Hoofdstuk 2, Het gasthuisfonds tijdens de Bataafse en Franse tijd (1795 – 1814) en de periode tot de Armenwet van 1854.

Op grond van gevonden archiefstukken en literatuur verdeel ik de periode 1795 – 1814 in vijf stukken.  

1795-1796Vergadering van de provisionele representanten van Coevorden, representanten der burgerij genoemd
1796-1798De municipaliteit van Coevorden
1798-1805Het plaatselijk bestuur van Coevorden
1805-1810Het gemeentebestuur van Coevorden
1810-1814Het gemeentebestuur van Coevorden

Op dertien januari 1795 besloot de vergadering van burgemeesters en gezworen gemeente om drie weduwen enige stuivers uit de “Gasthuis Cassa” te geven. Het betrof de weduwen Winshemius, Hillegien Zwiers en De Bok. De dames Winshemius en Hillegien Zwiers vroegen tien stuivers per week. Over de weduwe Winshemius werd opgemerkt: “het geld moet blijven staan en bij de gasthuis voogt berusten, om daar uit voor haar kostgeld betalingen te doen”. De reden waarom dat zo geregeld werd is niet uit het betreffende archiefstuk te halen. De boekhoudende gasthuisvoogd op dat moment was de burgemeester J. Muller. Secretaris der stad was de patriottisch gezinde B. Slingenberg.
Deze gaf in de raadsnotulen zorgvuldig aan, hoe Coevorden door twaalfhonderd Engelse soldaten verlaten werd op acht februari 1795. Twee dagen later werd een groene denneboom in de stad opgericht. In de kerk werd een commitee revolutionair gekozen. Hierin had genoemde B. Slingerberg zitting met drie ander leden. In een op twaalf maart gevormde stadsregering, representanten der burgerij genoemd, hadden naast B. Slingenberg ondermeer zitting J. Schutstal, J. Woltersom, K. van Tarel en J.A. Wispelweij.

Op vier mei 1795 besloot de vergadering van de provisionele representanten van Coevorden aan burger A. van der Plaat drie stuivers per week te geven boven een bestaande vergoeding uit de “Gasthuis Cassa.
De leuze “vrijheid, gelijkheid, broederschap” prijkte boven stukken van het bestuur van de stad tot 1800. Vanaf oktober 1800 wijzigde B. Slingenberg de volgorde. Hij schreef toen gelijkheid, vrijheid, broederschap. Begon de jonge patriot van 1794, de “maire”van 1811-1814 en burgemeester van 1814-1843 aan “de ware vrijheid” te twijfelen? De bovengenoemde leuze leidde niet tot wijziging van het bedelingspatroon van het gasthuisfonds. Uit diverse archiefstukken kon ik de gang van zaken volgen rond een weduwe van een ex-burgemeester van de stad. Die burgemeester was Jan Zwaluwe. Hij was het die in 1756 zijn handtekening zette onder het inkoopcontract van de weduwe Bruna in het gasthuisfonds). In 1786 liet Jan ten overstaan van de “scholtus” Roelof Haasken zijn testament opmaken. Zijn tweede vrouw, de weduwe Wibbegien Christiaans kreeg toen een aanzienlijk deel van de erfenis toegewezen. Op vierentwintig september 1795 gingen de representanten der burgerij akkoord met een verzoek van de mombaar van Wibbegien, J. Wispelweij, tot het verlenen van onderstand uit de gasthuiskas. De verleende onderstand bedroeg dertig stuivers per week. Als tegenprestatie maakte zij het gasthuis tot eigenaar van:
- haar huis aan de St. Jansstraat
- haar graf in de kerk
- haar meubelen

De betreffende overeenkomst werd ondertekend met Wibbegiens “handmerk” in aanwezigheid van de mombaar J. Wispelweij, gasthuisvoogd H. Cremer, J. Woltersom, J. van der Scheer en secretaris B. Slingenberg. Op tien maart 1801 had Wibbegien een nieuwe mombaar, Jan Weggeman, die met het plaatselijk bestuur overeenkwam de weduwe nog een extra stuiver uit het fonds toe te kennen, in ruil voor haar overige “tilbare” goederen na haar overlijden.
Een inventarisatie van deze goederen laat ik hieronder volgen:
Een bedde, een peul (pul), zes jakken, twee mantels, vijf rokken, twee blaauwbonte schorteldoeken, drie kussenslopen, vijf lakens, tien mutsen, drie zwarte kapjes, vier schoorsteenvallen, een vrouwebroek met een lap, een zwarte schorteldoek, een zwarte mantel, een zonhoed.

