Lezing van Dr. J.G.N. Renaud over de geschiedenis van het Kasteel

Lezing van Dr. J.G.N. Renaud van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB, archeologie) te Amersfoort van 6 mei 1968 in Hotel de Sleeuwerik te Coevorden over de geschiedenis van het Kasteel Coevorden en de archeologische wetenschappelijke opgravingen aldaar verricht in 1958 en 1968. 

Uit het gemeentearchief
(bewerkt door H.J. Mepschen september 2008)

Inleiding burgemeester Wolters:

Dames en heren,Het verheugt ons bijzonder het gemeentebestuur van Coevorden, dat u in zo’n grote getale bent gekomen om vanavond met ons te luisteren naar de inleiding van meneer Renaud.

Die vreugde is des te groter waar u zo komt uit verscheidene kring zowel vertegenwoordigers van Rijksinstanties, van provinciale instanties, als ook mensen uit de gemeentelijke kring van onze eigen gemeente, van de genabuurde gemeenten en zelfs uit Emlichheim en ook inwoners van onze gemeente.

Wij hadden gaarne nog in wat ruimere mate bekendheid gegeven aan deze avond maar de zaalaccommodatie in Coevorden was helaas van dien aard dat we de bekendheid in Coevorden in zeer beperkte kring hebben gehouden. U ziet het, de zaal is nagenoeg vol en wij zijn daarover, ik heb het u dat reeds gezegd, verheugd.

Bijzonder verheugd ook, meneer de Commissaris van de Koningin, dat u met een tweetal gedeputeerden hier vanavond aanwezig bent om ook met ons te luisteren naar datgene dat meneer Renaud ons te vertellen heeft.

Het was op het eind van de vijftiger jaren dat hier een bodemkundig onderzoek, een oudheidkundig onderzoek is verricht onder leiding van de heer Renaud rond het Kasteel van Coevorden.

En in die jaren heeft meneer Renaud toegezegd dat hij voor een gezelschap genodigden wel eens een inleiding zou willen houden over datgene wat hij ervaren heeft en over datgene wat er rond deze geschiedenis van het Kasteel van Coevorden zou zijn te vertellen.

Een van onze ambtenaren toen reeds in dienst van de gemeente heeft mij dit vanavond nog medegedeeld en gezegd de tijd heeft gewerkt ten voordele van de heer Renaud.

Dat kun je niet altijd zeggen, maar in dit geval is het toch wel zo. Wat actueler nog dan in 1958 is op het ogenblik in 1968 de situatie van de restauratie van het Kasteel van Coevorden.

U weet het, wij hebben in verband met de hoge werkeloosheid in deze gebieden een bijdrage, een toezegging voor een bijdrage, van een forse bijdrage mag ik wel zeggen, ontvangen voor de werkzaamheden van de restauratie van dit Kasteel.

En wij zijn ook alreeds met de eerste voorbereidingen van die restauratie namelijk het conserveren van datgene wat er nog is door een omheining om het geheel aan te brengen, zijn wij begonnen.

Het plan, onder leiding van meneer Janssen, de opvolger van meneer Helbers, is gereedgemaakt en ingediend bij de Rijksdienst voor Monumentenzorg.Wij verwachten dat het spoedig behandeld zal worden wij verwachten ook dat er een spoedige uitspraak zal komen over het subsidiebedrag van Monumentenzorg.

Daarbij is één onzekerheid, namelijk het moment waarop dit subsidiebedrag zal kunnen worden uitbetaald. Daarnaast hopen en verwachten wij ook dat het Provinciaal bestuur dus van zijn waardering voor restauratieplannen in deze Provincie waarvan het reeds zo vaak heeft getuigd ook bij deze aanvrage van Coevorden in die zin zal willen getuigen.

En tenslotte hopen wij dat de gemeentefinanciën, meneer Londel, in die tijd zodanig zullen zijn dat de sanering gunstig heeft gewerkt en dat als wij geen 100% subsidie in de bouwkosten de restauratiekosten krijgen en nog iets over zal schieten in onze begroting voor het resterende deel en voor de inrichting van het Kasteel.

Wij kijken daarbij vooruit, wij nemen de tijd niet al té krap, maar wij verwachten en wij vertrouwen toch dat in 1972 als het 300 jaar geleden zal zijn dat Coevorden ontzet is door Rabenhaupt in de strijd met de bisschop van Munster dat het dan zo zal zijn dat wij deze viering van dit ontzet hopelijk in samenwerking met de stad Groningen en de stad Munster ook in Coevorden op een passende wijze in ons gerestaureerde Kasteel kunnen vieren.

Meneer Renaud, wij zijn bijzonder verheugd dat u, zij het enigszins vertraagd, maar daarom dus juist op een goed geschikt moment naar Coevorden bent gekomen. Ik heet u in de eerste plaats van harte welkom dat had ik al vergeten maar in de tweede plaats wil ik u graag de gelegenheid geven de voordracht voor ons te houden. Ik heb van u begrepen dat u dat in twee delen wilt doen, eerst een voordracht als zodanig, dan een korte pauze, en daarna wilt u wat dia’s vertonen.

Voor het tweede deel zal het zo zijn, dat we vermoedelijk een enigszins andere opstelling moeten hebben van de tafel hier in het centrum maar dat zullen we dus in de pauze arrangeren.

Dames en heren, ik wens u allemaal een genoeglijke en leerzame avond en ik hoop dat de coserie van meneer Renaud er mede mag toe bijdragen dat wij vlot verder kunnen en mogen werken en dat het in de brede belangstelling van velen staat, de restauratie van het Kasteel van Coevorden. Meneer Renaud, mag ik u het woord geven.

De heer Renaud:

Dames en heren, dit vertrouwde manuaal van de man die zijn bril opzet betekent niet dat ik van plan ben om u hier een van tevoren geprepareerd relaas te leveren, dat is namelijk nooit mijn gewoonte maar om het doodeenvoudige feit dat de geschiedenis van Coevorden zoveel memorabele data telt, heb ik me genoodzaakt gezien om een enkel spiekbriefje klaar te maken, waar ik dus een enkele datum, een enkele naam op genoteerd heb, die ik beslist niet vergeten mag wanneer ik u over het verleden van Coevorden en van het gewest Drenthe ga spreken.

U weet dat de opvoering van een opera het begin is geweest, de aanleiding is geweest voor een enorme opstand die ons de samenleving met onze zuidelijke broeders gekost heeft. Ik hoop niet dat het in herinnering brengen van de Slag bij Ane, ik kan daar natuurlijk niet aan voorbij gaan, en zeker niet op deze plaats, dat het in herinnering brengen van de Slag bij Ane, een gevolg is dat hier in een Drentse schuur een beweging begint die de afscheiding met uw zuidelijke broeders met ten gevolge zou kunnen hebben.

Desalniettemin, wij moeten daarover spreken, wanneer het moment gekomen is dan zal ik ook over die Slag bij Ane u enige bijzonderheden vertellen die uit het historisch onderzoek naar voren zijn gekomen.

Pagus Drenthe

Maar in de allereerste plaats moet ik u iets vertellen over Drenthe, over het gewest Drenthe, over de plaats die Coevorden daar in bekleedt. Want u weet het, u weet het waarschijnlijk wel, Coevorden en Drenthe zijn onverbrekelijk aan elkaar verbonden. Hoe lang, dat is moeilijk te zeggen, het is daarom zo moeilijk te zeggen omdat het oorkondemateriaal, het werkelijke betrouwbare historische materiaal, toch zo bijzonder mager is.

U weet waarschijnlijk, dat de Gouw Drenthe, de Pagus Drenthe zoals het in de oude Latijnse oorkonden heet, voor het eerst genoemd wordt in 940 na Chr.Dat is vrij vroeg, dat is dus al in de nadagen van het Carolingische Rijk. Om u een kapstok te geven, u herinnert zich allemaal natuurlijk Karel de Grote, 768-814, u kent allemaal dat prachtige jaartal 800 na Chr. dat zich zo gemakkelijk laat onthouden wordt hij tot keizer gekroond in Rome u weet natuurlijk van de woelingen na Karel de Grote, over de moeilijkheden die zijn zoon Lodewijk de Vrome ondervond ook de delingen van het grote Carolingische Rijk.

Dan valt daarbij te noteren dat bij die delingen het gedeelte van het Rijk dat wij op het ogenblik Nederland noemen en nog wat erbij en nog wat erom dat dat toen tot de middenstrook ging behoren eerst tot de westelijke strook later tot de middenstrook en dat deze gewesten onder de heerschappij kwamen van de hertog van Neder-Lotharingen.

En dit moet u even vasthouden, die hertog van Neder-Lotharingen, die dus voor ons gevoel dus een heel eind weg zit, en weg zat, die hertog van Lotharingen die had toch wel een lange arm zoals het gerecht nou eenmaal pleegt te hebben en zijn regering de ambtenaren, hij had ook al ambtenaren, dat is een noodzakelijk kwaad door de eeuwen heen gebleken, die ambtenaren die kwamen zelfs hier om de pachten te innen, om de hem toekomende tijnzen in de zak te steken.

Dat was dus in het midden van de 10e. eeuw. Nu gaat er iets merkwaardigs gebeuren. Deze landen komen onder de hoogheid onder de overheid van het Duitse Rijk, de Duitse keizer, of de Roomse Koning, u weet het verschil daartussen, hoop ik, nietwaar? Een Rooms Koning is hij die nog niet naar Rome is geweest om zich tot Keizer te laten kronen en te laten zalven en keizer is hij die die Römer Zug naar Rome volbracht heeft. De grote Duitse heerbaas van deze gewesten heeft op een gegeven moment naar pogingen rondgezien, naar middelen omgezien, om de macht die hij noodzakelijkerwijze ook wel aan zijn ambtenaren moest overlaten, die macht toch in goede handen te brengen. En dan krijgen we een mooi stukje regeringspolitiek, wat doet namelijk die Duitse Keizer, die gaat steun zoeken, niet bij zijn hertogen, bij zijn graven, bij zijn grote territoriale heren, die allemaal zo hun eigen bedoelinkjes, en eigen verlangens, hun eigen belangen ook hebben, hij gaat die steun zoeken bij zijn geestelijke machthebbers, bij zijn bisschoppen, bij zijn aartsbisschoppen. Wat deze gewesten betreft, zien we dat de Keizer van het Duitse Rijk, ik mag niet zeggen van Duitsland, maar de Keizer van het Duitse Rijk, zijn steunpunt gaat zoeken in de bisschop van Utrecht. En dat heeft merkwaardige gevolgen. 

Dat heeft tot gevolg dat die bisschop van Utrecht, die dus eigenlijk een geestelijk heer is, die dus kerkelijke macht heeft, dat die bisschop van Utrecht, zijn macht ziet uitgebreid met een stuk wereldlijke macht. En dan zal het u niet verbazen, dat zo’n bisschop van Utrecht toch een gegeven moment, niet alleen optreed als wereldlijk heer, maar dat zo’n bisschop van Utrecht ook bekleed wordt vanwege de Keizer met wereldlijke macht. En zo gevalt het dat in 1046 en dan zijn wel dus al weer een tijdje, een goede honderd jaar later, schenkt de keizer van het Duitse Rijk aan de bisschop van Utrecht, het was toen Bernoldus, aan de bisschop van Utrecht, de graafschaprechten in de gouw Threnthe, Drenthe. Dat is de tweede, derde, vierde keer, dat weet ik ook niet precies hoor, u hoeft het trouwens ook niet te weten, maar dat is dan ik meende de vierde keer in successie, dat de gouw Drenthe met name genoemd wordt. Dat in de oorkonde die naam Drenthe weer verschijnt in 1046, houdt u dit jaartal even vast, 1046. Nu krijgt dus die Utrechtse bisschop die in Utrecht resideert, die ten dele in verband met het noorden van het gevaar ook nog wel in Deventer heeft geresideerd, dan krijgt die Utrechtse bisschop dus de graafschaprechten over de gouw Drenthe. Het kan misschien uw eigen gevoel strelen daar hoorde niet alleen bij het huidige Drenthe, daar hoorde eigenlijk ook nog de stad Groningen bij. Dat weten we door een oorkonde van 1040 waarin gesproken wordt over de villa Groningen. Villa dat is niet het hedendaagse begrip villa natuurlijk maar wil meer zeggen een conglomeratie van boerderijen. In 1040 wordt er gesproken over de Villa Groningen die in de gouw Drenthe ligt. Jammer voor de Groningers maar het is niet anders. Groningen behoorde toen bij Drenthe. Dat was dus 1040 en dat was dus 1046. 

