Hoofdstuk 1, Van Heilig Geest Gasthuis naar gasthuisfonds ( 1395-1795)

In 1395 werd de laatste “heer” van Coevorden gedwongen tot overgave van het kasteel. Deze Reinoud IV accepteerde noodgedwongen op vier april 1402 de pandsom van de Utrechtse bisschop Frederik van Blankenheim. De bisschop strafte op deze manier zijn eigenzinnige leenman. Coevorden en Drenthe werden een geïntegreerd deel van het Sticht. Reinoud behield wel Twenthe en het graafschap Bentheim.

In Coevorden waren in de twaalfde eeuw twee kerken. In 1231 werd de stad verwoest. Ook de oude kerk die volgens Picardt ten westen van de stad lag ging in vlammen op. Op die plek werd een gasthuis, gewijd aan de Heilige Geest, gebouwd. Van de schenkingen tot 1410 is niets bekend. In dat jaar schonk de eerder genoemde Reinoud IV een erf onder Aenwende aan het Heilig Geest Gasthuis. Bisschop Frederik van Blankenheim bevestigde de fundatie in 1411 van het hospitaal en het Heilig Geest Gasthuis op het oude kerkhof.

De bisschop benoemde een ambtman of Drost van Coevorden en Drenthe. De Drost op zijn beurt benoemde een slotvoogd. In 1395 werd Zweder van Heeckeren geheten van Rechteren, de eerste Drost. Deze schonk samen met zijn vrouw Fije in 1397 aan Schepenen en Raad van Kampen “te behoef oers oelden Heijlighen Gheijsteshuus” achttien morgen land in Mastebroek. Of hij dat ook deed in Coevorden heb ik niet kunnen vinden.

Seyno Mulert, die van 1516-1522 slotvoogd was, deed op éénentwintig juli 1560 nog een schenking aan de priester Johan Leydeckers, bestemd voor het Heilig Geest Gasthuis. Dit geslacht Mulert kreeg het collatie- en patronaatsrecht van het Heilig Geest Gasthuis uit handen van Frederik van Blankenheim.

Op twee april 1614 gaven Unico van de Ruitenborg, heer van Staveren en Drost van het ambt Geelmuiden en zijn vrouw Johanna Mulert, vrouwe van de Cranenburg, het collatie- en patronaatsrecht aan de “Stadt en de Burgeren”van Coevorden. Als redenen voor deze schenking werden genoemd: de tegenwoordige constitutie van de tijd en de aandrang van de burgers van Coevorden “tot vorderinge van de armen aldaar”. Of deze redenen geheel op waarheid berustten valt te betwijfelen.

Op tien mei 1598 kreeg het landsbestuur van Drenthe een brief, waarin de hervorming werd bevolen. Alle roomskatholieke geestelijken moesten uit de dienst ontheven worden. Ze moesten hun woningen binnen drie weken ontruimen en de kerkelijke eigendommen ter beschikking van kerkvoogden of oudsten stellen, tenzij over werd gegaan tot de nieuwe religie. In 1596 kwam in Coevorden de gereformeerde predikant Johannes van Beveren met de Staatse troepen mee.

In 1602 bepaalde een speciale classis in Assen bijeen dat de landschap zou worden verdeeld in drie classes. Coevorden viel binnen de classis Emmen. Visitatoren moesten er toezicht op houden of de leer wel zuiver beleden werd. Wellicht moeten we vanuit dit protestandtiserings-proces de redenen om het collatie- en patronaatsrecht af te staan begrijpen. Daar kwam nog bij dat in de jaren 1576 – 1594 vrijwel de gehele Drentse adel de partij van de prins koos.

Inmiddels bestond het Heilig Geest Gasthuis niet meer als bouwwerk. De Spaanse stadhouder Verdugo breidde de vesting in 1581 flink uit. De kapel en het oude kerkhof aan de westzijde zijn toen waarschijnlijk opgeofferd.

Het stadsbestuur van Coevorden bestond sedert 1545 uit burgemeesters, schepenen en een raad. Daarnaast bestond de gezworen meente en gemene meente. In de eerder genoemde schenkingsacte van Unico van den Ruitenborg en zijn vrouw Johanna Mulert werd de verantwoording voor de inning van gelden en het beheer van goederen gelegd bij de Drost en de magistraat van de Stad. De verantwoording voor het beheer van fondsen en bezittingen van het Heilig Geest Gasthuis lag bij het burgerlijk bestuur. Geheel in deze lijn lag het feit dat Drost E.A. van Palland op achttien mei 1688 bepaalde dat Jacob Louwen “meensman” van de stad Coevorden tot “Gasthuis Meester” zou worden benoemd. Het jaarlijks tractement bedroeg vijfentwintig guldens. In het bijzijn van één van de vier burgemeesters van Coevorden moest Jacob een eed afleggen. Deze burgemeester was waarschijnlijk H. Mauritius. Hij stond borg voor de nieuwe gasthuismeester. Jaarlijks moest Jacob rekening en verantwoording afleggen van “revenuen en opkomsten vant selve Gasthuys”. De genoemde eedsaflegging vond plaats op twintig september 1688. Op drie juli 1694 noemde Jacob Louwen zich gasthuisvoogd in een verantwoording van inkomsten en uitgaven van het “Heilig Geest Gasthuis”. Deze financiële verantwoording was gericht aan Burgemeesters, Schepenen en Raad der Stad Coevorden. De inkomsten bedroegen 318-16-11. De uitgaven waren 188-10-0.

