1. Het laat Paleolithicum

Het laat-Paleolithicum kan worden onderverdeeld in verschillende culturen: de Hamburg- en de Tjongercultuur, waarbij opgemerkt kan worden dat de Tjongercultuur wel gezien wordt als een overgangscultuur naar het Mesolithicum. Van geen van de laat paleolithische culturen kan eenduidig gezegd worden dat ze in de omgeving van Coevorden aangetroffen zijn. Wel moeten een aantal artefacten op typologische gronden tot het laat Paleolithicum worden gerekend, zodat we kunnen stellen dat van laat-paleolithische bewoning in Coevorden sprake is geweest zonder hierin een verder differentiatie aan te geven.Hopelijk brengen vondsten in de toekomst nog eens klaarheid in het vraagstuk om welke laat-paleolithische culturen het in Coevorden gaat. De laat-paleolithische artefactengemeenschappen kenmerken zich veelal door het voorkomen van lange smalle klingen, van klingen gemaakte spitsen, klingenschrabbers en krombekstekers, alle afgestemd op een (rendier)jacht-economie.

In het laat- Paleolithicum zien we dat het menselijk bestaan geheel bepaald werd door het natuurlijk milieu, dat op zijn beurt werd bepaald door het toen heersende klimaat. Daarvoor moeten we ons verplaatsen naar het einde van de laatste ijstijd, toen de hier aanwezige ijskappen afsmolten en als ware steeds verder naar het noorden kwamen te liggen. In ons land hadden we toen te maken met een zogenaamd toendra-klimaat, waardoor de vegetatie niet bepaald overdadig was, maar bestond uit de vooral uit kruiden bestaande toendra-begroeiing. De mens moest zodoende gebruik maken van een weinig gedifferentieerde omgeving, waardoor ook de economie dus gespecialiseerd was.

Deze gespecialiseerde levenswijze zien we in de vorm van rendierjacht waaraan de laat-paleolithische mens vaak zijn naam rendierjager ontleend. Vermoedelijk waren op de toendravlakten ook nog wel andere voedselbronnen aanwezig, maar het rendier blijft alles overheersend in de economie van de laat-paleolithische mens. Het leverde hem huiden voor kleding en onderdak, vlees als voedsel, been en gewei voor het maken van werktuigen etcetera. We zien dan ook elders dat het aantal voorwerpen vervaardigd uit rendiergewei talrijk wordt.

In Nederland kunnen we daarvan door de fysische omstandigheden weinig meer aantreffen, wel zijn de op rendierjacht afgestemde vuurstenen artefacten kenmerkend (zie hiervoor). De behuizing van de laat-paleolithische mensen bestond hier te lande vermoedelijk uit tenten waarvan elders duidelijke standsporen zijn teruggevonden, waarop onderstaande tekening is gebaseerd.

Aanvankelijk waren de winters direct na de ijstijd nog zeer koud. De rendieren, die zich zomers nabij de ijsrand konden ophouden, trokken ’s winters naar het zuiden. De mens was sterk afhankelijk van deze rendieren en volgde ze op hun trek als gevolg waarvan men zomer- en winterkampen kende. Deze zomer- en winterkampen lagen respectievelijk in Noord-Duitsland en Noord-Nederland. Over de sociale structuur van deze mensen kan eigenlijk weinig met zekerheid worden gezegd. Leefde men in familieverband of vormde men bijvoorbeeld grotere groepen om in de levensbehoefte te kunnen voorzien? Evenals van de sociale structuur kan ook van het religieuze leven weinig worden gezegd. Vooral in een land als Nederland zijn weinig zaken bekend die licht werpen op dit aspekt. Elders heeft men bepaalde kunstuitingen in verband gebracht met een geloof in bovennatuurlijke geheimzinnige machten die de gedragingen van de mens mee hebben beïnvloed, maar zekerheden krijgen we hierover misschien nooit.