Versterkingsrechten, nu gaan wij ons afvragen wat heeft dit voor gevolgen voor Coevorden. Het is namelijk zo, dat die graafschaprechten, die rechten van een graaf, die omvatte heel wat. Die kunnen en dat is ook met name genoemd die kunnen omvatten het recht om munt te slaan, het recht om tol te heffen, het recht om allerlei soorten van belastingen te heffen, het recht op de wind, het recht op de jacht, dat had eigenlijk die Utrechtse bisschop al lang, dat recht op de jacht, de wildbande zogenaamd, maar dat recht kan ook omvatten en dat is verband met Coevorden belangrijk, dat recht kan ook omvatten het recht om een versterking te bouwen, nu moet het hoge woord eruit, dat recht om een versterking te bouwen rekenen we, moeten we rekenen volgens onze historische bronnen tot één van de koningsrechten, tot één van de regalia. U moet daar niet te licht over denken. Dat recht om een versterking te bouwen. Dat recht om een versterking te bouwen berust eigenlijk nu nog uitsluitend bij de staat. U zou echt wel een beetje last krijgen wanneer u in uw tuintje, al was het zelfs ook maar uw achtertuintje, een eigen privé-bunkertje zou gaan bouwen. Wanneer u daar een schuilkeldertje bouwt dan vindt men dat binnen het kader van de B.B. natuurlijk loffelijk, daar zult u niets geen last mee hebben, maar wanneer u daar een privé-versterkinkje gaat bouwen met mitrailleurnesten en alles wat daar tegenwoordig bij hoort dan krijgt u daar wel moeite mee. Want de Staat stelt zich op het standpunt, ook nu nog, dat het verdedigen van de belangen in het leven van de inwoners van de Staat, van diegenen die tot de Staat behoren, dat dat ook uit plicht van de Staat is maar uitsluitend van de Staat. Niet van de Provincies, meneer de Commissaris, niet van de gemeenten, meneer de burgemeester en zeker niet van het individu maar het recht en de plicht van de Staat. En zo was dat eigenlijk vroeger ook. Dat is een hele geschiedenis die daaraan vast zit, dat is een stuk rechtsgeschiedenis, dat ik u vanavond besparen wil, dat mijn studenten vlijtig moeten aanhoren en herkauwen, maar ik wil daar vanavond niet verder op in gaan. Ik wil alleen even constateren dat dit recht bestond en dat dit recht een grote rol gespeeld heeft bij het bouwen van versterkingen. Ik moet het zo uitdrukkelijk zeggen omdat verschillende schrijvers over kastelen, over versterkingen, de kasteelbouw in de Nederlanden, eigenlijk alleen maar zonder meer hebben aangenomen dat dat recht niet bestond, dat dat recht niet uitgeoefend werd, dat geen effectief recht was, dat de bouwers van kastelen zich daar niets van hadden aan te trekken. Daar hadden ze zich wel degelijk iets van aan te trekken, en hoe meer men zich in die materie verdiept, hoe meer men daar werkelijk op studeert, hoe meer men het oude oorkonden-materiaal uit de twaalfde, dertiende, viertiende, vijftiende eeuw zelfs nog, daar op doorleest hoe meer des te meer, komt men tot de ontdekking dat dat versterkingsrecht, dat dit een graal een heel belangrijke rol gespeeld heeft bij het tot stand komen van de versterkingen.

Ik ga nu terug naar 1046, wanneer ik dus die oorkonde doorlees, die in een fraai middeleeuws Latijn gesteld is, en ik vind daar niet uitdrukkelijk vermeld dat die bisschop van Utrecht dat versterkingsrecht heeft gekregen, dan ben ik geneigd om aan te nemen dat die bisschop van Utrecht dat versterkingsrecht niet bezat en ook niet uitgeoefend heeft. En dat lijkt mij binnen het kader van de politiek van de Duitse Keizer ook heel geloofwaardig en heel aannemelijk. Eerste naamvermelding Coevorden. Het zal u dan ook niet verbazen, dat we in deze tijd Coevorden nog niet genoemd vinden. Geen enkele oorkonde bij ons weten, geen enkel stuk is tot op heden bekend geworden door archivaliaonderzoek, noemt de naam Coevorden. En u vraag zich dan af, wanneer komt die naam Coevorden dan wel tevoorschijn? Die naam Coevorden komt betrekkelijk laat. Er is namelijk een oorkonde uit weer een goeie honderd jaar later, namelijk uit 1148, en die oorkonde die handelt, en dat is niet aardig, geen eens over het plaatsje, over het stadje Coevorden. Die oorkonde die handelt over iets heel anders, die handelt over belangen van de Abdij Corvey Duitsland, die handelt dus over belangen van deze abdij, en daar wordt in verteld dat Corvey hier bepaalde belangen heeft dan nog verder westelijk, Steenwijk en omgeving, maar daar wordt in genoemd een camerarius, dat is een ambtenaar van Corvey van de abdij en behartiger zou je haast kunnen zeggen van allerlei wereldlijke belangen en die ambtenaar die heeft een huis hier in Coevorden. En domus, een huis, daar wordt dus over gesproken en dan weten we dat er een vlek, een stadje, een ja een villa, een conglomeratie bestaat die al Coevorden heet en waar dus mensen wonen en waar zelfs zo een ambtenaar van de Abdij Corvey zijn huis heeft. Dat is dus de vroegste vermelding, 1148. 

Dat hier een conglomeratie is, dat hier mensen bij elkaar wonen, dat is op zichzelf natuurlijk niet zo verwonderlijk want wanneer Coevorden in het licht van de geschiedenis verschijnt, wanneer we iets meer gaan weten over de omgeving hier, over wegen enzovoort, dan is het duidelijk dat Coevorden ligt op een heel belangrijk punt, namelijk op de punt waar een overtocht is door de venen en het waterrijke gebied en de Vecht etc. Dat Coevorden ligt op die zogenaamde Weerdense weg, van Westfalen via de moerassen naar de Hondsrug en naar het Noorden. Daarom is het voor mij wonderlijk dat Coevorden niet vroeger genoemd wordt maar zoals gezegd, er zijn geen vroegere vermeldingen te vinden. Ik heb daar echt ook zelf nog wel aan getwijfeld en ik mag u wel verklappen, dat ik vanochtend nog even naar onze bibliotheek ben gegaan. Ik heb nog even gekeken in het beroemde werk, Nomina Geografica, waar dus de aardrijkskundige namen in worden behandeld en tot mijn vreugde had ook de schrijver van een artikel daarin in dit verzamelwerk nog steeds en dat is in de vijftiger jaren dat hij het artikel schreef, nog steeds geen vroegere vermelding gevonden dan 1148. Die vrees van mij dat er misschien nog eens een vroegere vermelding zou kunnen zijn is niet helemaal ongerechtvaardigd want u weet misschien dat we op het ogenblik bezig zijn in hoog tempo allerlei archieven te onderzoeken en vooral oorkonden-verzamelingen te publiceren. En daar komt nog wel eens een enkele maal iets voor den dag, wat men nog niet wist. Daar komt nog wel eens bij families bijvoorbeeld, oude families van Limburg Stierum, komt nog wel eens oorkonden-materiaal voor den dag waaraan nieuwe gegevens zijn te ontlenen. Ik geef het dus helemaal dus nog niet op dat we ooit een vroegere vermelding vinden. Het is best nog wel mogelijk maar op het ogenblik met de huidige stand van de wetenschap en u weet de wetenschap gaat altijd vooruit, die is niet te stuiten, bij de huidige stand van de wetenschap, 1148, dat jaartal burgemeester zou u dus in de gevel van het stadhuis mogen zetten en dan garandeer ik u dat er onnozele lieden zijn die dan nog denken dat het stadhuis in die tijd gesticht is. 

Eerste vermelding Kasteel Coevorden in 1148, ja en wanneer wordt dan het kasteel van Coevorden het eerst vermeld, want dat wilt u natuurlijk ook weten. Dat is niet lang daarna, dat is namelijk in 1159 dat is al vroeg voor een kasteel dat kan ik u wel zeggen. Ik moet dus aannemen dat bisschop Hartbert van Utrecht, die in een zeer goede betrekking tot de Duitse Keizer stond, dat de bisschop Hartbert van de Duitse Keizer het verlof heeft gekregen of misschien zijn opvolger, Godfried van Rhenen, het verlof heeft gekregen om een sterkte te bouwen op deze plaats die voor hem van zo’n groot belang was, in verband ook met zijn rechten in de gouw in de pagus Threnthe.1159. Heel belangrijke oorkonden, dan neemt namelijk een paus daar helemaal in dat verre Rome, Paus Adriaan, die neemt de bisschop van Utrecht, die neemt St. Maarten zoals ze dat dan wat onpersoonlijker zeggen, in bescherming en die garandeert aan St. Maarten aan de stoel, aan de bisschoppelijke stoel, garandeert alle rechten die de bisschop tot dan toe verworven heeft. En dan komt er een heel lijstje, en in dat ene lijstje met die verschillende bezittingen die aan de stoel van St. Maarten gegarandeerd worden, daar vindt u dan gelukkig voor de eerste keer genoemd het Castrum Cuforde. Dat is natuurlijk uw Coevorden, het Castrum Cuforde. 

En dan weten we dat er een versterking is, nou moet u mij niet vragen wat men zich bij dat woord castrum dan voor moet stellen. Ik ben nog niet zo lang geleden, enige weken geleden, op een symposium geweest in het verre Toulouse, aan de Universiteit van Toulouse waar kopstukken uit West-Europa met elkaar spraken over de vroege feodaliteit. Over de ontwikkeling dus van het leenstelsel en alles wat daar verder bij komt. Bij die vroege feodaliteit past natuurlijk ook een uitwerking van het versterkingsrecht. Bij die uitwerking van het versterkingsrecht gaat men ook praten over termen als municipio en ik moet u helaas wat middeleeuws Latijn laten horen dan gaat men praten over de betekenis van het woord curtis, hof, daar gaat men praten over castrum en castellum. En als je dan deze historici en dat waren allemaal historici voor de vroege middeleeuwen en enkele rechtshistorici, als je hun dan vraagt, lieve mensen wat verstaan jullie nou onder een castrum, wat moet ik mij daarbij voorstellen, wat verstaan jullie onder een castellum dan wijzen ze die vraag met veel kleurverve terug en we waren daar met z’n twee middeleeuwse archeologen en nu zeggen ze ja, dat moeten jullie weten, jullie graven die dingen op. Met andere woorden, dames en heren, met zo’n woord zijn we er nog niet, als we zo’n woord lezen dan moeten we ons gaan realiseren wat zou dat kunnen zijn, hoe heeft dat er uit gezien. Nou twijfel ik er niet aan of onder u zijn er verschillende die sinds grootvaders tijd nog in hun boekenkast hebben staan, van Lennep en Hofdijk, “Merkwaardige kastelen in Nederland”. Een heel mooi rood bandje, ik heb het hier ook, dat goud hè, daar vind je dan hele interessante wijdlopige beschrijvingen van het Kasteel Coevorden. Want één van de monografieën in dit werk van van Lennep en Hofdijk, is gewijd aan uw kasteel Coevorden. En van Lennep en Hofdijk weten het precies, die weten het heel precies, die geven hun prachtige beschrijving van de zware torens van de hoge wallen, enz. enz. Maar ik verzeker u, dit is alles uit die duim waarschijnlijk niet uit die van Hofdijk maar uit die duim van van Lennep gekomen want de man kon het niet weten want er is nergens een tekst te vinden die het Kasteel Coevorden ooit beschreven heeft, tenminste niet in deze vroege tijd er is nergens een afbeelding te vinden die ons zou kunnen duidelijk maken hoe dat kasteel Coevorden eruit zag. Van Lennep en Hofdijk heus, die wisten het ook niet. U moet dan ook aan deze bron in dit opzicht absoluut geen geloof hechten.