Op dinsdag twintig februari 1714 ging de vergadering van burgemeesters en gezworen gemeente van Coevorden akkoord met een voorstel betreffende een inkoop in het gasthuisfonds door de gasthuisvoogd Jacob Louwen gedaan. Berent Jansen Smit, geboren te Emmelkamp, mocht zich inkopen voor 500 Caroly guldens met als tegenprestatie een uitkering uit dat fonds van één Caroly guldens per week, zonder korting of enige belasting. Op elf oktober 1733 gingen burgemeesters en gezworen gemeente akkoord met een schenking van 500 Caroly guldens door Tunnis Jansen uit Emmelkamp aan het gasthuis. Ook hij kreeg als tegenprestatie voor de rest van zijn leven één Caroly gulden per week. De gasthuisvoogd was toen G. Wildrich, die tevens sinds 1715 de functie van secretaris der stad had. Op éénentwintig maart 1750 werd Jans Kramer secretaris der stad bij actum getekend door A.C. Baron van Heiden.

In de contracten met Berent Jansen Smit en Tunnis Jansen werd met geen woord gerept over instemming van Drost C. van Dongen. Op dertig december 1748 werd deze opgevolgd door eerder genoemde Alexander Carel van Heiden. Het lijkt er sterk op dat de magistraat van Coevorden de Drost probeerde buiten zaken betreffende het gasthuis te houden. Of het met zo geweest zijn dat alleen bij transacties met onroerend goed instemming van de Drost nodig was. Dit zou kunnen blijken uit een door de Drost gegeven toestemming tot een grond-schenking aan het gasthuis op dertien juni 1745. De schenking werd gedaan door B. Bartlink de “hoofdmombaar” van de simpele en van verstand beroofde Jan ten Holthe.

Indertijd had de heer Drost en Baron van Echten (Van Dongen) al goedgevonden een gift aan het gasthuisfonds met als tegenprestatie een uitkering uit dat fondt van achtentwintig stuivers per week aan de verzorgers van Jan ten Holthe. De zestig tot zeventigjarige “van zijn verstand beroofde” man werd steeds moeilijker in de omgang. Zijn verzorgers eisten daarom een hogere vergoeding. Vandaar de aanvullende schenking van een half dagwerk hooiland uit de nalatenschap van Jans ouders aan het gasthuis. Als voorwaarden voor de schenking werden genoemd:
a. het dragen van de kosten door het gasthuis van de verzorging tot de dood van Jan ten Holthe.
b. het laten begraven als een burger van Coevorden.

Drost A.C. van Heiden hield zich actief met het bestuur in Coevorden bezig. Dat blijkt uit de volgende voorbeelden:  

- Op één oktober 1751 gaf de Drost opdracht aan magistraat en gasthuisvoogden van Coevorden wekelijks twee gulden en tien stuivers te betalen aan Maris van Ravensborg. Deze “juffrouw” was over de zestig jaren oud en betaalde op vijf oktober 1751 duizend gulden aan het gasthuisfonds. De “gemeensman” Jan van der Scheer had een verzoek tot uitkering als boven omschreven rechtstreeks gericht aan Drost A.C. van Heiden. J. Van der Scheer was curator inzake een erfenis ten name van Maris. Kennelijk was hij niet zeker van een goede aanpak van de zaak door de Coevorder magistraat getuige zijn woorden dat hij ”niet sonder reedenen besorgt is: of er sonder tusschenkomst uwer Hoog Wel.geb.: gestr. Authoriteit wel so expidet zal worden geresolveert als gewigt der zaak komt te requireren”.

- In 1751 tekende secretaris Kramer een overzicht van inkomsten en uitgaven van het gasthuisfonds voor akkoord. Het overzicht was bestemd voor de Drost. Als inkomsten werden genoemd f 456-1-13. De uitgaven bedroegen f 627-14-10. Het belegde kapitaal bedroeg f 1200-0-0.

- Op veertiende september 1753 benoemde de Drost de burgemeesters van Coevorden, de gezworen gemeente, de kerkvoogden en de gasthuisvoogden. De eerder genoemde Jan van der Scheer werd naast zes anderen benoemd in de gezworen gemeente. De gasthuisvoogden werden de burgemeester J. Zwaluwe en de “gemeensman” H. van Eerde. Beurtelings moesten de heren één jaar lang de administratie van het fonds verzorgen.