Uit de periode dat het stadsbestuur zich municipaliteit noemde heb ik twee archiefstukken geselecteerd voor nadere bespreking. Het eerste, gedateerd twee juni 1796, was een verzoek van gereformeerde diakenen gericht aan de municipaliteit van Coevorden om de uitkering uit het gasthuisfonds aan Lutgert Munnik door te blijven betalen na haar opname in het Weeshuis. De kerkeraad had plaatsing in het Weeshuis van genoemde dame goedgekeurd vanwege haar hoge leeftijd en lichaamsgebreken. Het verzoek werd door de municipaliteit toegestaan. Bovendien mocht het Weeshuis na overlijden de inboedel van Lutgert behouden.

Op zeventien september 1796 ging de municipaliteit akkoord met het inkopen in het gasthuisfonds door Hinderikus Stul en zijn vrouw Geesien Buters. In ruil voor een toelage van twee gulden per week voor beide of vijfentwintig stuivers voor één van hen, indien de partner eerder zou overlijden. Hun redenen voor deze transactie waren de hoge leeftijd en ziels- en lichaamsgebreken. Hun inbreng in het fonds bestond uit;
- een huis aan de Kerkstraat
- de huismeubels zoals geplaatst op een inventarislijst.

De gasthuisvoogden waren op dat moment H. Cremer en H. Slingenberg.

De periode 1798 – 1805 kende de bataafse revolutie van januari 1798. Vanaf dertig januari 1798 werd het gewestelijk bestuur het “Intermediair Administratief Bestuur” genoemd.
B. Slingenberg had er zitting in. Deze bestuursvorm werd op dertig maart 1799 al weer ontbonden. Drenthe kwam onder het bestuur van het departement van den Ouden IJssel dat haar bestuurscentrum in Zwolle had. Het bestuur van Coevorden noemde zich in de periode 1798 – 1805 plaatselijk bestuur. Onder de besluiten van dat bestuur stond in die periode alleen de handtekening van B. Slingenberg. Op tweeëntwintig juli 1799 werd door het plaatselijk bestuur besloten voorlopig het beheer van het gasthuisfonds te geven aan de voogd Hinderikus Cremer. De andere voogd H. Slingenberg had voor een verdere “bediening bedankt”.

Op vijftien juli 1800 trad er een algemene armenwet in werking. Hoofdkenmerk was een gecentraliseerde armenzorg. Dat bracht met zich mee staatstoezicht op bestaande instellingen voor armenzorg. Volgens H.F.J.M. van de Eerenbeemt kwam de wet niet tot uitvoering. In 1802 werd genoemde armenwet ingetrokken. Toch waren de gevolgen van genoemde algemene armenwet in Coevorden merkbaar.

Op acht oktober 1800 besloot het plaatselijk bestuur van Coevorden om gasthuisvoogd H. Cremer op te dragen de volgende gegevens te verstrekken.
- het aantal bedeelden’
- de hoogte van de bedeling in geld, voedsel, kleding en anderszins
- een staat van fondsen en bezittingen.
- De opbrengst van uitgezette gelden

Secretaris B. Slingenberg gaf in een uitgebreid schrijven aan waarop het verzoek aan de gasthuisvoogd gebaseerd was. Het was allemaal begonnen met het besluit van het Uitvoerend Bewind om per vijftien juli 1800 in werking te brengen het “Reglement op het algemeen Armen Bestuur”. Een “missive” dienaangaande werd door de “Agenten van inwendige Politie, Nationale Opvoeding en Nationale Deconomie” in september naar de departementale besturen verstuurd. In de hoofdplaats van het departement van de Oude IJssel, Zwolle, kwam de “missive” in de departementale vergadering aan de orde op zes september 1800.
In de genoemde “missive”werd overigens duidelijk gesteld dat de gevraagde gegevens alleen verstrekt moesten worden indien sprake was van een niet-kerkelijk armbestuur. Of de gevraagde inlichtingen ooit verstrekt zijn, is mij niet uit archiefstukken gebleken.

De neiging van het stadsbestuur gasthuiszaken eigenmachtig aan te pakken is al enige malen gebleken. Nog een voorbeeld daarvan vormde de verhuur van drievierde dagwerk hooiland in erfpacht aan de weduwe A. Wispelweij. Hiertoe werd een contract getekend tussen Jacobus Wispelweij namens zijn moeder, de genoemde weduwe, en namens het plaatselijk bestuur als bevoegden inzake gasthuisbezit, H. Rikkers en B. Slingenberg. Kennelijk waren de heren stadsbestuurders niet zeker van hun zaak getuige artikel drie van genoemd contract.