Maar feit is het, die versterking is er en die versterking gaat een rol spelen. Quedam Narracio De Groninghe, De Threnthe, De Covordia. Voor het vervolg van de geschiedenis zijn we verder aangewezen op een bron die hier in het Noorden en terrecht veel gehanteerd wordt, en dat is een Latijnse bron, dat is een verhaal over de gebeurtenissen die zich hier omstreeks 1230, laten we zeggen in het eerste part van de 13e. eeuw hebben afgespeeld, een verhaal samengesteld door een Utrechtse geestelijke ten behoeve van de Bisschop Willibald, de opvolger van die ongelukkige man die bij Ane in 1227 het leven liet. Die Willibald had hier ook nog wel enkele dingen op te knappen, zo enkele zaken glad te strijken, enkele moeilijkheden te overwinnen, die heeft zich door een Utrechtse geestelijke laten voorlichten en die brave man heeft er een verhaal van gemaakt. Een verhaal dat teruggrijpt tot op de tijden van Bisschop Hartbert, dat is het midden van de 12e. eeuw en een verhaal dat aan de verre opvolger van Hartbert, namelijk deze Willibald duidelijk moet maken hoe alles zo gekomen is. U ziet, de poging om de toestanden die men aantreft, om die toestanden vanuit de historie te klaren, die is al oud. Dat doen wij tegenwoordig ook graag, wij grijpen ook graag terug op het begin en we leggen ook graag uit hoe alles zo gekomen is, dat gebeurt in de politiek en dat gebeurt eigenlijk in allerlei bij allerlei strevingen, men probeert het zijnde te verklaren uit wat er geweest is. Zo ook deze geestelijke waarvan we de naam niet kennen en die we dan maar aanduiden met de anonieme schrijver van dit vreemde geschrift, dat de naam, een hele grote uitgebreide naam heeft met wat men meestal aanduidt met de naam Quedem Narracio, Narracio daar zit het woord “vertelling” in. En de titel is nog veel langer, er komt nog iets over Groningen en Drenthe en Coevorden en zo maar dat bespaar ik u. En we spreken meestal kortweg over de Narracio, een schrift dus dat is opgesteld omstreeks 1230.

En nu komen we op een heel kwalijk punt, onze geschiedsschrijvers en daar reken ik dus onder de mannen die hun schouders gezet hebben onder die grote algemene werken die we zo graag raadplegen, de algemene geschiedenis der Nederlanden, door een hele reeks professoren waaronder Niermeijer of die oudere algemene geschiedenis van de Nederlanden waar Post aan meegewerkt heeft voor de middeleeuwen, Holwerda nog, ik durf zijn naam hier nauwelijks uit te spreken voor de prehistorie, deze mannen, die hebben bij de beschrijving van de geschiedenis van de 12e en 13e eeuw in deze gewesten grotelijks en ruim gebruik gemaakt van de Narracio. Dan wordt de geschiedenis van Coevorden aldus opgelepeld, Bisschop Hartbert die uit het Noorden kwam, het licht komt wel meer eens uit het Noorden, lang niet altijd uit het oosten, de Bisschop Hartbert die als Domproost in Utrecht zijn sporen al lang had verdiend, is bisschop geworden in 1139. Maar hij kwam uit het Noorden en hij was wel van zins om zijn broeder ook een mooie kans in het leven te gunnen en toen hij de macht als bisschop goed en wel in handen had, heeft hij de ene broer benoemt tot prefect van Groningen en de andere broer tot kastelanus van Coevorden. Dat moet hij gedaan hebben tussen 1139 en 1150. Want in die tijd is bisschop Hartbert bisschop van Utrecht. En in die tijd heeft hij de macht en de bevoegdheden om dit te doen. Men neemt dat zondermeer aan en dan gaat de geschiedenis verder en hoor je een tijd niets van Coevorden, waar die meneer Ludolf eigenlijk gebleven is weten we niet, de Narracio verslikt zich wel eens een enkele keer en die heeft het dan over Leffart in plaats van over Ludolf en soms wel eens over Ludolf in plaats van over Leffart en als je die gegevens hier netjes op een rijtje zet dan krijgt u de indruk dat de schrijver van de Narracio het niet meer precies zo wist. In ieder geval aan het eind van de 11e eeuw, 12e eeuw dan wordt het allemaal wat duidelijker dan is er een heel ondeugende zoon, eigenlijk zijn het er twee Rudolf en Volkert en die twee zijn maar al te zeer bekend. En Leffart is dan in Groningen nog bekend. 

Ik heb geprobeerd in de korte tijd die mij toegemeten is, het zijn niet die tien jaren waar de burgemeester op doelde natuurlijk, in die tien jaren heb ik andere dingen moeten doen waarin de korte tijd die ik mijzelf kon toemeten om me eens in de Narracio te verdiepen, in die korte tijd heb ik getracht om deze figuren waarvan het bestaan zonder meer wordt aangenomen, maar ook al in veel oudere bronnen veel oudere beschrijvingen, 19e eeuwse beschrijvingen, ik heb eens getracht om die kerels, excuseert u me ook, het waren kaerels met ae, om deze figuren te benaderen vanuit het oorkondemateriaal. Van Bisschop Hartbert, schrikt u niet, zijn in het geheel een twintigtal oorkonden bewaard, dat is dus eigenlijk weinig natuurlijk, dat is eigenlijk weinig, verschillende van deze oorkonden handelen over zaken die betrekking hebben op deze streken. En dan zou je toch verwachten dat de kastelanus van Coevorden die hier zo’n belangrijke rol speelt en hier zo’n belangrijke positie inneemt op de prefect van Groningen in deze oorkonden genoemd zouden worden. De getuigenrijen, de mensen dus die bij het uitvaardigen van de oorkonde getuige zijn geweest, die bij wijs van spreken hun hand in het vuur daarvoor zouden houden, de getuigenrijen van de oorkonde van Bisschop Hartbert tot 1150 geven ons helaas geen enkel houvast. Daar wordt nooit een Ludolf in genoemd, kastelanus de Cufordia, daar word nooit een prefect van Groningen in genoemd, Leffart, helaas niet. We komen wel eens een keer Leffart du Gruninga tegen maar dat is veel later, dat is pas 1170, 1180. En waar dan die man precies vandaan komt dat weten we niet. De schrijver van de Narracio beweert dat hij zijn gegevens geput heeft uit goede en oude en betrouwbare oorkonden. Maar hij noemt er geen één en hij noemt geen enkel jaartal. En dat maakt de zaak wel een beetje verdacht. Wat de tweede helft van de 12e eeuw betreft, de tijd dus na dus bisschop Hartbert, daar zijn we vrij zeker van dat daar figuren bestaan hebben die we ook in de Narracio tegenkomen. Die Volkert bijvoorbeeld komen we tegen, die Rudolf komen we in de oorkonden tegen, later nog een tweede en die Leffart die blijft ook doorlopen en zijn familielid Lambert van Peize komen we ook tegen dat zit allemaal wel goed hoewel de familierelatie tussen al deze mensen uit het oorkonden-materiaal nog niet zo direct kunnen opmaken, maar in ieder geval ze zijn er, je kan ze uit onverdacht materiaal bewijzen. Maar voor die vroegste tijd van Coevorden is dat veel en veel moeilijker en ik vraag me vaak af hoe zit het eigenlijk, kunnen we dit allemaal vertrouwen of moeten we ook dit tot het rijk van de fabelen verwijzen. Dit neemt allemaal niet weg dat er in 1159 sprake is van het Castrum Coevorden en dat we in de 80er en 90er jaren van de 12e eeuw hier een hoop narigheid hebben, doodeenvoudig een hoop narigheid vooral omdat de kastelein van Coevorden de bezitter misschien wel, in ieder geval wel de bezetter van de sterkte hier zo zijn eigen plannetjes heeft, zijn eigen politiek gaat voeren, eigen huismacht gaat uitbreiden en daarbij natuurlijk in strijd komt met de bisschop van Utrecht en met andere gevestigde machten. Natuurlijk ontlaadt zoiets zich in strijd, in oorlog, in narigheden waar het Castellum Castrum Coevorden herhaaldelijk in betrokken wordt, belegeringen, verbranding, roof, moord enzovoorts hoort er natuurlijk ook allemaal bij, dat weten we nu zo langzamerhand wel sinds we allemaal de eerste en sommigen de eerste en wij iedereen natuurlijk de tweede wereldoorlog hebben meegemaakt en nu weer “geniet” van allerlei andere oorlogse toestanden in onze wereld, dat gaat er allemaal me aan parallel.

In 1195 eindelijk komt er een beetje rust in deze streken dan wordt een verdrag afgesloten waarbij men de kool en de geit placht te sparen en waarbij men dan probeert een compromis te vinden waarbij alle krachten en alle machten in enige mate hun leven en levensmogelijkheid gegund wordt. Maar daarbij blijft het natuurlijk niet want wanneer een jong geslacht, een jong huis in opkomst is dan probeert men de macht van dat huis te vergroten, daar is niet aan te ontkomen. Dat is de drang naar voren die ook voor zo’n kastelein die zich min of meer zelfstandig maakt natuurlijk spreekt in kracht en drang die hem aandrijft om toch steeds weer grotere zelfstandigheid te trachten te bereiken en hij komt er bij telkens weer in strijd met zijn landsheer en in dit geval dus altijd weer met de bisschop van Utrecht. Die Volkert daar worden mooie verhalen over verteld ook als u weer van Lennep en Hofdijk er op na slaat dan heeft Volkert bij een van de krijgsgebeurtenissen in gevangenschap geraakt hij wordt dan opgeborgen op het Slot ter Horst bij Rhenen, dat kon in die tijd nog heel goed want de bisschop van Utrecht was in die tijd een Godfried van Rhenen die hem dus opborg, let wel op één van zijn voorvaderlijke kastelen en dan krijgt u dat mooie verhaal van Volkert die daar verliefd wordt op de dochter van de cipier, een ridder Albert de Leeuwe, misschien was het ook wel andersom, en was de dochter verliefd op de stoere gevangene in ieder geval daar ontbloeit een idylle bij die u bij van Lennep en Hofdijk met de eisen van de tijd, we leven natuurlijk in de volle romantiek met van Lennep en Hofdijk en zelfs in prachtige verzen word beschreven, het is eigenlijk kostelijk om dat boekje nog eens te lezen, want als het erg poëtisch wordt dan grijpt om een oud en versleten beeld te gebruiken of van Lennep en Hofdijk het zal meestal Hofdijk wel geweest zijn, die grijpt naar de lier en komt er een één of ander prachtig gedicht uit. Zo is het ook met de geschiedenis van Volkert dus bij van Lennep,en Hofdijk maar door Hofdijk netjes op maat en toon gezet, ja en of dat allemaal waar is dat weten we niet het is ook alleen weer de Narracio die dit verhaalt. In ieder geval Volkert is een historisch persoon en die komen we nog in het begin van de 13e eeuw 1207, 1211, 1217 geloof ik, komen we hem in de oorkonden tegen en ik heb er niets geen bezwaar tegen om dus het bestaan van deze man te erkennen. Hoe gaat het verder met Coevorden? Dat weten we natuurlijk niet, we weten alleen dat Coevorden enkele malen veroverd en verbrand word. Als u dan leest over verbrand, dan vraagt u zich af hoe kan dat nou met een stenen kasteel? Dat kan natuurlijk wel branden, want vloeren kunnen branden, de ramen kunnen branden, vensters kunnen branden en deuren kunnen branden maar ik heb het idee dat er van dat Coevorden nog veel in hout was uitgevoerd en dat wil natuurlijk echt wel branden. Dat zal één van de kwesties zijn die natuurlijk bij een opgraving, bij een uitvoerige opgraving opgelost zal moeten worden, wat stond daar in de 12e eeuw, hoe kan dat kasteel van Coevorden er hebben uitgezien? Voorlopig krijgen we daar dus nog geen antwoord op. En wat ik u vertellen kan is alleen het verloop van de historie geef en ik kan u alleen vertellen hoe het verder ging. Die vroege Coevordenaren die dus in de verte familie zouden kunnen of zouden moeten zijn van bisschop Hartbert van Bierum, die vroege Coevordenaren die behoren tot een familie die uitsterft, dat zie je in de middeleeuwen heel vaak dat op den duur de families uitsterven doordat er zoveel sneuvelen of door slechte voedselomstandigheden enzo, het is een samenloop van allerlei omstandigheden. Dat gebeurt bij deze oudste Coevordens op een hele nare en vervelende manier. 

