Inleiding

Onderwerp van deze scriptie is het gasthuisfonds in Coevorden in de periode 1410-1854. Dit gasthuisfonds begon als een Heilig Geest Gasthuis. Door het ontbreken van een stichtingsbrief is geen precies beginjaar bekend. Het ontbreekt aan voldoende onderzocht en beschreven bronnenmateriaal over bovengenoemd onderwerp. Archiefonderzoek in het rijksarchief in Assen en het gemeentearchief in Coevorden vult een leemte op in de geschiedschrijving over Coevorden wat betreft het gasthuisfonds. Overigens is de periodisering een gebruikelijke. Hoofdstuk I behandelt de tijd tot 1795. Het tweede hoofdstuk gaat over de Bataafse en Franse tijd en de periode tot de armenwet van 1854. Het jaartal 1854 vormt een geschikte grens omdat op achtentwintig juni van dat jaar de wet tot regeling van het armbestuur in werking trad.

Het zou aardig geweest zijn de geschiedenis van het Coevorder gasthuisfonds te vergelijken met andere soortgelijke instellingen. Binnen Drenthe heb ik geen vergelijkbare instelling kunnen vinden. In Kampen, Deventer en Borne waren dergelijke instellingen wezenlijk anders. Ten eerste kenden die een gebouw, het gasthuis, en was er sprake van een bijzonder of gemengd bestuur.

Het zoeken van vergelijkingsmateriaal in Kampen, Deventer en Borne heeft te maken met het feit dat Coevorden tot 1791 onder het overijssels rechtssysteem viel. Er is nog een complicatie. Coevorden was tot 1854 garnizoensplaats en had stadsrechten. Vooral dat eerste gaf Coevorden iets eigens. Al in 1557 schreef Gerard van Oostendorp in opdracht van graaf van Aremberg het volgende over Coevorden: “Ende Covorden heeft syn recht op sich selvest, welcke onseeker is, naedien de eene segt: sy richten nae Sallands recht, ende die ander: nae Stadtrecht. Oock hebben sy een recht dat sy hieten Coversche wille”.

De periode 1674 tot 1813 was er één zonder oorlogsgeweld. Het aanwezige garnizoen verschafte de Coevorder middenstand een vaste bron van inkomsten. Ook sociaal-economisch had de aanwezigheid van een garnizoen invloed. In verband daarmee zouden detailstudies over Joden en Rooms-katholieken in Coevorden interessant zijn. Deze groepen waren namelijk relatief groot in het achttiende- en negentiende eeuwse Coevorden.

Tot slot van deze inleiding formuleer ik enige vragen waarop deze archiefscriptie een antwoord hoopt te geven.

 

-         Hoe kwam het gasthuis, respectievelijk het gasthuisfonds tot stand?

-         Waaruit bestond het bezit van het fonds?

-         Hoe was de relatie gasthuisvoogd(en) en het burgerlijk bestuur?

-         Veranderde de aard van de bezittingen van het fonds en de wijze van beleggen in de loop der tijden?

-         Hoe was de verhouding Coevorder bestuur en provinciaal c.q. rijksbestuur met betrekking tot het gasthuisfonds door de tijden heen?

-         Waren er bepaalde voorwaarden waaraan armen moesten voldoen om uit het fonds bedeeld te worden?