Conclusies

De vraag hoe het Heilig Geest Gasthuis van Coevorden tot stand is gekomen blijft onbeantwoord. Een stichtingsbrief is niet gevonden. Dat zelfde geldt ook voor eventuele schenkingsacten ouder dan 1410. In de periode van de protestantisering ging het bezit van het Heilig Geest Gasthuis niet over in handen van de kerkeraad van de gereformeerde kerk. Het werd een fonds onder burgerlijk bestuur van Coevorden. Deze gang van zaken is geheel in overeenstemming met de door Van Apeldoorn, Maris en andere auteurs beschreven reformatie der geestelijke en kerkelijke goederen. Deze bleven bestemd voor de specifieke doeleinden waarvoor zij waren bedoeld: Opleiding van geestelijken (na de reformatie dominees in plaats van priesters), zieken- en bejaardenzorg, onderwijs of armenzorg. Het laatste was dus in Coevorden het geval.

Aan het eind van de zestiende eeuw stond er geen gasthuis meer op het oude kerkhof ten westen van de stad. In de stad moet nog wel een huis gestaan hebben dat in het overzicht van inkomsten en uitgaven van 1751 nog genoemd werd als "het Gasthuis met de kamers". Een huis voor minvermogenden is dit niet geweest getuige het feit dat er f 35-0-0 huur per jaar op betaald werd. Ook uit het antwoord van secretaris B. Slingenberg gegeven aan onderprefect J. Engelenberg in 1811 bleek dat er geen gasthuis meer was in Coevorden. In de inventaris van "De Milly van Heiden-Reinestein" noemt H.H. Jongbloed Maria van Ravensborg "gasthuisbewoonster". Hieruit blijkt dat genoemde schrijver ervan uitgaat dat het gasthuis als gebouw bestemd voor minvermogenden nog bestond. Dit lijkt mij onjuist, gezien het feit dat bewoners van genoemd huis huur betaalden.

Het bezit van het fonds bestond gedurende de gehele onderzochte periode uit op rente gezet kapitaal, grondbezit, huizen en een plaats in de kerk. De inkomsten van het fonds waren in verhouding tot de inkomsten van de stad aanzienlijk te noemen. De betreffende tabel in de tekst geeft hiervan een indruk. Per jaar traden sterke schommelingen in het inkomsten- en uitgavenpatroon van zowel het gemeentebestuur als het gasthuisfonds op. Wel is er een verschuiving merkbaar waarbij de inkomsten en uitgaven van het gemeentebestuur sterker stijgen dan die van het gasthuisfonds. De gasthuisvoogden waren steeds ondergeschikt aan een burgerlijk bestuur. Dit bestuur probeerde steeds gasthuisaangelegenheden in eigen beheer te houden. Rechtens was het plaatselijk bestuur verantwoording schuldig over gasthuiszaken aan de Drost en later het provinciaal bestuur.Je kon geld uit het fonds krijgen als je je ingekocht had. Maar het kwam ook voor dat steun verleend werd aan bezitslozen. Armen van alle gezindten konden steun krijgen uit het fonds, als zij door ouderdom en/of lichaamsgebrek niet tot werken in staat waren. Een economische verantwoording van de hoogte van een steunbedrag is niet te geven. Was er sprake van een inkoopcontract dan werd een vast uitkeringsbedrag per week gegeven.