Ontstaan stad Hardenberg als gevolg van Slag bij Ane. In de 20er jaren wanneer bisschop Otto van Lippe, bisschop van Utrecht is, dan ontstaan er natuurlijk nieuwe moeilijkheden, die zijn er geregeld geweest, en dan krijgt u juist die beroemde Slag bij Ane op 28 juli 1227 en dan is het merkwaardige dat Rudolf, de voogd, de kastelein van Coevorden kennelijk zijn Drenthe niet in de hand heeft, ik hoop dat dat tegenwoordig beter gaat maar kennelijk wist hij daar geen raad mee. Want de gewoonte was dat je zo’n aanvoerder en vooral niet zo’n hele grote aanvoerder als de bisschop van Utrecht als Otto van Lippe die op zichzelf uit een heel krijgshaftig geslacht kwam, dat je die daar in het moeras laat zinken en doodslaat, dat was helemaal geen gewoonte. De gewoonte was dat je de man eruit haalde en hem netjes gevangen zette en hem dan liet beloven wat je maar wilde en dat je daarbij nog een groot losgeld bedong. Het was ook niet de bedoeling in die tijd om een groot figuur als Bernhard van Horstmar, die kwam van even over de grens, de tegenwoordige grens dan wel te verstaan, dat je die hier maar aan zijn eind liet komen, nee, die werd gevangen gemaakt en die kon dan betalen om weer uit de kerker te komen. Hier is kennelijk de boel de goede Rudolf, de slechte Rudolf, de kwade Rudolf, wel wat uit de hand gelopen. En zelfs met behulp van zijn krijgsmakkers van Gravesdorp, dat zijn heren die komen ook van de andere kant van de grens. Zelfs met behulp van deze toch wel beproefde aanvoerders heeft hij kennelijk toch geen kans gezien om zijn zegevierende Drenthen een klein beetje te beteugelen. Dat heeft voor de geschiedenis een hele nare draai gegeven. Het heeft namelijk deze draai daaraan gegeven dat u buur bent geworden van het stadje Hardenberg want zonder deze Slag bij Ane, en zonder het sneuvelen van bisschop Otto van Lippe was Hardenberg waarschijnlijk niet gesticht. Maar de opvolger van bisschop Otto van Lippe, dat was een Willibrand, die in die tijd nog in Paderborn zat en die toen overgeheveld werd naar Utrecht. De opvolger heeft het nuttig en nodig geoordeeld om tegenover dit roerige Coevorden, tegenover deze sterke vesting Coevorden die alleen al door de natuurlijke omstandigheden, u weet hier allemaal nog wel welke rol het water gespeeld heeft en misschien nog wel speelt in en om Coevorden, heeft het nodig geoordeeld, herhaal ik om tegenover dit roerige Coevorden een andere vesting te stellen namelijk Hardenberg. Hardenberg bestond niet. Hardenberg werd door bisschop Willibald in het leven geroepen. Daar werd een kasteel gesticht en nu weten we toevallig van Hardenberg iets meer. Bij dat woord kasteel moet u beslist niet denken aan een echte feodale architectuur zoals die, nou laat ik in de buurt noemen, een kasteel van Bentheim nog te zien geeft Bij het woord Castrum Castellum van Hardenberg moet u denken aan heel iets anders, daar moet u denken aan een groep huizen, soms houten huizen, daar zal ook wel een enkel stenen huis bij geweest zijn die beschermd wordt door een stenen muur. Een groep huizen op een hoogte gesticht met een stenen muur die de voet van de heuvel omgeeft en die stenen muur die vormt het fortificatorische deel van de sterkte Hardenberg. En die stenen muur daar hebben we nu gelukkig enkele delen van teruggevonden. Bij de afbraak van het postkantoor in Hardenberg en bij de nieuwbouw van het nieuwe heeft men daar gedeelten van gevonden en we hadden toen in Hardenberg een zeer actieve burgemeester, nu natuurlijk weer een zeer actieve burgemeester, daar twijfel ik niet aan, maar dat was er toen één die bijzonder veel voor deze muur voelde en die heeft een stuk daarvan met behulp van Monumentenzorg laten restaureren en opmetselen. Een muur overigens die niet gebouwd was in baksteen en ook niet in de beroemde en bekende Drentse zwerfkeien, maar die opgebouwd was uit ijzeroersteen, wat u hier trouwens ook wel kent, een muur die het geheel omgaf en beschermde. Een muur die dus gedeeltelijk opgemetseld is en die op een goeie dag in de zomer van wat was het, een jaar of zes geleden geloof ik, 1962 meen ik, werd ingewijd waar prins Bernhard zelfs voor over kwam en waar ondergetekende de eer had om prins Bernhard te vertellen dat daar een van zijn verre familieleden in de grijze voortijd was doodgeslagen en die onmiddellijk aanleiding was geweest tot het oprichten van deze muur. Maar daar weten we dus van dat Castrum Hardenberg, dames en heren, is dus ik herhaal het, geen kasteel in de feodale zin van het woord met tinnen en torens en kantelen en alles wat daar verder bij hoort, was doodeenvoudig maar een groep huizen beschermd door een stenen muur. We vinden dat vaker even over de grens, ik denk bijvoorbeeld aan Nienburg waar je precies hetzelfde verschijnsel hebt waar het Castrum dus eigenlijk bestaat uit die muur die een groep op zichzelf niet verdedigbare huizen beschermt. Natuurlijk zal de bisschop Willibald wel een stenen huis hebben laten bouwen, een toren waarschijnlijk, een bisschopstoren, maar ik neem aan dat die muur van Hardenberg voornaamste verdedigbare deel was. En zo zou dat met Coevorden eigenlijk ook wel eens geweest kunnen zijn. Daar zou dus oorspronkelijk wel eens niets anders geweest kunnen zijn dan een muur die de zaak beschermde. Wanneer daar verandering in gekomen is dan moet ik daar dus nu over praten. Ik denk namelijk dat die verandering gevolgd is in de 13e eeuw, in die tijd dus misschien nog in de tijd van Rudolf, wiens leven culmineerde dus in de Grote Slag bij Ane, die in 1230 helaas in het nieuw gestichte Hardenberg vermoord werd. 

Dat is een hele rare geschiedenis, een geschiedenis die ook niet bepaald tot eer van de bisschop strekt. Rudolf had een soort van vrijgeleide gekregen, wilde in Hardenberg gaan onderhandelen over allerlei nog onduidelijke zaken, daar kunt u zich wel meer bij voorstellen dat er nog onduidelijke zaken zijn, daar moest nog over onderhandeld worden, hij begaf zich dus met twee leden van het geslacht Gravesdorp, de oude Menso en zijn krijgsmakker Hendrik naar Hardenberg, naar het hol van de leeuw bij wijze van spreken. De bisschop was daar en toen is er iets gebeurd wat in de internationale politiek wel meer gebeurt en in het internationaal gebruik, men heeft deze drie mannen eigenlijk niet meer laten gaan en de bisschop heeft op een gegeven moment, misschien naar van hem, hij heeft dit vrijgeleide niet erkend. Hij heeft ze alledrie gevangen gehouden, heeft ze voor een gerecht gesleept en dat gerecht heeft gedaan wat de bisschop graag wou, ook dat gebeurt tegenwoordig nog wel eens als u weet uit de contemporaine geschiedenis, heeft ze veroordeeld en ze zijn dus geradbraakt en in Hardenberg terechtgesteld. Het geslacht van Borculo. Daarmee was eigenlijk aan het geslacht van oude Coevordenaren een einde gekomen. De bisschop had rigoureus en welbewust en zeer fundamenteel een eind gemaakt aan de narigheden. Althans dat dacht hij. Maar de geschiedenis heeft toen al bewezen dat het toch weer anders kan lopen. De enige dochter van Rudolf, een juffrouw met de mooie naam Eufemia, is getrouwd met een, ja nou moet ik erg uithalen wat de familiegeschiedenis betreft, enfin ze is getrouwd, klaar, en ze kreeg natuurlijk zonen, en die zonen die behoren uiteraard tot een andere familie. Dat begrijpt u ook wel. En dan komt hier in Coevorden op de proppen het geslacht Borculo, het plaatsje Borculo kent u. De naam kent u u weet dat Borculo nog een faam heeft van een windhoos etc. en u weet misschien niet dat er een groot kasteel heeft gestaan waarvan nog povere restjes bewaard zijn, maar Borculo is een oude stichting, gaat veel verder terug dan Coevorden, het spijt mij dat te moeten zeggen, maar het is misschien een hele eer dat Borculo’s hier in Coevorden zijn neergestreken, en die Borculo’s, die zonen van Eufemia die proberen hier de zaak in handen te krijgen. Ze beschouwden het als rechtmatig erfdeel, de eerste Hendrik lukt dat niet, de tweede Hendrik slaagt daar beter in. De bisschop n.l. Willibald en zijn opvolgers, toch wel wat wijzer geworden van al de narigheden hebben het bestuur over Coevorden en zelfs over het landschap Drenthe toen weer opgedragen aan bisschoppelijke ambtenaren die ze wat beter aan het touw hadden dan die roerige Coevorder heren. We vinden dan verschillende slotvoogden, je komt er in 1263 bijvoorbeeld een paar tegen, één ervan die heet van Hardenberg, de ander Gerard Clencke, ook een bekende naam hier in Drenthe, en dan ziet u dus dat de bisschop probeert de zaak hier in handen te krijgen. Nou heb ik ’t idee dat dat niet helemaal gelukt is en het verbaasd me ook eigenlijk niks dat we daar plotseling in 1268 op zien treden een Hendrik van Borculo, als burggraaf van Coevorden. En hij komt dan zo in de oorkonden voor, dus daar kunnen we niet aan twijfelen. Burggraaf van Coevorden, nou neem ik eigenlijk aan dat deze Hendrik van Borculo die een machtig man was, die ook een rijk man was, dat hij wel wat aan de verbouwing, aan de uitbouw van het kasteel Coevorden gedaan heeft. Maar nogmaals, ik weet echt nog niet hoe dat kasteel van Coevorden er zelfs in deze 13e eeuw uitzag. Naar analogie kun je dan wel zeggen het moet er zus en zo hebben uitgezien, het was misschien een toren en er was een voorburg bij, maar dat is allemaal heel moeilijk natuurlijk waar te maken. Dat moet men willen geloven. 

Goed, 1230, Rudolf dus vermoord, oude Coevorders verdwijnen, er komt een nieuw geslacht in Coevorden zich vestigen, de Borculo’s. En die Borculo’s die blijven er tot 1395. Dat is dus een nieuwe mijlpaal, in de geschiedenis van Coevorden. En ik zal u er aanstonds wel vertellen dat het een heel belangrijke mijlpaal is. Er valt over die Borculo’s heel wat te vertellen maar dat is ook een grote reeks van namen ik wil u alleen vertellen dat een van de opvolgers van Hendrik, dat was namelijk Reinoud van Borculo, heer van Coevorden die noemt zich volgens zijn zegel, ik meen in 1317, even nakijken hoor, nee die noemt zich in 1309 prefect van Coevorden. Dat woord prefect wil ook eigenlijk zeggen militair commandant, of hij zich deze waardigheid aanmatigt dat is moeilijk te zeggen. Maar hij is toen wel van positie veranderd want hij laat ook zijn zegel veranderen. Als je tegenwoordig een familiewapen hebt dat weet u wel, dan kun je dat maar niet zomaar laten veranderen. Dat moet dan helemaal bij de Hoge Raad van Adel gebracht worden, er moet over gediscussieerd worden, je moet er genoeg gronden voor aan kunnen voeren, en dan kun je een familiewapen veranderd krijgen, of je kan je zelfs al je genoeg bewijsmateriaal aanvoert een familiewapen laten aanmeten. Vroeger lag dat anders, als iemand een belangrijke bezitting kreeg en die bezitting die had al een wapen dan was het mogelijk om dat wapen van die bezitting over te nemen. En dat schijnt nu met deze Reinoud gebeurd te zijn. Want die Borculo’s die zegelden met een wapen met drie ronde schijven erin. Drie bezanten, twee een, nu zien we dat Reinoud van Coevorden, van Borculo van huis uit natuurlijk, dat die gaat zegelen met drie adelaars. Dat betekend natuurlijk iets. Het heeft ook iets te maken met deze naam, deze titel die hij zich aanmeet, prefect dus, enz, enz. Ik wil daar met u maar niet al te veel op ingaan want de tijd schrijdt voort, ik wil u vertellen, dat deze familie van Coevorden, gezegd van Borculo, zich hier langzamerhand een hele positie opbouwt en een andere Reinoud in 1347 die weet zich zelfs helemaal van de bisschop los te maken. En die noemt zich dan ook voluit heer van Coevorden. Maar dan is het eind in zicht. In 1395 dan is er bisschop geworden in Utrecht, Frederik van Blankenheim, en die is het zat om voortdurend te maken te hebben met deze moeilijke vazallen, met deze mensen die hem in zijn rechten beknotten, Frederik van Blankenheim, die probeert met behulp van de steden de machten die in de 13e eeuw al een rol gaan spelen en in de 14e eeuw een zeer grote rol spelen, met de steden het recht in handen te krijgen.

