Het verbeteringsplan van 1832

De zware regenval in de zomer van 1829 en de uitgebreide overstromingen rond Coevorden deden niet alleen de hooi-oogst, maar ook andere gewassen als aardappelen en boekweit verloren gaan. Voor de Gouverneur van Drenthe was deze rampzalige situatie aanleiding om zich tot Overijssel te wenden, teneinde de plannen van 1818 nieuw leven in te blazen (8). Het gemeentebestuur van Coevorden richtte zich tot de Koning met het verzoek om middelen te beramen, die de wateroverlast rond Coevorden zouden verminderen. Het gemeentebestuur werd hiertoe zelfs door de Koning in audiëntie ontvangen (9).

Op aandrang van de Koning wezen de beide provincies in 1830 gecommitteerden aan om gezamenlijk tot een oplossing te komen (10). Inmiddels had de waterstaat opdracht gekregen om het plan van 1818 verder uit te werken. Dit plan kwam in 1832 gereed (11). Het plan was aanmerkelijk gewijzigd, doordat het nieuw te graven kanaal nu was doorgetrokken tot in de grachten van Coevorden. Hier moest een ontlastsluis met schotbalken de watertoevoer naar het nieuwe kanaal regelen.

De Kleine Vecht zou nabij de uitmonding in de Vecht door middel van een dam met duiker worden afgesloten. Dit om het binnenstromen van Vechtwater te voorkomen. Het kanaal was tevens ingericht voor de scheepvaart. In geval van een militaire inundatie moest het kanaal bij de Hultenboer door middel van een gronddam worden afgesloten en de langs het kanaal ontworpen kaden doorgestoken. De kosten van het kanaal werden begroot op ƒ 55.000,--.

De ontwerpers stelden voor om de kosten over de belanghebbende gronden om te slaan. Een klassificatie zou dan het belang van de gronden bij de verbetering tot uitdrukking moeten brengen. Van de rijksregering werd een bijdrage voor het Hannoverse water verwacht, terwijl de Genie de kosten van de te bouwen inundatiesluis voor zijn rekening zou moeten nemen.

Eenvoudiger middelen

Bezwaren van Overijssel over de afmeting van de Kleine Vecht, bedenkingen van de Genie tegen een kanaal door het inundatiegebied, maar ook beduchtheid van Coevorden en Dalen voor de hoge kosten waren aanleiding om naar eenvoudiger middelen uit te zien (12). Men dacht zich te kunnen beperken tot de vernieuwing en verbetering van het Fortverlaat en zo nodig de verbeteringen van de Kleine Vecht. Maar ook hiermee ging men niet over een nacht ijs. Eerst moest bewezen worden, dat de sluis inderdaad te klein was.

Dagelijks waterstandwaarnemingen door de waterstaat in de periode 1832-1835 leiden tot de conclusie, dat het verlaat al het aangevoerde water niet kon verwerken (13). Toen Coevorden echter bij het rijk aanklopte voor geldmiddelen om een nieuwe sluis te bouwen, gaf deze niet thuis.

De stad Coevorden besloot dan teneinde raad om het vroegere hulpverlaat naast de sluis in de Trageldijk te herbouwen. In de zomer van 1837 is dit gebeurd. Aan het einde van dat jaar schreef het stadsbestuur aan de Provincie, dat de aangebrachte verandering doeltreffend was (14). Na twintig jaren van plannen maken en confereren was men niet verder gekomen dan tot een situatie, die men in de 18e eeuw reeds had gekend.