Had de Drost dus toch een stevige greep op het Coevorder gasthuisfonds? Waarom verzocht hij dan op tweëntwintig oktober 1757 aan burgemeesters en gezworenen van Coevorden om de volgende inlichtingen over het gasthuis te Coevorden:

 - “een memorie ten welken einde het gasthuis is opgerigt”

- “een staat van alle personen zo tegenwoordig in het gasthuis van Coevorden zijn, haar qauliteiten en conditien, derzelver ouderdom en wanneer ze in het gasthuis gekomen zijn”

- Hoeveel mensen bedeeld werden en hoe groot het bedrag was dat zij ontvingen

- Een staat van effecten en inkomsten van het gasthuis.

Bepaald geen vragen die van grote kennis van zaken betreffende het Coevorder gasthuis getuigden. Laten we nu eens kijken wat de heren burgemeesters en gezworenen op achtentwintig december 1757 antwoordden. Opgemerkt werd dat het onbekend was, “op wat wijs het selve (gasthuis) is angelijt, maar na alle gedagten soude het van oude borgers zijn opgerigt”. Het heeft er alle schijn van dat het stadsbestuur er weinig trek in had de Drost wijzer te maken dan deze al was.

Hoe ging het nu in zijn werk als iemand zich ingekocht had in het gasthuis door schenking van onroerend goed en kwam te overlijden. Dit was het geval met de weduwe Bruna in 1756. De heren gasthuisvoogden lieten toen een tekst gedurende drie zondagen in de kerk ophangen. Hierbij werden diegenen, “die eenige prententien of beswaar mogt hebben, op ses coewijden van de weduwe Bruna gelegen in het moer”, verzocht zich te wenden tot de gasthuisvoogden. Ingezetenen van Coevorden hadden hiervoor zes weken de tijd en “uitheemsen” twaalf weken.

Was er geen sprake van een schenking aan het gasthuis dan kregen weduwen tien stuivers per week. Dit was bijvoorbeeld het geval met de weduwen Selders en Lucretia Lugtenaar vanaf veertien januari 1772. Bij een dergelijke toewijzing beslisten burgemeesters en gezworen gemeente. Gasthuisvoogden waren op dat moment de burgemeester H.J. Werndly en de secretaris der stad J.C. Werndly.

Op twintig februari 1776 stierf op Laarwoud Drost Alexander Carel, graaf Van Heiden. Opvolger werd zijn zoon Sigismund Pieter Alexander van Heiden. Na 1762 was zijn titel Van Heiden Reinestein, door aankoop van de ridderhofstede Reinestein in dat jaar. Op vierentwintig juni 1779 maakte hij gebruik van zijn collatierecht zoals E.A. van Palland in 1688 had gedaan. Hij benoemde burgemeester J. Muller tot beheerder van de administratie van het gasthuis. J. Muller kwam in de plaats van burgemeester A. Cremer die op zijn beurt weer de administratie van de kerk kreeg te beheren, in plaats van J. Schutstal.

Alvorens de periode van de Bataafse en Franse tijd in Coevorden te bespreken vermeld ik enige gegevens over het bezit van het gasthuisfonds.

 In 1694 bedroegen de inkomsten f 318-16-11 en de uitgaven f 188-10-0.

  1. Rond 1725 bestond het bezit uit:
    a. vierenveertig stukken land
    b. vijf boerenhoeven
    c. acht huizen
    d. de school met vier kamers in de Kerkstraat
    e. één stoel in de kerk bij de kleine deur
    f. op rente gezet kapitaal – 5.172 Caroly guldens.
  2. In 1779 bedroeg het kapitaal 13.100 Caroly guldens. Verder bezat het gasthuis éénenvijftig land en zes huizen.
  3. In 1800 bedroegen de uitgaven f 1.553-12-3 en de ontvangsten f 2.041-2-5

Ter vergelijking noem ik de stadsinkomsten in 1691, die f 417 bedroegen. In 1748 bedroegen de inkomsten van de stad f 856.

De genoemde gegevens moeten niet te absoluut genomen worden. Zij dienen slechts om de grote betekenis van het gasthuisbezit voor de Coevorder gemeenschap aan te tonen. Twee bezittingen van het gasthuis wil ik nog apart vermelden. Het eerste is het “Heilig Geestland tot Gees”, genoemd in 1725. Misschien is hier nog een naamsherinnering aan de kapel en het Heilig Geest Gasthuis uit de vijftiende eeuw. Het tweede feit betreft een lening aan de stad op éénentwintig juli 1685, groot 1.411 Caroly guldens met als onderpand het stadhuis aan de Kerkstraat. In 1751 loste de stad de schuld weer af plus een rente van 150 Caroly guldens.