Dan krijgt u van die merkwaardige dingen. In 1395 schrijven de burgemeester en de schepenen van Kampen een zeer merkwaardige brief aan Reinoud van Coevorden. Een brief die een burgemeester tegenwoordig niet meer zou kunnen schrijven. Hij kan vele brieven schrijven, mooie zelfs, maar deze toch niet meer, daar schrijft dus Kampen aan Reinoud van Coevorden, en ik zal het Middelnederlands een beetje fatsoeneren, dat u het kunt volgen. Weet het, Reinoud van Coevorden, want onzen lieven here van Utrecht staat naar sienen huis en de borg te Coevorden, mitsdien hun toebehoren, dat betekend dus, Reinoud van Coevorden, we maken je bekend dat de bisschop van Utrecht zijn huis en zijn rechten in Coevorden weer in eigen hand wil nemen. Dat staat er eigenlijk hoor. Ende omdat van uwer wegen een thoolden baart en wie onsen lieven here en ze zeggen dus en omdat u Reinoud van Coevorden hem dat niet geven willen en daarin hinderen en wie onsen lieven here van Utrecht liever hebben dan u omdat we liever met de bisschop Utrecht te maken willen hebben dan u meneer Reinoud van Coevorden zo willen wie burgemeester en de schepenen en de raden en die gemene burgeren der stad van Kampen ende al onse ondersaten en onse knechten om sienen wille dat is dus om de wil van de bisschop van Utrecht, u vijand wezen. Dus met andere woorden, dat is een soort ontzegbrief, een soort oorlogsverklaring, wij willen onze bisschop volgen en wij zullen dus nemen op de koop toe, dat we dus vijand worden met u, Reinoud van Coevorden. En dan zeggen ze dus ook verder dat ze zullen proberen Frederik van Blankenheim, te helpen het recht weer in eigen hand te nemen en dat zij willen proberen om de burg van Coevorden weer terug te winnen. In tuugnisse des so hebben wie onser stadsecreet hier beneden up gedrukt, en nu schrikt u misschien van dat lelijke woord, maar hier bedoelen ze mee het geheimzegel van de stad Kampen. Zo’n stad had verschillende zegels, een grote zegel, had ook een geheim zegel, had een zegel ten zaken, en ze hadden dus ook een geheim zegel, dat betekend dat secreet wat hier staat. Dan heeft een klerk, die heeft na de oorlogshandelingen die vrij vlot verliep in 1395, daaronder geschreven, in het jaar ons heren duuzend drie hondert vijf en ‘t negentig des donderdages na onsen vrouwendag ad sumptio waart heer Frederik van Blankenheim, Bisschop te Utrecht, van Johan Hondenborg Coevorden overgelevert daar hy zes weken met siene vrinden voor gelegen hadden, dus we weten precies dat het beleg zes weken geduurd heeft, dat Johan van Hondenborg het Kasteel voor Reinoud verdedigd heeft en dat hij het na zes weken het heeft moeten overgeven aan Frederik van Blankenheim

En dan is, dames en heren, de grote rol van Coevorden maar speciaal voor dit geslacht van Coevorden uitgespeeld, ze verdwijnen hier, Reinoud moet een verdrag aanvaarden, hij mag er nog vijf jaren over denken, dat betekend in de praktijk dat hij vijf jaren gelegenheid kreeg om zijn belangen zoveel mogelijk veilig te stellen, hij trekt zich dan terug op Coevorden, krijgt ook het huis van Goor en allerlei andere dingen, hij wordt amptman van Goor, maar de rol van de Coevordensen zijn uitgespeeld. 

Beschrijving Kasteel 15e. eeuw. En dan krijgt u hier weer bisschoppelijke ambtenaren die op het Kasteel zetelen die hier Drost en Amptman zijn, en die hier de zaak hier besturen. En nou juist in deze tijd hebben we merkwaardigerwijze een aanwijzing over het voorkomen van het Kasteel. We hebben namelijk gevonden, dat heeft meneer Asch van Wijk al gevonden in de vorige eeuw, gevonden een inventaris van krijgsmateriaal en andere huisraad op opta 1 Vredeland, dat zal u niet interesseren, maar tenslotte ook van Coevorden. En dat was in de tijd dat Herman van Haersholte hier drost was. Het was van 1412 tot 1416. En dan worden een paar vertrekken genoemd, op den Drostenkamer heeft die vlijtige klerk aangetekend, staat een watervat en een lovenbekken, dat is om de handen te wassen, op dat Sallandse bergvrede drie loodbussen, dat is vuurgeschut, op de Drenthese bergvrede drie loodbussen, op het Twentese bergvrede drie loodbussen, item op dat bergvrede by der brugge een loodbusse, en in de grote voorborgt een grote steenbus in de voorborg. Hier weten we dus uit dat we op dat moment aan dat Kasteel van Coevorden vorm gegeven is waarin vier torens een plaats innemen, want een bergvrede wil zeggen, toren. Ik heb alle reden om aan te nemen dat we moeten denken dus aan een vierkant gebouw met op de hoeken een ronde toren. Dat ziet u bijvoorbeeld ook in Muiden als u het kasteel van Muiden kent, enfin er zijn hele reeksen van kastelen die gebouwd zijn om een binnenplaats vier ronde en of rechthoekige torens op de hoeken. Grappig is natuurlijk dat die torens allemaal namen hebben naar de landstreken, en ik herhaal het nog eens een keer, Sallandse bergvrede heeft dus met Salland te maken, de Drentse bergvrede, Twentse bergvrede en de bergvrede bie de brugge, ik heb zo’n idee dat deze landschappen Salland, Drenthe en Twenthe iets te maken hebben met de bouw van die torens, dat ze in die bouw van die torens gecontribueert hebben, een mooi voorbeeld voor de moderne tijd zou ik zo zeggen. Ja dan is er ook nog een voorburcht, we weten dus dat het een kasteel moet zijn volgens een patroon die we vanuit de 13e eeuw goed kennen, hoofdburcht met voorburcht. Maar dat is dan ook eigenlijk het enige middeleeuwse gegeven dat ons iets zegt over de vorm van het kasteel.

Het Kasteel ten tijde van de Hertog van Gelre

En nu rolt de geschiedenis van Coevorden eigenlijk vele jaren lang gezapig verder. Er gebeurt niet veel meer om de doodeenvoudige reden dat hier Drosten zitten die de zaak netjes en goed in de hand hebben. Daar gebeurt pas weer wat wanneer in Gelderland een hertog is die het erg moeilijk heeft met zichzelf, en met zijn omgeving, namelijk Karel van Gelre. We leven in de tijd van de Habsburgse expansie, we leven in de tijd dat Karel die wij hebben leren kennen als Karel V bezig is om het beeld, de figuur door de Bourgondiër in de 15e eeuw ontworpen om dat beeld af te maken. Hij wil alle landen brengen onder het Habsburgse huis. Misschien kent u uw vaderlandse geschiedenis zo goed dat u weet dat men dat hij daarbij dus verschillende gewesten aan zich trok, 1527 temporalisatie van Utrecht. De bisschop teruggebracht tot geestelijk heer, de wereldlijke macht van de bisschop aan Karel en zijn raadgevers en zijn raad en z’n stedehouders getrokken, is hij ook bezig om Gelderland in te palmen.
Dat heeft lang geduurd met Gelderland want die Gelderse hertog heeft zich zeer schrap gezet die heeft krijgstochten gemaakt hier daar en overal, en die weet wel dat Coevorden een belangrijke spil kan zijn en zijn hele zaak en dan zien we dus plotseling 1522 in het kader van die anders eigenlijk ook wel expansiepolitiek, zien we plotseling hier de Geldersen verschijnen, met een beproefde krijgsoverste met Johan van Selbach. Nou vangt de belegering van het slot aan, Johan van Selbach slaagt erin het slot te overmeesteren en dan krijgen we hier dus de Gelderse periode. Nu heb ik het idee, dat er in die Gelderse periode heel wat gebeurd is. Er is een pak met rekeningen over werkzaamheden op het Kasteel van Coevorden op het Rijksarchief in Arnhem. Daar heb ik een blik in geslagen en ik durf niet te zeggen dat ik ze allemaal doorgelezen heb, want daar is het te veel voor. Jammer genoeg zit daar geen bestek bij. Daar kunt u niet in lezen wat de ondernemers eigenlijk moesten doen, wat ze moesten gaan bouwen, wat er van hun verlangd werd. Er zal wel een bestek geweest zijn maar dat is waarschijnlijk verloren gegaan. Maar wat u wel vindt dat zijn de werklonen. Dat zijn de betalingslijsten. En die zien er indrukwekkend uit. Daar zijn maanden en maanden achtereen zijn daar op vermeld, timmerlieden en metselaars, en over enkele jaren, ik heb dus het gevoel dat die Karel van Gelder, via zijn medestanders en via zijn medehulpen zoals die Johan van Selbach, zoals Berend van Hackford hier toen veel heeft laten bouwen en dat hij hier de zaak grondig aangepakt heeft dat hij de zaak uit heeft laten bouwen tot een versterking op de hoogte van zijn tijd een versterking die zou kunnen dienen als steunpunt voor deze Gelderse operaties. 

Maar het verbaast ons daarom ook niks dat we daar in de gevel dus van het oudste gedeelte misschien niet het oudste gedeelte, dat mag ik niet helemaal zeggen dat weet ik eigenlijk nog niet, maar in de muren van een oud gedeelte althans, van het complex, het wapen vinden van Carolus dux Gelriae, met het jaartal 1533 en dat wijst natuurlijk toch wel op zeer duidelijke en zeer uitgebreide bouwaktiviteit die eigenlijk door deze rekeningen zeker gesuggereerd word en misschien als u dat allemaal nog eens helemaal uit kunnen punten ook wel waar gemaakt wordt, hoe dan ook er is veel gebeurd. De Geldersen blijven hier tot 1536, dan is het uur der vergelding van Karel van Gelre geslagen er trekt dan in deze streken rond een noordelijke ook nog Schenk van Toutenburg, Joris Schenk van Toutenburg, de veldheer van de keizerlijken, van Karel V, die trekt in 1536 naar Coevorden en weet Coevorden te nemen. Daarmee is het Gelderse tijdperk afgelopen en daarmee zitten we dan ook volop in het Habsburgse tijdperk. Dat is in 1536. 

Karel V die zoals u weet in 1555 afgetreden is heeft wel over Coevorden nagedacht. Hij vond het Coevorden eigenlijk als vesting had afgedaan en hij neemt in 1551 het besluit om Coevorden te ontmantelen Coevorden van zijn versterkingen te ontdoen, het Kasteel te slopen. Maar dan komt men in het geweer, verschillende steden die vinden dat angstig, Coevorden beschut hier eigenlijk een soort van invalspoort, was een dam op de weg van legers die hier naar westelijker en noordelijker streken wilden trekken en men komt in het geweer en men weet Karel V dan zover te bewegen dat van de voorgenomen sloop word afgezien. Intussen zoals dat bij een goede administratie nodig is en nuttig is, de stukken blijven liggen en de stukken komen later natuurlijk weer onder de aandacht van Philips II. Philips II heeft minder scrupules dan zijn papa ten opzichte van de belanghebbenden hier en Philips II laat inderdaad de vesting Coevorden, de stad en de vesting ontmantelen. Hij laat de grachten dempen en de bolwerken vergraven. Dat heeft maar kort geduurd want in de oorlog die toen volgde, onze 80-jarige oorlog, gaat Coevorden een rol spelen. In 1579 word het opnieuw versterkt en wanneer Maurits er in 1592 voor ligt, dan is het alweer een vesting van belang. Maar Maurits die dan wel niet de erenaam van stededwinger heeft, u weet die is aan Frederik Hendrik toebedacht geworden, maar Maurits weet Coevorden desalniettemin te nemen en Coevorden komt dus dan in prinselijke hand, gaat behoren tot de Zeven Verenigde Provinciën, en Coevorden krijgt de rol van grensvesting toebedeeld. Die rol van grensvesting heeft Coevorden helaas in 1672 slecht kunnen spelen, daar is de stad is nu schuld van noch zijn beste brave inwoonderen maar het waren dus soldaten die op een gegeven moment er geen been meer in zagen om het Kasteel van Coevorden tegen de bisschop van Munster te verdedigen, de stad valt en word dan zoals u weet later teruggewonnen. Dan dient de stad nog als garnizoen, de vesting dient ook nog als garnizoensvesting maar dan is de rol van Coevorden als militair steunpunt toch eigenlijk wel voor een belangrijk deel uitgespeeld. 