In dat artikel werd de hele transactie afhankelijk gesteld van een eventuele afkeuring door een “daartoe bevoegden magt of regeering”. Mocht het contract om voornoemde reden nietig verklaard worden, dan zouden kosten van grondbewerking door de weduwe of haar erfgenamen gemaakt, geclaimd kunnen worden. Nog op diezelfde dag, nl. dinsdag tweeëntwintig september 1801 ging het plaatselijk bestuur officieel in een apart stuk akkoord met genoemd contract. B. Slingenberg zette boven besluiten van het stadsbestuur (demonstratief?) het woord vrijheid na gelijkheid. Maar zou het heilig vuur van de jong-patriot van 1795 al zover gedoofd zijn dat hij tegen elke centralistische tendens in meewerkte aan een transactie waarop het begrip coöptatie van toepassing verklaard kan worden?

Op vier april 1805 werd een reglement voor het bestuur van Coevorden door het departementaal bestuur van Overijssel goedgekeurd. Er kwamen weer vier burgemeesters. De functie van secretaris bleef. In 1807 kwam er opnieuw een nieuwe regeling. Het bestuur berustte vanaf toen bij één burgemeester en vier wethouders. B. Slingenberg was toen nog secretaris der Stad.

De term gemeentebestuur kwam toen op stukken voor. Het was in die periode dat het gemeentebestuur besloot om Wolter Jansen per één mei 1810 de pacht op de Erve de Koppel op te zeggen. Bij die Erve behoorde ook land, waarop géén erfpacht rustte. De reden was dat wanneer de zaak verkocht werd, “daarvan veel meer voordeel zouden kunnen komen”. Waarschijnlijk brandde een huis op de Erve de Koppel bij oorlogshandelingen rond 1813/14 af. In ieder geval is het zo dat burgemeester en raad van Coevorden op donderdag negen juni 1814 toestemming gaven aan de gasthuisvoogden H. Cremer en T. Werndly, een huis en schuur te laten herstellen tot een bedrag van zeshonderd gulden.

De Franse tijd was begonnen met het koningschap van Lodewijk Napoleon, die op drieëntwintig juni 1806 zijn officiële intocht in Den Haag deed. Op negen juli 1810 werd het Koninkrijk Holland ingelijfd bij Frankrijk. Coevorden werd toen ingedeeld bij de prefectuur Groningen, departement van de Wester-Eems. Te Assen zat een onderprefect over het arrondissement dat samenviel met het voormalige departement Drenthe. Op negentien juni 1811 nam het gemeente bestuur van Coevorden kennis van een besluit van “de heer provisioneel fungerende onderprefect” van het arrondissement. Deze schreef dat het gouvernement der “Fransche Republiek”had bepaald dat administraties van gasthuizen (en andere armeninstellingen) niet langer een goedkeuring van het gouvernement hoefde te vragen wanneer zij legaten in de vorm van geld of meubilair ontvingen waarvan de waarde minder dan driehonderd franken bedroeg. Het betreffende stuk werd voor gezien ondertekend op dertig juni 1811, door J. Woltersom Gz., als boekhouder-diaken der Hervormde Gemeente. Op twee juli ondertekende H. Dommers als diaken der Rooms Katholieke Gemeente. Voor de Hollands Israelitische Gemeente ondertekende de “directeur” Israel Izak op drie juli 1811.

De onderprefect Mr. J. Engelenberg stuurde op acht juli 1811 een circulaire aan het gemeente bestuur van Coevorden. Hij voldeed hiermee aan de opdracht in een missive van de intendant van binnenlandse zaken van vierentwintig juni 1811. Het ging erom de armbesturen duidelijk te maken dat sinds de invoering van het “Wetboek Napoleon”, oude bepalingen wat betreft de acten van indemniteit niet meer van toepassing waren. Opnieuw werden de drie kerkelijke armbesturen in kennis gesteld. Op tweeëntwintig juli 1811 vroeg J. Engelenberg gegevens op over de Coevorder armenfondsen. Ook wilde hij wat meer over de aard en omvang van het gasthuisfonds weten.

Het antwoord zoals geschreven door secretaris B. Slingenberg geef ik letterlijk weer:
“Alhier bestaat een bijzonder Plaatselijk fonds, hetgeen den naam heeft van Gasthuis, doch geen gasthuis is, als zijnde alleen ingerigt om daaruit arme ingezetenen van de Stad, welke nog enig vermogen bezitten, van dat vermogen gedurende hunnen leeftijd te ondersteunen, door eene uitkering in geld en ook om arme ingezetenen welke niets bezitten, indien de Plaatselijke Autoriteit het noodzakelijk oordeeld en het fonds het toelaat daaruit eenige ondersteuning te verleenen”.

