedereen zong het. Je wist wat je was en je wist waarheen je wilde. Je had op die leeftijd, ik bedoel als je zo rond de tien jaar bent, zekerheden nodig en die kreeg je in overvloed. Alles stond in zekere zin vast. Maar toch, ondanks al die zekerheden leefde je niet in een afgesloten wereld, een soort gereformeerd isolement. Dat was bepaald niet het geval. Mijn vader zat midden in het verenigingsleven, was hier op de gemeentesecretarie hoofd van de afdeling Financiën en Onderwijs en militaire zaken deed hij er geloof ik nog bij. Je hoorde en leerde nogal eens wat van hem maar er waren ook hele alledaagse redenen waarom je je niet in je eigen milieu op kon sluiten of je kon verliezen. Een alledaagse reden was bijvoorbeeld dit: De Lelysingel was een leefbare buurt. Ik weet niet hoe het nu is maar ik verglijk het wel eens met waar ik dan nu woon in Den Haag, waar je je buren niet kent. Nu, dat was op de Lelysingel volstrekt ondenkbaar. Wij woonden daar, en rechts van ons woonde Huisman, een leraar van de Christelijke HBS, een hele verlegen, maar buitengewoon integere en aardige man, waar je nogal eens wat wijsheid van op kon doen. Links van ons woonde, hij is al vaker genoemd vanmiddag, de heer Hemel, Rooms Katholiek, onze vijand nummer één maar alleraardigst en allervriendelijkst, altijd bereid tot een praatje en een bezoekje. Een man waar we ook altijd de grootste lol mee hadden omdat hij de h niet op de goede plaats kon zetten. Hij stelde zich altijd voor als Emel en sprak altijd de hengelen in de emel. En wij riepen hem dat dan na, en hij vond dat enig. Dat hoorde erbij. Je leefde ook niet in een gesloten milieu, ook al omdat je maar beperkte mogelijkheden had, in die tijd in Coevorden. Je was in zekere zin voorbestemd, je doorliep de lagere school, en dan ging je eigenlijk automatisch, als je kon leren, naar de ULO. Maar als je wat meer mogelijkheden had, zeker in die tijd, dan zou je eigenlijk naar de HBS moeten maar als gereformeerde ga je niet naar de Rijks HBS. Althans toendertijd deed je dat niet. Maar wat moet je dan, dan zit je een beetje vast. Ik was toen een van de eersten die een kans kreeg om naar Emmen te gaan, naar het Christelijk Lyceum, dat toen net was opgericht, en waarvan mijn vader curator was.

En dan zwerf je uit. Dan breekt de wereld open. Maar er waren nog andere dingen die ik speciaal hier wil benadrukken waarom Coevorden voor mij geen gesloten gemeenschap is. En waarom ik het belangrijk vindt om in Coevorden opgegroeid te zijn, daar mijn jeugd te hebben doorgebracht. Coevorden heeft namelijk geschiedenis, maar dat hoef je hier in dit gezelschap niet te zeggen. Maar je ziet het, de stad ademt geschiedenis. En ademde geschiedenis, ook in die tijd. Als je in het park liep dan kwam je Meindert van der Thijnen tegen, je hoorde daar ook op school van en je hoorde er thuis van: dat was dat verhaal met die biezen matten: geschiedenis uit de 17e eeuw. En je zag inderdaad dat bronzen beeld, dat kopstuk van Van Heutsz, en je vroeg je af, waarom staat dat hier. Er ontstond een situatie, vooral in de tijd dat de Nieuw Guinea-crisis speelde, dat hier scholieren van de Rijks HBS ( wij konden er dus niet aan meedoen) aan het protesteren waren tegen het feit dat dat beeld daar stond dat de geschiedenis oprakelde. Wat had Van Heutsz daar gedaan rond de eeuwwisseling? En je zat op de Paul Krugerschool, dus je kreeg een stuk geschiedenis mee want wat had die Paul Kruger nou met jou school te maken en met Coevorden? En je wist van het Alte Picardiekanaal. En je vroeg je dus af, wie is dat nou, die Picardt? De stad ademde geschiedenis en die was zichtbaar aanwezig. Ik denk dat dat een uitermate belangrijk iets is voor een levende stad, namelijk dat die haar geschiedenis zichtbaar maakt en verder draagt. En het tweede punt dat ik zou willen noemen dat van belang is, is dat Coevorden een stad op de grens is, een perifere stad, een randstad. En dat is van belang omdat je daarmee als het ware grenst aan twee werelden. Je hebt altijd het gevoel hier: buiten gebeurt wat. Je hoeft maar de Bentheimerstraat uit te gaan, de brug over, dan de Eendrachtstraat door: daarachter lag Duitsland. Het was je, althans in mijn geval, met de paplepel ingegoten dat de Duitsers uit die richting kwamen. Meester Heis had ze al gesignaleerd, samen met zijn zonen. Die was gaan vertellen: ze zijn hier, ze zijn in Coevorden. Ik kan me nog goed herinneren dat na de oorlog in de loop van de jaren 40 ik voor de eerste keer met mijn vader de grens over ging fietsen, Duitsland in, en dat dat een heel spannend gebeuren was. Dat die grens open was, want je had het gevoel: het is voorgoed gesloten daar. En je zag daar dat spoorlijntje liggen in de richting van Emlichheim, en aanvankelijk lag het verlaten. Er gebeurde niets, tot op een gegeven moment, ik weet niet meer wanneer het was, ik denk ergens begin van de jaren 50, toen dat spoorlijntje weer open ging. En iedereen vroeg zich af waarom. Aan de ene kant was het goed, de verbinding met de buitenwereld gaat open, en aan de andere kant dachten mensen ja, maar waarom is dat nou precies, wat wordt daar langs vervoerd en waarom is het nodig. En sommige fluisterden: het zal wel om militaire redenen zijn.