Die geschiedenis, dames en heren, heb ik me minder in begeven, om dat te doen zou ik enige maanden moeten gaan studeren in het archief van de Landmacht. Er zijn nog heel wat kaarten en gegevens over, ik heb van één van de aanwezigen heb ik zelfs daar nog enkele gegevens over gekregen waar ik hem dan ook toch wel dankbaar voor ben, maar ik heb gemeend het hierbij te moeten laten, de tijd is ook trouwens toch wel behoorlijk voortgeschreden. Ik geloof dat de ontwikkeling van de vesting Coevorden en de lotgevallen daarvan dan toch maar eens opnieuw en op een andere tijd bekeken moeten worden. Want wij hier nou gaan doen met onze opgravingen en wat wij gedaan hebben, dat is natuurlijk een onderzoek naar het middeleeuwse Coevorden, en nu gaan wij die aanstonds wat lantaarnplaatjes mee bekijken en dan hoop ik op die ontwikkeling van dat middeleeuwse Coevorden nog wel even terug te komen. Op het ogenblik gun ik u van harte uw welverdiende kopje koffie.

Burgemeester Wolters:

Dames en heren, men zegt wel eens dat de geschiedenis een taai vak is, maar dat hangt er dan maar van af van degene die het brengt. De heer Renaud heeft ons ruim drie kwartier bezig gehouden en ik dacht dat geen onzer zich in die drie kwartier verveeld heeft of naar het eindpunt, het punt van rust zoals de heer Renaud het heeft aangekondigd, heeft verlangd.
Meneer Renaud, voor dit eerste deel van uw programma reeds onze heel hartelijke dank, dames en heren er is nu een kleine pauze, wij zijn als gemeentebestuur van Coevorden graag zover gegaan met de uitnodiging dat wij u dat eerste kopje koffie hebben willen aanbieden, mogen wij u verzoeken om uw consumptie in de pauze zelf na afloop af te willen rekenen.
Dan gaan we na de pauze door, naar de plaatjes, de dia’s die meneer Renaud heeft aangekondigd. Ik dacht dat we de pauze niet te lang moesten houden en zou aan de heer Somer willen vragen, ik weet niet waar die zit, of die de ober wat wil mobiliseren. 
(Pauze) 

De heer Renaud vervolgt toespraak met een diapresentatie:

Wat u hier eerst ziet, dat beeld dat voor de Coevordenaren een zeer vertrouwd beeld is, het is namelijk uw aller stadhuis met het jongere gedeelte, tenminste we nemen aan dat dit het jongere gedeelte is en hier het oudere gedeelte dat zich nog ietwat verder voortzet. en dat hij hier moeilijk op één plaatje kon krijgen vanwege de bebouwing die daar van hieruit gezien links nog voor het stadhuis nog aanwezig is.Uit de stukken weten we dat dit gebouw nog lang dienst gedaan heeft in de garnizoensvesting in de militaire gebouwen door de gebruikte materialen, ook nog het wapen, weten we dat dit al wat ouder is. Bij onderzoek dat we hier hebben gedaan in 1958 weten we ook wat hier zo ongeveer aan de hand zou kunnen zijn. Ik heb toen de straat opgebroken gehad, het was bar moeilijk eigenlijk om een inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de gebouwenreeks op dit plein. We tasten eigenlijk helemaal in het duister over wat er precies gestaan had en waar het gestaan had, en speciaal was het bijzonder moeilijk natuurlijk om het middeleeuwse hieruit te schralen. Hier hebt u dan de rest van de lange vleugel, door allerlei omstandigheden wisten we al dat die vleugel niet zo beëindigd was, daar had nog een toren aangezeten, een toren die pas in de 40er jaren van de vorige eeuw verdwenen is. Die afbraak van de toren heeft daar op de hoek dus helaas altijd een ronde plek aan het gebouw achtergelaten.

Hier is dan de achterzijde die de Coevordenaren natuurlijk ook wel kennen, en die veel duidelijker nog laat middeleeuws karakter draagt dan de rest van het gebouw. Hier zien we allerlei zaken in zoals deze lange vensters die duidelijk voor de middeleeuwen spreken althans de late middeleeuwen, we zien hier die twee kraagstenen nog, waar wel iets mee aan de hand is, waar u zich allerlei dingen bij kunt denken, misschien dat hier een uitgebouwd privaat is geweest, dat hopen we nog te onderzoeken, want als het werkelijk zo is, en ik wil dat graag met meneer Corneille Janssen veronderstellen, dan is daar in de bodem weer het nodige bewijsmateriaal voor te vinden. Daar moet u niet bij grinniken, u moet niet denken dat wij dus gediplomeerde putjesscheppers worden, we zijn erg blij als we zo’n afvalgat vinden, met gebroken huisraad uit vorige eeuwen, omdat we daardoor een beeld krijgen van wat er in zo’n huis werkelijk door de bewoners gebruikt is, daar kunnen soms interessante dingen uit komen, daar kan glaswerk uitkomen waar we tegenwoordig bijzonder mee in ons schik zijn, daar kan dus ook al uit tevoorschijn komen Spaanse of Italiaanse mailolica met goudlusterversiering, en wanneer het ook met brokken zijn dan zijn we er altijd bijzonder mee in ons schik omdat het allemaal bewijzen zijn voor handelsbeweging van die tijd waarvoor de betrekkelijke welstand van de bewoners. Nou verwacht ik hier niet zoveel omdat de drosten in die tijd dat hier door een drost gewoond werd, zo in het begin van de 15e. eeuw omdat die drosten in het algemeen ook maar arme ambtenaren waren.

Ik laat dit plaatje speciaal zien om uw aandacht te vestigen op die hoek die er dus helemaal niet fraai uitziet toen ik het plaatje maakte, dat is dus al 10 jaar geleden, toen werd die hoek nog enigermate gedekt door die enorme boom die hier stond. Door die boom zag je eigenlijk niet hoe erg de toestand was, maar binnen het kader van ons onderzoek hebben we toen al in 1958 dus, hebben we toen al die boom laten vallen, die boom weggehaald, vooral ook omdat hij met zijn wortels een gevaar was voor het muurwerk. Hij stond niet al te vast, het was te verwachten dat hij wel een keer om zou gaan, en zou hij zeker die hele hoek van het gebouw hebben meegenomen. U kunt dus de onderzoekers van 1958 dankbaar zijn, dat we die boom toen maar hebben geveld, hoewel men in het algemeen mensen die bomen vellen niet erg dankbaar is. U ziet hier nog allerlei sporen dus van die grote ronde toren die er gestaan heeft, de toren die men dan graag noemt de “donjon”, de hoofdtoren van het oude huis Coevorden.

U ziet ook dat hier nog van die brokken ijzeroer verwerkt zijn, dit is geen baksteen, die donkere steen hier, dat is echte ijzeroersteen, het keert terug trouwens in de funderingen. Ik vertelde u al, ik ben aan de voorkant begonnen, omdat ik helemaal geen idee had van hoe de zaak erin lag en wat eigenlijk kon ontmoeten, aan de voorkant hebben we toen allerlei funderingen ontdekt waar we eigenlijk ook niet veel verder mee gekomen zijn.U ziet hier funderingen die in een tamelijk slechte conditie verkeren en die half over andere muren heen liggen, dit hele samenstel pleit ervoor dat we te maken hebben met bouw, verbouw, herbouw en dat is natuurlijk een vervelende zaak. Want als je dan er uit wilt komen hoe de boel eigenlijk opgemetseld was, hoe in bepaalde stadia de zaak eruit gezien heeft, dan moet je veel meer ontgraven dan alleen deze ene sleuf. Daar hadden we toen de gelegenheid voor en het geld niet meer voor, bovendien is dat natuurlijk in een straat die zo druk begaan wordt als de toegangsweg tot het gemeentehuis niet erg prettig, niet erg makkelijk ook, en het is bij deze ene sondering dan ook wel gebleven. 

Hier ziet u de hele zaak nog wat duidelijker u ziet wel dat het muurwerk dus over elkaar heen ligt, dit ligt over een dwarsmuur heen, daaronderaan is nog de beroemde zwerfkeien waarop men gefundeerd heeft, u ziet duidelijk dat deze muur niet bij dat onderstuk behoort, want hij is er schuin overheen gezet, dit is trouwens ook een buitenmuur geweest wat aan het voegwerk duidelijk te zien is, al met al is dit een samenstel van muren waar ik niet goed uitgekomen ben om zoals ik al zei de doodeenvoudige reden dat je in zo’n geval eigenlijk veel grotere oppervlakten moet blootleggen om samenhang van de verschillende perioden duidelijk er uit te krijgen. Hetzelfde beeld maar ik heb dit plaatje speciaal opgenomen om u te laten zien hoe men hier op zwerfkeien gefundeerd heeft, een goede oude Drentse gewoonte als u naar uw oude kerken kijkt, dan ziet u ook bijna altijd overal dat de funderingen gelegd zijn uit zwerfkeien en van daarop pas met baksteen verder gegaan is. Dat betekent meestal niet dat er twee verschillende perioden zijn, dat betekent alleen maar dat men die zwerfkeien als zware ondergrond heeft gebruikt als funderingsplaat voor het metselwerk in baksteen. Aan de achterkant kregen we iets meer te pakken van het oude, werkelijk oude Coevorden. En hier ziet u een beeld dat inderdaad een bijzondere interessant beeld geeft van wat hier nou eigenlijk aan de hand is. Ik heb dat expres in kleur op laten nemen om u de mooie tekening van de grond te laten zien. Het is heel typisch, dit is namelijk een ophoging, dat betekend dat de grond zo laag was, dat men er met goed fatsoen er eigenlijk niet bouwen kon, en dat men die grond sterk opgehoogd heeft met plaggen, en met zand en dat witte dat is gewoon zand, dat donkere zijn de resten van de plaggen, en wat nog mooier eigenlijk is, u ziet hier deze streep lopen en dat is de voet van een heuvel, geen hoge heuvel, het is geen berg geworden, maar het is toch wel een ophoging in dit lage gebied. 

Dan komt er een aanvulling waarvan we weinig kunnen zeggen, en dan ziet u hier wat rijen paaltjes, en die moeten dus kennelijk gestaan hebben aan de voet van de heuvel waarop in de vroege middeleeuwen en misschien dus al in de 12e eeuw de versterking Coevorden gelegen heeft. Hier hebben we nog wat duidelijker dat beeld van die ophogingen, er is een kernheuvel geweest die uit deze zwarte grond is samengesteld, daar heeft men een mantel om heen gelegd, een mantel die bovendien met plaggen versterkt is en daaromheen is weer nog eens een keer een aanhoging en uitbreiding gevolgd. Daar zitten waarschijnlijk verschillende perioden, we gaan nu opnieuw deze profielen openleggen, gewapend met iets meer kennis van dit soort heuvellichamen, we hebben zo langzamerhand er wel meer gezien, en ik hoop eigenlijk dat we nu de geschiedenis van deze bebouwing er wat duidelijker er uit krijgen. Ik wil ook grotere stukken nu vrijmaken zodat we een beter inzicht krijgen in het verloop van de voet van de helling van die heuvel. En dit is dan vanaf de buitenkant genomen, hier hebt u die zandvulling weer, die plaggen weer, die donkere streepjes, die mantel, die aanvulling, en u krijgt hier dan de paaltjes de parkoenpaaltjes zoals men dat tegenwoordig ook noemt, die de voet van de heuvel beschermd hebben. Aan de rand van de gracht dus, dat heeft men enige malen naar buiten toe uitgelegd, dit is een 2e rij, die er in een boog omheen ligt, dat verschijnsel, dat heb ik niet alleen maar in deze ene sleuf geconstateerd, heb ik ook in een andere sleuf geconstateerd.Ik weet dus zeker dat men die voet van die heuvel enige malen heeft versterkt en opnieuw uitgebouwd, dat is natuurlijk ook wel logisch, zoiets vergaat en moet na zoveel jaren weer hersteld worden. Dit is een andere reeks paaltjes, dat komt er op die foto natuurlijk slecht uit, maar die staan schuin naar buiten. En deze reeks palen die hebben dienst gedaan als palissaderingen, als afweer, we kennen dat uit verschillende andere opgravingen. Men heeft vaak aan de rand van de gracht, aan de binnenrand van de gracht, dus aan de kant van het Kasteel, palen schuin de bodem in gezet om dus als eerste hindernis eigenlijk dienst te doen. Kennelijk hebben we hier dus met zo’n eerste hindernis te maken. Dat er misschien al een vrij zware palissadering ook al op de rand gestaan heeft zou kunnen aangeduid worden, kunnen worden gesuggereerd door die ene grote zware paal. Maar u voelt wel als je daar een duidelijk en overtuigend beeld van wil ontwerpen dan moet je niet eentje maar een hele reeks vinden en daarom ook ben ik nu van plan grotere delen van dit fraais open te leggen. Hier ziet u nog wat duidelijker dat die laatste rij paaltjes daar schuin in zijn gezet, hier ziet u het duidelijk aan. En dat is niet waarschijnlijk dat dit komt door het wegdrukken van de grond want die grond die werd hier op deze rij al tegengehouden.Het is logisch dat een heuvel in de loop van de tijd uitzakt, dat men er bij het zetten van nieuwe parkoenpalen naar buiten gaat het is dus ook logisch dat we dit tot een oudere periode rekenen dan deze rij.

