Het Algemeen Plan van Kanalisatie der provincie Drenthe

Inmiddels had het Drentse provinciale bestuur andere kanaalplannen ontwikkeld, het zogenaamde Algemeen Plan van Kanalisatie der provincie Drenthe (19). Dit bijzonder ambitieuze project bestond uit de aanleg van een spoorweg door Drenthe in combinatie met een vrijwel de gehele provincie omvattend kanalensysteem. Coevorden zou door een zijkanaal vanuit de te verlengen Hoogeveensche vaart met dit kanaalsysteem worden verbonden. Het plan vermeldde tevens een aantal toekomstige mogelijkheden. Onder meer bestonden deze uit een kanaal vanuit de Verlengde Hoogeveensche Vaart via Schoonebeek naar Meppen en Lingen in Duitsland en het reeds besproken kanaal van Coevorden naar Ane.

De bedoelingen van het provinciaal bestuur met dit plan waren duidelijk. De Bargervenen moesten voor de Hoogeveensche Vaart gereserveerd blijven en de scheepvaartverbinding met Duitsland moest eveneens langs dit kanaal worden gerealiseerd. Wel heel opzettelijk werd Coevorden slechts met een zijkanaal aan het hoofdkanaal verbonden. Beduchtheid van Drenthe voor het plannen van Overijssel om de Dedemsvaart in de richting van Coevorden en van daar naar de Bargervenen door te trekken maar ook de verlangens van de Genie, waren de redenen geweest om Coevorden zoveel mogelijk te isoleren. Het behoeft ons nauwelijks te verwonderen, dat het stadsbestuur van Coevorden niets in het Drentse plan zag.

Het Algemeen Plan van Kanalisatie is overigens geen lang leven beschoren geweest. In december 1845 kreeg de firma Balkema te Delfzijl concessie voor de aanleg van de werken. Nog deze winter werd met grote voortvarendheid op enkele plaatsen met de werken begonnen. Maar al spoedig moesten de ondernemers door gebrek aan geldmiddelen de activiteiten staken.

Mislukking

Het Algemeen Plan bleek een droombeeld te zijn geweest, dat de krachten van de ondernemers verre te boven ging. Het mislukken van het plan moet voor het provinciaal bestuur wel een bittere ontgoocheling zijn geweest. Het had zo graag een kanalensysteem op eigen bodem ontwikkeld, dat de grote hoeveelheden nog te winnen turf zou kunnen afvoeren. Dat zij daarbij de waterstaatkundige afhankelijkheid van de naburen hebben onderschat en om economische redenen in een al te krampachtige provincialisme vielen, valt niet te ontkennen. De ervaringen opgedaan in de Oostermoer en het Zuidenveld waar de stad Groningen slechts zijde spon bij de turfafvoer, zal hierbij zeker een rol hebben gespeeld.

Men heeft althans ten aanzien van zuid-oost Drenthe onvoldoende rekening gehouden met het feit dat een belangrijk deel van dit gebied tot de afwateringseenheid van de Vecht behoorden. Hoe men het ook draaide of keerde het overtollige water uit dit gebied moest men wel bij de zuiderburen kwijt. Het was dan ook vrijwel onontkoombaar, dat tenminste een deel van de Drentse turf langs deze natuurlijke afvoerweg zou worden verscheept. De Dedemsvaart, een kanaal dat in die periode aanmerkelijk moderner was ingericht dan de volstrekt verouderde Hoogeveensche Vaart en zo dicht Coevorden reeds was genaderd, was een concurrent waarmee men terdege rekening moest houden.