Christiaan Mensingh, een Coevorder schulte uit Picardt's tijd

Picardtreeks nr. 2 door N. Kuik

Als wij spreken over de geschiedenis van Coevorden, zijn er zoveel hoogtepunten dat doorgaans weinig aandacht wordt besteed aan de schulte of andere plaatselijke autoriteiten, die immers op het grote gebeuren geen invloed hadden.
Toch hebben door de eeuwen heen, velen van hen beste krachten voor het welzijn van de bevolking gegeven, en daarom verdienen ook zij onze belangstelling.

De in 1617 geboren Christiaan Mensingh, zoon van de Zweeler pastoor en pachter Ludolphus Mensingh, was omstreeks het midden van de 17e eeuw gedurende drie jaar schulte van Coevorden en Schoonebeek.
Hoewel er uit die korte periode niet veel over hem in de archieven is te vinden, heb ik getracht voldoende gegevens te verzamelen voor een overzicht van enkele gebeurtenissen uit zijn leven.
Zijn vader, Ludolphus Mensingh (ca. 1565 geboren), was in 1588 en 1589 sacrista of koster-priester te Westerbork en vestigde zich in 1590 te Zweeloo. Hij werd de laatste pastoor aldaar.
Na in 1598 uit zijn functie te zijn ontheven, bleef hij als eigenerfde in Zweeloo wonen, huwde met een dochter van Geert Jurgens Kremer en was werkzaam als schatbeurder en pachter.

In 1635 ging hun zoon Christiaan met een studietoelage van de Drense overheid, studeren aan de Hogeschool te Groningen.
De overheidssteun aan studenten werd in 1623 definitief geregeld, maar de 500 gulden per jaar die hiervoor ter beschikking werd gesteld, was lang niet voldoende om alle gegadigden een toelage te verstrekken.
Bij de beoordeling door Drost en Gedeputeerden, die moesten uitmaken aan wie het geld het best besteed was, zal de vooropleiding van doorslaggevende betekenis zijn geweest.
Want wat dat betreft had Christiaan natuurlijk een grote steun aan zijn vader, die hem misschien thuis heeft opgeleid.
Het is ook mogelijk dat hij, nà de dorpsschool in zijn woonplaats Zweeloo, in Coevorden naar de Latijnse school ging.

Na zijn studie in Groningen keerde hij omstreeks 1640 weer terug naar Zweeloo, trouwde met Aaltje Winolts en trad in de nu volgende periode meerdere malen op als volmacht voor zijn broer Geert (of diens weduwe Grietje Oosteraltinge) en voor de marktgenoten van Zweeloo.

Eind 1656 of begin 1657 volgde hij Timen ten Broeke op als schulte van Coevorden, de woonplaats van Johan Picardt.
Schulte Mensingh zal de bekende predikant ongetwijfeld goed hebben gekend, hoewel mij niet is gebleken dat zij met elkaar in contact stonden. Het was in die tijd betrekkelijk rustig in de stad en men voelde zich veilig binnen de sterke vesting, die sinds 1607 – na voltooing van de vestingwerken – onneembaar werd geacht.
Toch had de schulte geen gemakkelijke taak, want de samenwerking met het stadsbestuur was in het algemeen niet zo best en er waren geregeld moeilijkheden.
Ook Mensingh kreeg hiermee te maken, en éénmaal zelfs tijdens zijn ambtsperiode liep een conflict met het stadsbestuur over zijn bevoegdheid tot de rechtspraak zo hoog op, dat Drost Rutger van den Boetzelaar zich ermee moest bemoeien. De aanleiding hiertoe was een geschil tussen twee inwoonsters, waarin Christiaan zich teveel rechterlijk gezag aanmatigde. Het stadsbestuur nam tegenmaatregelen, die echter verkeerd uitpakten en de hele stad in rep en roer deed geraken. Er ontstond opschudding onder burgerij en militairen, en het bestuur, in de vaste overtuiging het gelijk aan hun kant te hebben, schreef over wat was voorgevallen aan de Drost op huize Batinge bij Dwingeloo.
Heer Drost was zeer ontstemd en schreef op 8 januari 1659 terug dat hij als opperhoofd van de justitie deze zaak zelf welde behandelen en dat de excessen door Mensingh begaan, waartegen hij zeker zou optreden, nog geen reden waren om eigendunkelijk deze vreemde, ongehoorde en ongewone dingen te doen, waardoor de verstandhouding er alleen maar slechter op werd. Hij zou zelf naar Coevorden gaan om de zaak recht te zetten en intussen moesten de heren ervoor zorgen dat de rust in de stad zou terugkeren.
Overigens was het niet zijn bedoeling om hen te benadelen. Integendeel. Had hij niet alles gedaan om de stadsrechten van Coevorden te vermeerderen? Deze plannen waren echter door enig misverstand mislukt.