Maar zoals gezegd, ik moet hier toch wel wat meer materiaal hebben om hier een duidelijk beeld te krijgen van de hele wording van de zaak. Duidelijk is in ieder geval, dat toen Philips de zaak heeft dichtgegooid, uit deze gracht die ik u zojuist liet zien en dit heuvellichaam eigenlijk volkomen heeft doen vervagen. Die grachten zijn opgevuld en toen men na 1579 opnieuw begonnen is Coevorden te versterken toen heeft men zich van die oude gracht weinig aangetrokken. Hier ziet u het stadhuis nietwaar, dat ligt hier, daar ligt dan die lange vleugel, de toren is hier geeneens op aangegeven, maar men heeft daaromheen geprojecteerd dat is nog werk geweest van de architect van Oerle uit Leiden die hier wat op gestudeerd heeft. Hij heeft daar een bolwerk om heen getekend volgens het Oudhollandse vestingstelsel dus dit is wel een ontwikkeling van 1579 en later natuurlijk, houdt helemaal geen rekening meer met de oude toestand, men zou hoogstens kunnen zeggen, dit gedeelte dus dat is het Noorden, ja, dus westelijk van het stadhuis, daar moet dan de, nee, dit is het Noorden, he, ja, dus zuidelijk van het stadhuis daar moet dan de voorburcht gelegen hebben en op grond van het plaatje van Jacob van Deventer zou je dat eigenlijk ook wel zeggen.

Hier hebt u nog een kadastraal plan uit het begin van de vorige eeuw, u weet misschien dat Napoleon ons vele kwade dingen heeft gebracht, een van de goeie dingen waartoe hij de Nederlanders heeft genoodzaakt is het maken van een kadaster. En dat is niet allemaal in de tijd van Napoleon gebeurd, dat heeft men ook later voort moeten zetten, sommige provincies en sommige gewesten was men pas in de 20er jaren bezig om mooie goeie min of meer betrouwbare kadastrale opmetingen te maken. De heren van het kadaster noemen dat altijd het minuutplan, die noemen dat niet de kadasterkaart van 1820 of zo, die hebben het over de kadastrale minuut. Hier staan nog allerlei gebouwen op die in de garnizoensvesting een rol gespeeld hebben, duidelijk uit te herkennen valt hier de lange vleugel die er nu nog is met de toren die toen nog bestond want ik vertelde al, die is pas in de 40er jaren van de vorige eeuw afgebroken.

En hier hebben we dan de oudste uitbeelding van het Kasteel van Coevorden die we kennen, dit is namelijk de opmeting van Jacob van Deventer. Wij zijn Jacob van Deventer bijzonder dankbaar voor de opmetingen die hij gemaakt heeft van vele steden, vele vestingwerken, omstreeks 1550. Jacob van Deventer is er de oorzaak van dat we over een serie kaarten beschikken die voor ons onderzoek meestal van groot belang zijn, oudere bronnen hebben meestal namelijk niet, in een heel enkel geval beschikken we over ouder materiaal.

Het meest is dus uit de tijd van Jacob van Deventer. Maar Jacob van Deventer heeft het gedaan in opdracht van de Spaanse koning, Philips II, en als hij dichter bij onze geschiedenis stond dan zouden we Jacob van Deventer moeten versieren met de naam van collaborateur want hij heeft het gedaan om de Spaanse koning aan militaire kaarten te helpen, voor het geval van een belegering. Lodewijk XIV heeft ook een dergelijk idee gehad en die heeft dat zelfs voortgezet op nog veel spectaculairdere wijze, die heeft namelijk modellen laten maken door schrijnwerkers van alle mogelijke steden en de frontieren van zijn koninkrijk. Die kunt u ook nog bekijken, die modellen, die staan op het ogenblik in het Musee de Plan Reliëf, helaas op de zolders van Des Invalides, daar is een plan om dat allemaal over te brengen naar Versailles maar zover zijn ze nog niet, de overbrenging alleen al die kost geloof ik al een half miljoen nieuwe francs. Maar om op die plannen terug te komen, Lodewijk XIV erkende nog dus ook zelfs nog het belang van dergelijke kaarten en van dergelijke reliëfs. Zover is het hier niet gekomen, er zijn geen schrijnwerkers aan het werk geweest om dit allemaal in modellen om te zetten, het is gebleven bij deze kaarten. Maar ze zijn vrij nauwkeurig, in sommige gevallen zelfs zeer nauwkeurig, alleen ze zijn wat, ja, wat, ik zou zeggen rommelig getekend, je hebt er soms wel een verklaring bij nodig, en nu is het zo, dit is het stadje Coevorden, dit is de vesting, dit is het kasteel, hier hebben we dan de voorburcht, daarachter ligt een gedeelte van de hoofdburcht, de toren is er nog vrij duidelijk op te zien, met dat donkere puntdakje, helemaal links dus, de kaarten van Jacob van Deventer zijn gekleurd, en daardoor is de oorspronkelijke kaart iets makkelijker te lezen dan de foto’s en dan ligt hier nog een grachtje dat in de 40er jaren van de vorige eeuw nog bestond en dat toen moddergracht genoemd werd en dat alles zegt over de staat waarin dat watertje verkeerde het is dan nu maar toen ook gedempt omdat men in zelfs in de 40er jaren men van oordeel was dat daar vele ziekten, muggen en weet ik wat, ratten daar hun kweekplaats hadden. Dit moet dus de voorburcht zijn en men zou zo zeggen dat hier dus rechtsboven nog iets te zien is van één van die bergvredes, één van die toren dus op de hoeken. En verder ziet het er vrij ontmanteld uit, ik denk eigenlijk dat het werk waar Philips II opdracht toe gegeven heeft, dat dat toen al voor een deel was uitgevoerd. 

Wij vragen ons af hoe dit oudste kasteel van Coevorden er heeft uitgezien, en dan grijpen we natuurlijk naar voorbeelden die uit dezelfde tijd dateren en daarom laat ik u hier enkele van de mogelijkheden zien zonder me erover uit te spreken of dat kasteel van Coevorden werkelijk zo geweest is.
In het midden van de 12e eeuw was er een kasteelvorm die we nog terugvinden in het kasteel van Leiden, dat is namelijk het chateau a motte, de versterking op de heuvel. Het is genomen vanaf het stadhuis in Leiden, u kijkt er dus half in, dat is een hoge heuvel, die een meter of acht hoog is dus niet zo maar eens een ophoginkje, en op die hoge heuvel heeft men eerst een houten gebouw gehad waarschijnlijk, later is daar deze stenen muring op gezet, dat kan je niet in één keer doen. Als je de grond opgehoogd hebt moet je de grond eerst tot rust laten komen anders valt er niet met steen in te bouwen, dan verzakt de boel, scheurt de boel, en verder ga ik niet. Het is dus in de middeleeuwen ook al. Dit is dus een mogelijkheid. In Coevorden acht ik die mogelijkheid niet erg groot, gezien het profiel dat we in deze twee sleuven aan de achterkant gevonden hebben. Ik zal die sleuven nu wel verder doortrekken dan toen mogelijk was, ik kon toen niet vlak bij de muren van het huis komen, omdat het nog bewoond was en teveel overlast zou aandoen aan de bewoners, maar ik ga daar natuurlijk nog wel zoeken naar het oorspronkelijke loopvlak dat bij die heuvel hoort, vind ik geen loopvlak, dan is er een kans dat het ding er inderdaad hoger geweest is en dat de heuvel afgeplat is door misschien in de 15e eeuw al, de tijd van Frederik van Blankenheim, dat is op het ogenblik natuurlijk nog niet te zeggen. Dit is dus de burcht van Leiden die dateert ook uit het midden van de 12e eeuw. 

Ik laat u er nog een plattegrondje van zien, het is een muring met steunberen aan de binnenkant, waar een weg overheen gelopen heeft, een viaduct, kunt u haast nog op de plaatjes zien, aan de binnenkant van de muring was een vrij grote toren van tufsteen een heel vertrouwd beeld, u krijgt dat beeld ook terug in de versterkingen, die een haast onmiddellijke opvolger van bisschop Hartbert heeft laten bouwen, Godfried van Rhenen n.l. in de twee bekende versterkingen van hem, de burcht van Montfoort in Utrecht en de burcht van Vollenhove, vind u dezelfde figuur. De muring met aan de binnenkant tegen de muur aangeschoven een grote zware of minder zware woontoren. Een figuur die we dus ook in de burcht van Leiden hebben. 

Hier hebt u een beeld van de binnenkant, u ziet deze viaduct over die steunberen, daar loop je dus daar is dus de weergang achter de kantelen, schietgaten, in de ruimten tussen de steunberen en hier is de oorspronkelijke toegang teruggevonden, bij de herstellingen die op het ogenblik plaats vinden en hier hebt u een buitenaanzicht hiervan, u ziet hier duidelijk wat een mooie hoge heuvel het is, een burcht die behoord heeft tot de domeinen van de Hollandse graven, later vinden we hier de burgraven van Leiden uit den huize Wassenaar en nog later in de 15e eeuw dan koopt de stad Leiden de hele zaak maar dat is voor u in dit geval niet van belang, van belang is dat dit een burchtvorm is die dus in het midden van de 12e eeuw denkbaar is. 

We hebben veel meer van die dingen, ik laat u hier Berg zien waar de muur waar het woonvlak hoog ligt op dit niveau en waar de muur naar beneden gezakt is, niet meer bovenop de heuvel staat maar men heeft de muur naar beneden toe doorgetrokken tot aan de teen van heuvel en die muur die kon dus wanneer de rivier hier hoog stond inderdaad bespoeld worden door het water. Berg is een heel mooi voorbeeld van zo’n toch nog wel veelhoekige of ronde burcht zoals we die in de 12e. eeuw mogen verwachten met een latere toren, de oude toren heeft voor het front van dit huis gelegen en stond hier dus niet aan de muur maar stond binnen in de muur, die figuur is dus ook denkbaar.
Bij de restauraties heeft men daarvan sporen teruggevonden. Men kan natuurlijk hebben dat zo’n muur, zo’n veelhoekige of ronde muur niet alleen dus van binnen met een toren versterkt was maar het kunnen ook uitspringende torens zijn. 

Waardenburg is daar wel een heel mooi voorbeeld van, daar hebt u dus een veelhoekige muur, verwant dus aan de ronde van Leiden met uitspringende torens hier is er één, maar er zijn er veel meer geweest waarbij een onderzoekje is gedaan waaruit gebleken is dat eigenlijk die hele buitenkant verstevigd was door die uitspringende ronde torens. Dit is dus Waardenburg, dateert uit het begin van de 13e. eeuw. 

Een ander mooi voorbeeld is Batenburg, in de Betuwe, helaas bestaat er alleen nog maar een ruïne van die in de 15e. eeuw een keer onder handen genomen is, we hebben het idee dat alles wel staat op oude grondvesten, het muurwerk waar we tegenaan kijken dat is voor een belangrijk deel in de 15e. en in de 16e. eeuw vernieuwd. Maar men heeft daarbij het oude patroon, de ronde burcht, met een enkele uitspringende toren zoals deze, toch wel behouden.

En dan hebben we hier een mooi voorbeeld van zo’n muring, met een toren er tegen aan en tijlingen, tijlingen kent u allemaal wel, althans u weet van het bestaan af, u kent het verhaal van Jacoba, die hier haar laatste levensdagen gesleten heeft, heel mooi voorbeeld van een ronde burcht die nu niet meer op een hoogte ligt maar die net als Berg met zijn voeten in het water staat. Misschien hier niet zo duidelijk te zien, helaas is een groot deel van de gracht om tijlingen dichtgewerkt. Hier hebt u hem van de andere kant, met de oude ingang hier tussen deze pijlers, de nieuwe ingang die in de loop van de 13e. eeuw gemaakt is, ook in zo’n afgeplat gedeelte, en daar aan de binnenkant zijn toen ook een paar torens gezet.
Hier ziet u hoe die grote zware toren die tegen de muur gezet was en die als woonverblijf heeft gediend, hoe die met de muur meebuigt. Bouwkundig is dat natuurlijk een tamelijke merkwaardige figuur. Het is ook mogelijk dat hier in Coevorden op die ophoging, ik durf haast niet te zeggen heuvel, dat daar een grote zware woontoren heeft gestaan. 

