Klachten vanuit Duitsland

Inmiddels (1818) had ook de Hannoverse regering zich met klachten over wateroverlast tot de Gouverneur van Drenthe gewend (5). De Hannoveranen stelden voor om een kanaal aan te leggen van Fähre over Ahnen naar de Hultenboer. Feitelijk vroeg de Hannoverse regering het water buiten de vesting om te leiden. De Gouverneur wist niet beter dan de Duitsers naar de landsregering te verwijzen. In het grenstraktaat van 1824 zou deze waterkwestie worden geregeld. In het tractaat werd bepaald, dat het Schoonerbeekerdiep twee maal per jaar zou worden opgeschoond en in schouwvrije staat gehouden door de daartoe van ouds verplichte ingezetenen. Het riviertje moest jaarlijks door de wederzijdse autoriteiten worden geschouwd en deze zouden niet gedogen dat aan een goede vrije afwatering enige belemmering werd toegebracht (6).

De bedoelingen van het grenstractaat werden in 1826 in een reglement nader uitgewerkt (7). Het riviertje moest tenminste twaalf Rijnlandse voeten breed en vier voeten diep zijn. In mei en september van ieder jaar moest de schouw worden opgevoerd. Bij nalatigheid betaalde een particulier een rijksdaalder en een gemeente (boerwerk) vier rijksdaalders. De uitvoering van de bepalingen van het reglement en de invordering van de boeten was in handen van de burgemeesters van Coevorden, Dalen en Emlichheim. Uit de correspondentie valt af te leiden, dat de burgemeesters zelf de schouw voerden.