Je merkt nu dat Coevorden nog steeds een perifere stad is en vanuit Coevorden de relatie met het buitenland gezocht wordt, overigens ook in militaire zin. Ik kwam er met de trein langs, het is lang geleden dat ik in de trein zat, je komt van Gramsbergen naar Coevorden en je ziet dan het Navo-depot liggen. Dan denk ik, ja, het is perifeer. Daar liggen ze altijd, aan de grens, zodat ze snel vervoerd kunnen worden mocht het nodig zijn. Ik zou u eigenlijk nu iets willen meegeven, namelijk dat u zich met mij realiseert dat het een voorrecht is om in een perifere stad te wonen. Omdat dat een stad is die toevallig, nou ja toevallig, misschien helemaal niet toevallig, geschiedenis heeft. Als je aan de grens woont ben je een produkt van geschiedenis, je komt er snel mee in aanraking, die geschiedenis leeft, die kan dus ook je toekomst maken en je moet dat ook willen. Je ziet dat Coevorden een rol heeft op het gebied van de veiligheidspolitiek. Want er is hier lang gediscussieerd en ook in Den Haag lang gediscussieerd over Coevorden, moet het hier gebeuren, of moet het elders gebeuren. Nee, Coevorden was een plaats waar ook de Nederlanders veiligheid en de veiligheid van het Navo-bondgenootschap op een of andere manier tot uitdrukking gebracht moest worden via een opslagplaats. Vraag: Zal Coevorden ook een Vredesstad kunnen zijn? Het gaat toch om de veiligheid van velen. Onder vredesstad zou je bijvoorbeeld kunnen verstaan dat ook Coevorden initiatieven neemt zoals Nederland dat ook in de Europese Gemeenschap heeft gedaan.

Zou Coevorden ook de initiatieven kunnen nemen naar Oost-Europa? Om bijvoorbeeld met een stad uit Oost-Europa een vredesverbond aan te gaan zoals dat zoveel gebeurt. Mocht u daar interesse voor hebben, en ik zeg dat vooral in de richting van het gemeentebestuur: "Het IKV is altijd bereid om te adviseren". Ik wens Coevorden het allerbeste. Ik vind het een heerlijke stad en ik kom er graag. Als ik maar in de buurt ben dan rijd ik er altijd doorheen om even te kijken. Ik feliciteer de Picardtclub met z'n bestaan en het feit dat ze de geschiedenis van Coevorden in ere houdt. Leve Coevorden!
 

Coevorden- een dromerig stadje ontwaakt ! Door de heer H.D. Minderhoud, directeur Mindert van der Thijnenschool.

Een dromerig stadje, ja dat moet ongetewijfeld de indruk geweest zijn van bezoekers, die zo omstreeks 1950 Coevorden "aandeden". Een stadje, grijs van ouderdom, ingeklemd tussen grachten en wallen. In het zuidoosten aangeleund door de arbeiderswoningen van de Eendrachtwijk, in het westen, op enige afstand, door de eenvoudige huizen van Tuindorp, voor een gedeelte knus gegroepeerd rond het Rozenplein. In de stad zelf staan nog tal van bouwvallige krotten aan de achterstraten en stegen, waarvan sommige nog met "flinten" zijn geplaveid. Hier en daar tussen de burgerwoningen en winkels bevinden zich ook nog boerderijtjes in vol bedrijf met koeien op stal en varkens in 't hok.