En om u een idee te geven van zo’n woontoren laat ik u hier één van de oudsten zien die we nu kennen, dat is namelijk Eenvliet, dus op de eilanden bij Rotterdam op de weg van Rotterdam naar Brielle, daar komt u dat ding tegen, het verkeerde in een heel bouwvallige staat, dit gebouw, maar gelukkig heeft Monumentenzorg dit eens een keertje laten consolideren. We zijn niet zo erg grif met het consolideren van ruïnes, dat ligt kennelijk niet zo in de Nederlandse volksaard, als u in Engeland komt, dat is het wensbeeld natuurlijk he’, als u hier in Engeland komt, dan ontmoet u op uw pad heel wat van die geconsolideerde ruïnes, die de zorgen van de Serve for Ancient Monuments geconsolideerd en ook verder onderhouden worden. Maar zo’n toren zou dus denkbaar zijn als woonplaats voor onze oudste Coevorders, zo in de 2e helft van de 12e. eeuw en in de 1e. helft van de 13e. eeuw. 

Ik laat u nog een voorbeeld zien van een ontwikkeling zoals die plaats gevonden heeft in Kessel, daar heeft eerst een zware grote vierkante toren gestaan, zo’n woontoren, die dus al met de uitzonderlijke naam van donjon wordt betiteld, niet Don Juan zoals ik dat wel eens van een van mijn brave volksuniversiteitstoehoorders hoorde, die dacht dat ik Don John zei in plaats van donjon, die verbond daar heel wat anders aan natuurlijk, maar nee, een woontoren. Een toren die meteen dienst doet als verdedigingswerk en als woongelegenheid. Hier in Kessel heeft men die toren op een gegeven moment afgebroken, men heeft er heuvel omheen gebouwd, en op die heuvel ontstond toen een muring zoals Leiden, een hele merkwaardige ontwikkeling, die ik hier Coevorden nou eigenlijk niet verwacht, maar die dus ook nog plaats kan vinden. Ik heb bij de opgravingen in Kessel een stukje van die oude woontoren blootgelegd, in de kelders hadden we gelegenheid om daarbij te komen, dan ziet u wat een merkwaardige voorkomen dat had, die toren was gebouwd uit zwerfkeien, uit Maaskiezel, uit kolenzandsteen, stukken tufsteen, en zelfs hier en daar brokken Romeins puin. Dat zouden we hier niet zo gauw kunnen verwachten, maar ijzeroersteen zou zeker toch deel uitgemaakt hebben van het bouwmateriaal waarmee een eventuele toren hier in Coevorden moet zijn opgetrokken.
Ik laat u van dat Kessel nog iets meer zien, omdat dit zo’n typisch beeld geeft van een vroegmiddeleeuwse burcht, net als Leiden op een heuvel gelegen, hier hebt u dan de Maas natuurlijk, het ligt aan de Westelijke oever van de Maas, tussen Venlo en Roermond, toren en de heuvel is hoog, van het loopvlak binnen de burcht tot aan de Maas is 20 meter.
Dus dat is een behoorlijke afstand, Kessel is in de oorlog erg getroffen, daarna is het geconsolideerd vandaar dat we hier het middeleeuwse patroon er weer zo mooi uit zien komen. 
Hier hebt u de zijkant, dat is niet de kant die naar de Maas is toegekeerd, tussen deze twee ronde torens is een toegang geweest, ik had daar graag nog iets meer van aan het licht gebracht maar het geld was op, men had niet de moed en het geld meer zelfs om de baksteen hier af te hakken en de mergel tevoorschijn te brengen en de oude ingang hier weer in het zicht te brengen.
Dat blijf dus voorbehouden aan het latere geslacht van onderzoekers en restaurateurs. 

Hier hebt u dan weer een ander beeld, hier zit de grote zware toren weer heel duidelijk in, dit is Stein en wat dus ook kan gebeuren is hier gebeurd, het poortgebouw dat oorspronkelijk op de zelfde hoogte lag als de grote toren, die dan heel toepasselijk de witte toren wordt genoemd, het poortgebouw is in de loop van de 15e. eeuw naar beneden gezakt, maar de heuvel heeft men behouden en de muring waarvan nu helaas grote delen verdwenen zijn, die is eigenlijk tot in de 17e. eeuw bewaard gebleven. U ziet dat de middeleeuwen, daar laat ik dit voor zien, op alle mogelijke wijze van zijn aanpassingsvermogen, van zijn combinatievermogen, blijk geeft in de resten die we binnen onze landspalen nu nog bestuderen kunnen. 

En u begrijpt daar hopelijk ook uit dat er ook dus voor Coevorden allerlei mogelijkheden zijn waar we wel degelijk rekening mee te houden hebben. Dit is zo’n beeld van een ronde burcht met uitspringende torens waarbij dus de muren ook weer de teen van de heuvel omvatten, dit is namelijk Horne bij Roermond, waar de graven van Egmond en Hoorne vandaan komen, dat wil zeggen niet de graven van Egmond maar dan wel de graven van Hoorne, die we in de 15e. eeuw in Weert vinden en niet hier, hier zat een drost, waardoor dit kasteel zich niet verder ontwikkeld heeft en waardoor we hier eigenlijk nog een goed beeld hebben van zo’n 12e. eeuwse burcht. Een van die telgen van Hoorne, die is ook nog bisschop geweest op de Utrechtse bisschopsstoel, Herman van Hoorne. Al in het midden van de 12e. eeuw ook. Ongeveer ook in de tijd van Harbert. Dit is dan de buitenkant, hier ziet u ook dat in de loop van de tijd de zaak een keer verhoogd is, bouwtechnisch is het natuurlijk bijzonder interessant wat hier gebeurd is, oorspronkelijk waren de muren dus iets lager maar men heeft ze op een gegeven moment met mergel opgehoogd, dat is ook aan de binnenkant heel mooi te zien, kijk daar hebt u twee weergangen boven elkaar, dit is de oudste weergang, die kon men bereiken via dit trapje, later heeft men de wal opgehoogd met een nog groter stuk dan er al stond, dit is veel groter zoals u wel ziet en de tweede weergang die moest bereikt worden via deze trap dan de toren door, dan over de zolder heen daar hebt u de toegang, komen zo op de weergang. Helaas zijn de kantelen hier verdwenen, zodat het heeft een vrij vlak uitzicht en voorkomen gekregen. De bogen zijn doorgeslagen, dat is door meneer Maillier gebeurd, of liever gezegd op zijn bevel om dat de bezitter, de meneer Maillier in plaats van de vorige eeuw die beslotenheid van die muring niet zo erg plezierig vond en wat meer uitzicht en lucht wilde hebben. Dit beeld is dus voor die vroege tijd heel typisch, en dan laat ik u een paar buitenlandse voorbeelden zien, van enorme woontorens die we hier en daar in ons land eigenlijk ook nog wel kunnen verwachten, ik vraag me namelijk wel eens af, als we ooit nog eens een onderzoek doen naar het kasteel van Gennep, dat ook al zo vroeg terug gaat, of we dan ook niet zo’n dergelijke woontoren terug zullen vinden. Het is een mooi Engels voorbeeld, dat is Rochester, in de buurt van Londen, iets zuidwestelijk van Londen, daterend van ongeveer dezelfde tijd waaruit dus ons vroegste kasteel van Coevorden zou moeten dateren. 
Niet alleen maar een doodeenvoudige woontoren, maar de hoeken nog versterkt met uitspringende ronde en vierkante torens. Een geweldig bouwwerk waar men hier toch ook ongetwijfeld technisch toe in staat is, of ze het geld ervoor gehad hebben, werkkrachten ervoor hebben kunnen vinden, dat is eigenlijk een tweede. Maar als men bedenkt wat er in Westfalen in de 9e, 10e. en 11e. eeuw al aan kerken gebouwd is met enorme westwerken dan kan men zich best voorstellen dat een slotvoogd van Coevorden of een bisschop van Utrecht die opdracht geeft tot de bouw van een sterkte in Coevorden, dat hij wel degelijk tot dergelijke dingen kon komen. 

Maar dan als laatste geef ik u nog een Frans voorbeeld, maar u vind ze in heel Europa verspreid, en daarom zou het helemaal niet zo gek dat er hier ook iets dergelijks geweest was, dit is n.l. Loche, een van de grote torens van FulkNerra, FulkNerra dat betekend eigelijk zwarte valk, is een graaf van Anjou geweest omstreeks 1000 na Chr. Dus nog even vroeger wel dan onze bisschop Hartbert en ons Castrum van Coevorden 1159 nietwaar, FulkNerra is een man geweest die grenzen van Anjou heeft verdedigd en omgeven heeft met enorme zware donjons, met grote torens, Loche is er één van, er zijn er nog andere, die voor een deel althans nog in wezen zijn, Loche is misschien wel de oudste van de bestaande, en één van de mooiste, er is nog een ander, maar daar zijn alleen twee wanden van bewaard, Lanjet, die zou omstreeks 1000 gedateerd zijn. FulkNerra leefde dus op het eind van de 10e. en het begin van de 11e. eeuw. 

Dames en heren ik heb u nu een idee willen geven van de mogelijkheden en ik heb u bovendien iets willen laten zien van de sondering, van de verkenning die we tien jaar geleden hebben uitgevoerd. De bedoeling is natuurlijk nu wel om de zaak nog eens zeer goed onder handen te nemen en nu te proberen werkelijk tot resultaten te komen, tot een inzicht te komen ook zeker betreffende het vroegste kasteel van Coevorden, ik hoop daarbij de burgemeester op zijn plaats te kunnen laten, maar ja u voelt wel, als het nodig is onder zijn voeten de vloer op te breken en te kijken wat er onder de burgemeesterskamer ligt dan zal de burgemeester voor de wetenschap moeten wijken.

(applaus) 

Burgemeester Wolters:

Dames en heren, ik geef dhr. Renaud graag carte blanche, ik ben graag bereid om voor de wetenschap te wijken, ik dacht dat wij hier vanavond de wetenschap dankbaar moesten zijn voor datgene wat ze al hebben aangetoond van het Kasteel van Coevorden. De heldere geschiedbeschrijving die dhr. Renaud in het eerste deel van zijn betoog heeft gegeven en de mogelijkheden die hij heeft geopperd, daar zijn zoals u wel hebt begrepen allerlei mogelijkheden, daarover moet nog nadere studie plaats vinden, en daarvan heeft hij u in het tweede deel van zijn programma een duidelijk inzicht gegeven. Ik dacht meneer Renaud, dat ik namens de hele zaal sprak, namens allen die van verre zelfs zijn gekomen, als ik u heel hartelijk dank voor de bijzondere avond die u ons hebt geboden. We hebben er tien jaar op moeten wachten maar u staat weer in de startblokken, we hebben goede verwachtingen van meneer Renaud dat we samen met u en met allen die het gemeentebestuur van Coevorden daarbij moeten, en kunnen en willen steunen het tot een goed einde brengen zodat er toch iets niet alleen sonderen, niet alleen conserveren maar ook restaureren van datgene wat er geweest is en al is dan niet het kasteel in zijn oudste vorm wat uw belangstelling in het bijzonder heeft, dan is het de vorm waarin het kasteel in latere tijd heeft verkeerd en waarvan wij nu nog duidelijk de resten voor ons zien. Ik hoop dat mede uw inspanning, uw inzet en uw voorlichting daartoe zal mogen bijdragen. 
Dames en heren, in dacht dat we af moesten zien van het stellen van vragen, het is half elf, meneer Renaud logeert hier in hotel de Sleeuwerik, als er onder u zijn die een dringende vraag hebben, dan kunnen ze die stellig nog even in de voorzaal aan ons doorgeven, daar zullen wij met meneer Renaud nog enige tijd verblijven. Moge ik u danken voor uw aanwezigheid, moge ik u wel thuis wensen, en mogen we uw applaus ter onderstreping van datgene wat ik heb uitgesproken, de waardering voor de lezing en de dia’s van meneer Renaud.

(applaus)