Plannen voor een afwaterings- en scheepvaartkanaal naar de Vecht bij Ane

Inmiddels is het Rijk verder gegaan met het maken van plannen voor een afwaterings- en scheepvaartkanaal van Coevorden naar Ane. Door het opgeven van Coevorden in de vijftiger jaren als vesting was de situatie rond de stad voor de plannenmakers eenvoudiger geworden. De keersluis bij Hultenboer was komen te vervallen, hiervoor was een schutsluis met omleidingen voor de afvoer van het water dicht bij Ane in de plaats gekomen. Het kanaal zou nabij Ane het overtollige water op de Vecht brengen en ook daar in verbinding worden gebracht met de Dedemsvaart. Met deze scheepsvaartverbinding had het Rijk de bezwaren van de provincie Overijssel tegen het oorspronkelijke plan kennelijk weggenomen.

Overigens achtte de Minister deze verbinding nodig, aangezien de scheepvaart vanuit Coevorden door de slechte toestand van de Kleine Vecht vrijwel geheel was komen te vervallen. Een rijkssubsidie werd in het vooruitzicht gesteld. Alvorens hiertoe voorstellen aan de Kamer te doen wenste de Minister te weten, welke financiële bijdrage de Provincie in de onderneming wenste te steken. Voorts vroeg hij of de Provincie bereid was om zich met het onderhoud van het kanaal te belasten. De kosten van het plan waren inmiddels opgelopen tot een bedrag van ƒ 125.000,-- (25).

Het provinciale bestuur zag zich door de voorstellen van de Minister in het nauw gedreven. De verfoeilijke verbinding van de Dedemsvaart met Coevorden leek onontkoombaar. Op herhaald aandringen van de Minister bracht het College de zaak in de Staten. Deze stelden een subsidie van ƒ 10.000,-- in het vooruitzicht, een bedrag dat vroeger bij een aanmerkelijk eenvoudiger plan reeds was toegezegd. Ten aanzien van het onderhoud was men bereid om jaarlijks ƒ 500,-- hierin bij te dragen (26). De bijdrage van de Provincie was wel heel mondjesmaat. Heel duidelijk valt hierin de onwil te bespeuren om medewerking aan het plan te verlenen. Geheel anders was de houding van het gemeentebestuur van Coevorden, dit zag in het plan de lang verwachte oplossing van de moeilijkheden en problemen.

Het wendde zich tot de Staten met het verzoek een hogere subsidie voor het plan beschikbaar te stellen (27). Het verzoek kwam het provinciaal bestuur hoogst ongelegen. Want andermaal had het tegenslag ondervonden bij de ontwikkeling van kanaalplannen binnen Drenthe. Na het mislukken van het Algemeen Plan van Kanalisatie was alle aandacht gericht op de Hoogeveesche Vaart. In 1850 was de NV Drentsche Kanaal Maatschappij opgericht, met de bedoeling om het bestaande kanaal van Meppel naar Hoogeveen te moderniseren, het kanaal door te trekken tot in de Emmervenene en een zijkanaal aan te leggen westelijk van Dalen tot in de grachten van Coevorden.

De ondernemers kregen hiervoor in 1850 de vereiste concessie. Onder de oprichters van de maatschappij bevonden zich onder andere mr. J.A.G. Baron de Vos van Steenwijk, Commissaris van de Koningin in Drenthe, mr. J. Tonckens lid van Gedeputeerde Staten, mr. L. Carsten burgemeester van Hoogeveen en mr. L.A. Tockens burgemeester van Emmen. Het kapitaal van de maatschappij was bij de statuten bepaald op ƒ 650.000,=. Voor die tijd wel een zeer hoog bedrag. Het geplaatste kapitaal bedroeg ƒ 591.000,= waarin de provincie Drenthe de provincie Drenthe voor ƒ 225.000,= had deelgenomen.

Prioriteiten

Uit de hoogte van dit bedrag, maar ook uit de namen van de oprichters van de maatschappij spreekt wel duidelijk waar de belangstelling van Drenthe lag. Zeker niet te Coevorden met de Overijsselse kapers op de kust.Na de verbetering van de Hoogeveensche Vaart van Hoogeveen naar Meppel bleek dat het grootste deel van het kapitaal van de maatschappij was verslonden en ontstonden er grote financiële moeilijkheden. Om het werk te kunnen voortzetten moest er naar andere middelen en uitbreiding van het kapitaal worden uitgezien. Eén van de middelen was gelegen in een beperking van de verplichtingen van de concessies. De maatschappij wendde zich daartoe tot de minister met het verzoek de concessie in die zin te wijzigen, dat zij o.m. werd ontheven van de verplichting tot het maken van een zijkanaal naar Coevorden. Het was in deze periode van onzekerheid over het voortbestaan van de D.K.M. en het laten vervallen van het zijkanaal naar Coevorden, dat de Provincie het verzoek van Coevorden kreeg tot verhoging van de subsidie in het kanaal naar Ane. Het betrof een verhoging tot ƒ 25.000,--.

Wel/geen kanaal?

De staten hebben lang en vaak over de kwestie gesproken, de zaak werd vele malen verdaagd. Enerzijds vond men, dat Coevorden geholpen diende te worden en dat het op de weg van de Provincie lag om de gevraagde subsidie te verlenen. Anderzijds wenste men hier niet toe over te gaan voordat vast stond, dat de Hoogeveensche Vaart tot in de Emmervenen zou worden verlengd en de zekerheid bestond dat de turf door Drenthe zou worden afgevoerd. Ook de mededeling van de Minister in 1855 dat er een rijkssubsidie van ƒ 60.000,-- in het kanaal naar Ane zou worden verleend, deed de staten niet tot een besluit komen. In de zomerzitting van 1856 spraken de staten nog uit, “dat vooralsnog aan het verzoek van het gemeentebestuur van Coevorden niet kon worden voldaan”. (28). Het was toen echter al te laat, men had de vogel over het net laten vliegen. De kans om bij een kanaal van Coevorden naar Ane een vinger in de pap te houden was verkeken. Nog geen maand later vroegen mr. A. Slingenberg te Coevorden en L.B.J. Dommers te Nieuw Amsterdam concessie aan voor een kanaal van Coevorden naar de Haandrik (29). Hiermee was het scheepvaartkanaal naar Ane van de baan.