Het is duidelijk hoe het Coevorder bestuur het gasthuisfonds zag. Het was van en voor Coevorder burgers. Dat bleek al duidelijk in 1757 uit het antwoord van burgemeesters en gezworenen aan Drost A.C. van Heiden, waar zij stelden dat “het selve (gasthuis) van oude burgers soude zij opgerigt”.

Eén en ander betekende intussen wel dat de hogere overheid langzaam maar zeker door middel van regel- en wetgeving haar invloed op plaatselijke armenfondsen vergrootte. Zo gaf op zes december 1814 gouverneur P. Hofstede een missive uit waarin instructies stonden over het opstellen van begrotingen door gemeentebesturen. Deze mochten alleen geld geven aan armeninrichtingen in uiterste noodzaak. Artikel achtenzestig van een Koninklijk Besluit van negen januari 1824 bepaalde dat leden van een algemeen stads-armbestuur door de raad benoemd moesten worden, voor zover daaromtrent in de fundatiebrieven niet anders mocht zijn bepaald. Op pagina drie beschreef ik de overdracht van collatie- en patronaatsrecht over het Heilig Geest Gasthuis aan de “Stadt en de Burgeren van Coevorden”. In dit stuk werd gerept van een “fundatie” door Frederik van Blankenheim. In bovengenoemd Koninklijk Besluit werd dit begrip fundatie onjuist gebruikt.

Bedoeld zal wel zijn de stichtingsacte. Feit was dat het beheer van het gasthuisfonds onder het burgerlijk bestuur bleef. Een concept-instructie voor gasthuisvoogden van circa 1820 stelde in artikel één dat gasthuisvoogden ondergeschikt waren inzake de administratie aan de “Raad der Stad”. De praktijk was dat burgemeester B. Slingenberg de gasthuisvoogd T. Werndly “authoriseerde”over te gaan tot bedeling. Om de economische betekenis binnen Coevorden van het gasthuisfonds te verduidelijken dient de volgende staat met gegevens.  

Aantal bedeeldenHet stadsbestuur  Het Gasthuisfonds  
  InkomstenUitgaven InkomstenUitgaven
 1691f 417,---1694f 318-16-11f 188-10-0
 1748f 856,---1751f 456-1-13f 627-14-10
411817f 5.125,--f 4.025,--1817f 1.622,--f 1.119,--
401821f 7.572,--f 6.676,--1821f 1.175,--f 1.128,--
441829f 4.184,--f 4.461,--1829f 6.016,--f 5.314,--
421830f 4.283,--f 4.967,--1830f 3.266,--f 1.819,--
481845f 7.215,--f 6.709,--1845f 2.846,--f 2.675,--

De economische betekenis van het gasthuisfonds voor de Coevorder gemeenschap was groot. Wij zagen eerder dat er weinig bereidheid bij het plaatselijk burgerlijk bestuur bestond invloed toe te staan aan provinciaal of landelijk bestuur. Het plaatselijk karakter van het fonds mag breed opgevat worden. Arme reizigers, Joodse ingezetenen, Rooms-Katholieke burgers en Protestanten werden bedeeld. Daarnaast kon je via het fonds een “oude-dags-reserve”kopen door een inkoopcontract. Uit niet één archiefstuk is mij gebleken dat een jongere zonder aanwijsbare handicap steun kreeg. Naast het gasthuisfonds gestonden er een Nederlands-Hervormd armbestuur, een Rooms-Katholiek armbestuur en een Israëlitisch armbestuur. De Nederlands-Hervormde was bovendien bestuur over het plaatselijk weeshuis.

Het algemene karakter van het gasthuisfonds blijkt uit onderstaande gegevens die betrekking hebben op subsidies verleend door het gemeentebestuur uit de algemene middelen.  

 Hervormd armbestuurR.K. ArmbestuurIsraelitisch Armbestuur
1842f 385,30f 221,75f 30,--
1843f 334,75f 212,--f 90,--
1844f 391,--f 142,96f 30,--
1845f 330,--f 26,65f 41,--
1846f 622,85f 75,76f 50,--
1847f 650,--?f 50,--
1848f 650,--?f 50,--
1849f 700,--?f 50,--
1850f 400,--?f 50,--

Ter afsluiting van dit hoofdstuk nog een tweetal algemene opmerkingen. Een economische verantwoording van de hoogte van een steunbedrag is niet te geven, indien er geen sprake was van een inkoopcontract. Het gasthuisfonds was in de letterlijke zin van het woord een “algemeen” fonds naast de kerkelijke armenfondsen.