De schulte was verder nog secretaris van het stadsbestuur; en uit het volgende blijkt wat zijn werkzaamheden als hoofd van de politie o.a. inhielden.’
In augustus 1659 werden vier gevangenen door enkele buren uit Diever, van die plaats naar Coevorden gebracht en aan Mensingh overgeleverd, die ze op zijn beurt door de cipier liet opsluiten. De buren en ook de voerlieden, die de boevenwagen hadden gereden, werden beloond en de scherprechter visiteerde de gevangenen. 
De vier wisten echter te ontsnappen, en Christiaan stuurde tweemaal een bode naar de landschrijver te Anloo, om deze in plaats van de Drost die op reis was, over dit voorval te informeren. Met medewerking van de eveneens ingeschakelde hoofdwacht van Coevorden lukte het om de vluchters weer te pakken, waarbij er één aan een been werd gewond. Opnieuw werd een bode gezonden, nu naar de Drost op huize Batinge, die inmiddels was teruggekeerd, en Christiaan kreeg de opdracht om de gevangenen te verhoren en dagelijks te visiteren, wat hij gedurende acht à negen weken deed. Tenslotte werden ze nog in zijn aanwezigheid gegeseld. Voor zijn salaris en verdere gerechtskosten betreffende deze zaak, diende hij een declaratie in van 90 gulden, die hem door de rentmeester van Assen werd uitbetaald.

Het einde van zijn korte loopbaan volgt nu spoedig. Christiaan werd zo ernstig ziek dat hij zijn werk niet meer kon doen, en er moest een nieuwe schulte worden aangesteld. Waarschijnlijk was niemand beschikbaar, want het schultambt van Coevorden werd vanaf 17 januari 1660 tijdelijk door de schulte van Emmen waargenomen, die het daarmee erg druk had, omdat hij steeds tussen Emmen, Coevorden en Schoonebeek heen en weer moest rijden, wat toen veel tijd vergde. In een brief van 15 februari had Stadhouder Prins Willem Hendrik er bij Ridderschap en Eigenerfden van Drenthe op aangedrongen, de oudste zoon van wijlen Richard Ketel te Diever, een betrekking te bezorgen.
Ridderschap en Eigenerfden schreven de Stadhouder terug, dat er weinig kans was op verbetering in de toestand van Christiaan Mensingh en dat daardoor het schuldambt van Coevorden vacant was. Zij hadden daarom op de Landdag te Assen van 28 februari, in overleg met de betrokken personen en met goedkeuring van de Drost, besloten dat Roelof Camerling die inmiddels voor het schultambt van Diever was aangewezen, in plaats daarvan Christiaan Mensingh zou opvolgen, zodat Pierre Ketel de plaats van Camerling te Diever kon innemen als hij daarvoor oud genoeg was. Camerling betaalde een vergoeding van 2000 gulden aan Mensingh, die ook nog een jaarlijkse toelage kreeg van de Landschap gedurende de rest van zijn leven.

Christiaan en zijn vrouw, die geen kinderen hadden, verkochten hun erf te Zweeloo en verhuisden naar Meppel, waar zij gingen wonen in de Kruisstraat.
Hij overleed vóór 1665, en over de erfenis werden nog bijna 20 jaar processen gevoerd door zijn weduwe en de weduwe van zijn broer Geert.

Het hier behandelde onderwerp is voor de historie van de oude vestingstad Coevorden niet zo belangrijk, maar het kan er misschien wel toe bijdragen om de figuur van de schulte wat beter te leren kennen.

N. Kuik.