De middenstand wordt voor het grootste deel gevormd door kleine winkeliers in bekrompen zaakjes met een hoge rechte toonbank en daarachter in rekken uitgestalde waren. Kruideniers, bakkers, slagers en groenteboeren brengen hun artikelen nog per fiets of met paard en wagen rond. Het warenhuis B.en H. (Bade en Huttinga) bestaat uit een sombere ruimte vol met hokkerige stellages. Moderne zaken vormen een uitzondering. Het onderwijs, toch één van de peilers van Coevordens bestaan, is gehuisvest in sterk verouderde gebouwen. Vooral het lager onderwijs is daar een voorbeeld van.

De Hervormde school huist in een gebouw uit 1880 en geeft ook nog onderdak aan de Chr. Lagere Landbouwschool, de Koniging Wilhelminaschool (1898) is een haveloos bouwwerk met uitgesleten trappenhuizen en toiletten, die direct vanuit de lokalen te bereiken zijn. De openbare Muloschool heeft de bovenverdieping in gebruik. De Paul Krugerschool uit 1903, de Willibrordusschool uit 1907 en de Parkschool uit 1916 zijn ook niet bepaald wonderen van moderne bouwkunst. De Technische school tenslotte moet het doen met een witgeschilderd barakkencomplex aan de Van der Lelysingel.

En dan de industrie! De strokartonfabriek "Hollandia", de zuivelfabriek, de aardappelmeelfabriek, de D.O.H. en de scheepswerf "De Klop" zijn de enige bedrijven, die voor werkgelegenheid zorgen. Zij zijn niet in staat om de groei van de beroepsbevolking op te vangen en hierdoor ontstaat de trek van fabrieksarbeiders naar het westen, waar werk in overvloed is. Veel jonge mensen verlaten de stad en nemen niet alleen hun werkkracht maar ook hun idealisme mee. Coevorden slaapt door en roest vast in de gevestigde verhoudingen tussen langs elkaar heen levende groeperingen. Daar zijn de gereformeerden: één blok calvinistisch denken met strenge leefregels en een sterk zelfbewustzijn. De katholieken, die daar niet voor onder doen: het "rijke Roomsche leven" doet een gesloten gemeenschap ontstaan, die zich koestert in de eigen alleen zaligmakende verbondenheid. De hervormden, verdeeld in vrijzinnigen en rechtzinnigen, op weg naar eenheid: twee groepen die elkaar intern kerkelijke macht en invloed betwisten, maar die zich naar buiten toch voor alles hervormd voelen. De onkerkelijken: niet gebonden door een gemeenschappelijke overtuiging, maar wel door een gemeenschappelijke afkeer van kerkelijke "betweterij en hovaardij". Vreemde situaties doen zich voor. Katholieken, gereformeerden en hervormden kopen alleen bij geloofsgenoten en zeker niet bij onkerkelijken. De hervormde predikant wordt bediend door drie hervormde melkhandelaren, de katholieke boer laat zijn paarden uitsluitend beslaan bij de katholieke hoefsmid en de gereformeerd zakenman rijdt in een auto, geleverd door "zijn" gereformeerde dealer.

Natuurlijk heeft ieder ook zijn eigen school. De gereformeerden de Paul Krugerschool, de katholieken de Sint Willibrordusschool en de rechtzinning-hervormden de Hervormde school. De vrijzinning-hervormden en de onkerkelijken sturen hun kinderen vanzelfsprekend naar de beide openbare scholen. Elke groep heeft ook zijn eigen verenigingen en bepaald niet alleen op levenbeschouwelijk terrein. Zo bestaan er bijvoorbeeld drie middenstandsverenigingen: de Algemene, de Christelijke en de Rooms-Katholieke. Ze werken wel samen, als het nodig is, maar elk vanuit het eigen, veilige nest.

Ook in de politiek liggen de verhoudingen muurvast. Katholieken stemmen op de K.V.P, gereformeerden op de A.R.P., rechtzinnig-hervormden op de C.H.U. en de overigen op de PvdA of de VVD. Zo droomt Coevorden door, economisch steeds verder aftakelend en onderling hopeloos verdeeld. Maar.... in 1951 bestaat er plotseling hoop, dat het stadje zal ontwaken ! De regering heeft plannen het leeglopende noorden krachtig te gaan ondersteunen. Als in dit jaar noodlijdende gemeenten worden aangwezen als ontwikkelingskern, is Coevorden daar echter niet bij. Hardenberg, Hoogeveen en Emmen wel en dat zijn juist de plaatsen die door hun ligging sterk met onze eigen stad kunnen concurreren.

Coevorden droomt verder. Nee, toch niet ! Dank zij de onvermoeide inspanning van burgemeester Feith krijgt de stad toch een primeur. Het sportcomplex "De Pampert" kan worden aangelegd. Er wordt een sporthal gebouwd, de burgemeester Feithhal, een wonder van sportweelde voor de zuidoosthoek van Drenthe. Er komt een modern zwembad bij. Twee bejaardencentra: De Schutse en Sint-Franciscus, verrijzen en de Europaweg via Schoonebeek naar de Duitse grens wordt aangelegd. Ook de Stichting "De Eendracht", de woningbouwcorporatie, zit niet stil. Waren er in 1946 al 30 bungalows in de Oranjewijk neergezet, in de jaren 1951 en 1952 ontstaat er een nieuwe wijk: 154 witte huizen van Tuindorp-Oost, waar veel leraren en ambtenaren een voor die tijd geriefelijke woning kunnen betrekken. In 1953 wordt begonnen met de Binnenvree -hier komen zelfs flats-, een tot nog toe ongekende bouwwijze voor Coevorden. Nu kunnen bouwvallige huizen en stulpjes in de stad ontruimd worden. Toch blijven nog heel wat onbewoonbaar verklaarde woningen onverklaarbaar bewoond!

Coevorden wordt langzaam wakker, maar het grote ontwaken komt pas in 1959. Dan wordt het regionaal industriebeleid herzien en krijgt ook onze stad speciale voorzieningen. Bij de vestiging van een nieuw bedrijf worden premies beschikbaar gesteld en de kosten van de bouwgrond voor nieuwe industrieën worden verlaagd. De nieuw benoemde burgemeester drs. P.A. Wolters zet er energiek zijn schouders onder. In de jaren 1959 en 1960 vestigen maar liefst negen nieuwe bedrijven zich in Coevorden. De trek van arbeidskrachten naar het westen stokt en het omgekeerde vindt nu plaats. Tal van westerlingen vestigen zich en maken het Coevorder bevolkingspatroon aanmerkelijk gevarieerder. Coevorden is wakker geworden! Het inwonertal stijgt met sprongen: in 1961 zelfs tot 10.000 en de groei zal verder gaan. Nieuwe woningen zijn nodig en de wijken Poppenhare en Lootuinen worden volgebouwd. Het leerlingenaantal van de lagere scholen groeit navenant en er moeten nieuwe scholen komen. De Parkschool, de Wilhelminaschool, de Mijndert van der Thijnenschool en de Panta Rheischool openen in de zestiger jaren. Ook het voortgezet onderwijs blijft niet achter. De Christelijke Landbouwschool en de Rooms Katholieke Landbouwhuishoudschool betrekken al in 1954 een nieuw gebouw, de Rooms Katholieke U.L.O in 1965. De toestromende nieuwe inwoners en de zich voortdurend wijzigende opvattingen bewerken langzamerhand een doorbraak in het vastgeroeste levenspatroon. Niet langer is de kerkelijk, sociale of politieke kleur doorslaggevend voor de omgang met anderen. Niet langer overheersen nestwarmte en hokjesgeest. De kerken zoeken aarzelend samenwerking, in het onderwijs vinden hervormden, gereformeerden en katholieken elkaar, in de politiek gaan de drie Christelijke partijen op in het C.D.A. De drie middenstandsverenigingen sluiten zich aaneen tot de Coevorder Handelsvereniging, tal van instellingen en organisaties krijgen een algemeen karakter.

Coevorden is ontwaakt en het is nog steed klaarwakker. Veel is er weer veranderd, maar wie nu de stad bekijkt, haar winkels, haar markt, haar scholen, haar bedrijven en haar uitbreidingswijken zal het met mij eens zijn, dat deze conclusie juist is. Juist nu, nu onze Ganzenmarkt haar vijfentwintigste manifestatie beleeft en wij hier in dit prachtige kasteel bijeen zijn, blijkt opnieuw dat Coevorden getrouw is aan haar wapenspreuk: Vele gevaren (ook die in een tijd van economische stilstand of achteruitgang) kwam ik te boven!