De ondergang van de Coevorder Kanaal Maatschappij

Zoals hiervoor reeds werd opgemerkt hadden de ondernemers, die in 1857 de Coevorder Kanaal Maatschappij hebben opgericht, hun oog gevestigd op de ontsluiting en vervening van de Bargervenen. De afvoer van de turf uit dit gebied zou de smalle basis waar de onderneming op steunde – de beperkte scheepvaart van en naar Coevorden – moeten verbreden. Toen een kanaal naar die venen te lang op zich liet wachten, maar vooral door de verbinding van de Lutterhoofdwijk met Coevorden ontviel de financiële basis aan de onderneming. De maatschappij kwam in financiële moeilijkheden en was nauwelijks nog in staat om het kanaal te onderhouden. De deplorabele toestand van het kanaal, de slechte financiële positie van de Maatschappij en het ontbreken van enig uitzicht op een verhoging van de inkomsten in de naaste toekomst, was voor het bestuur van de Maatschappij aanleiding om te proberen het kanaal aan anderen over te dragen.

Plannen

In 1881 verzocht de Maatschappij de provincie Drenthe om overname van het kanaal en mocht de Provincie hiertoe niet willen overgaan, om een subsidie teneinde het kanaal weer in een redelijke staat van onderhoud te brengen (37).Het provinciaal bestuur droeg zijn hoofdingenieur, P. Havelaar, op om de gevolgen van de overname en de mogelijke verbeteringen van de waterstaatkundige situatie na te gaan.Havelaar heeft een uitvoerig onderzoek gedaan. Hij moest constateren, dat de aanvoer van water sinds de aanleg van het Coevorderkanaal aanmerkelijk was toegenomen. Stieltjes was in 1854 bij het opzetten van zijn plannen nog uitgegaan van een maximale afvoer van 10 m3/sec. Havelaar kwam tot de conclusie dat op de stadsgrachten 35 m3/sec werd aangevoerd. Hij ondertekende een drietal mogelijkheden om tot verbetering van de waterstaatkundige situatie te komen en ontwierp de daarbij behorende plannen.

  • Plan A: de verruiming en de verdieping van het scheepvaartkanaal met de vervanging van de erin gelegen kunstwerken. Het afwateringskanaal naar Ane zou eveneens aanmerkelijk moeten worden verruimd en nabij de monding in het Coevorderkanaal van een ontwateringssluis worden voorzien. De kosten werden begroot op ƒ 210.000,-.
  • Plan B: Scheiding van het scheepvaart- en afwateringsbelang door de aanleg van een lateraal kanaal langs het Coevorderkanaal naar het afwateringskanaal naar Ane. Dit laatste kanaal moest aanzienlijk worden vergroot.Zuidelijk van Coevorden diende een afwateringssluis te worden gebouwd. Dit plan werd begroot op ƒ 252.085,-.
  • Plan C: ook dit plan hield een scheiding van scheepvaart- en afwateringsbelangen in. Het betrof een afwateringskanaal vanuit de stadsgrachten bij het Fortverlaat naar een punt aanmerkelijk dichter bij Ane gelegen.Het resterende deel van het afwateringskanaal naar Ane moest daarbij worden verruimd. De kosten bedroegen ƒ 232.974,--.

De plannen B en C hadden naast de hogere prijs het bezwaar, dat vooruit werd gelopen op de verbetering van de Vecht beneden Ane. In 1882 kozen de Staten voor het plan A en besloten om het Coevorderkanaal en de concessie over te nemen voor een bedrag van ten hoogste ƒ 10.000,--. Dit echter wel onder de voorwaarde dat het Rijk in de verbetering van het kanaal een subsidie van ƒ 125.000,-- zou verlenen en Coevorden ƒ 5.000,-- zou bijdragen.In dit stadium was de Provincie bereid om ƒ 80.000,-- in de verbetering van de waterstaatkundige situatie rond Coevorden te steken (38).

Intussen ontspon zich in de Statenvergadering van 4 juli 1883 een juridisch steekspel over de ontbinding en overname van de Maatschappij. Hoewel het besluit tot overdracht van het kanaal aan de Provincie met 94 stemmen voor en één stem tegen was aangenomen, bleken er in de vergadering slechts 235½ aandelen vertegenwoordigd te zijn. Volgens de statuten van de Maatschappij hadden dit er 267 moeten zijn. Voorts schreven de statuten voor, dat de verkoop van de eigendommen in het openbaar moest geschieden. De Staten van Drenthe hielden hun besluit tot overname aan (39).

Men ontkomt niet aan de indruk, dat de tegenstanders van het plan hier een mogelijkheid zagen om de overname tegen te houden.De Coevorder Kanaal Maatschappij maakte echter korte metten met de bezwaren van de Staten. Reeds veertien dagen later op 17 juli 1883 besloot de aandeelhouders-vergadering met algemene stemmen tot wijziging van de statuten en de overdracht van het kanaal aan de provincie Drenthe.

Intussen gingen de onderhandelingen met het Rijk verder. De Minister stelde subsidie in het vooruitzicht en vroeg een uitgewerkt plan met begroting voor 1 oktober 1885 (40). Om hieraan te kunnen voldoen werd het personeel van de waterstaat tijdelijk uitgebreid. Het plan tot verbetering van de afwatering en de scheepvaartmogelijkheden kwam in februari 1885 gereed. Het ging uit van een verbetering van de waterafvoer in de zomermaanden. Van een betere waterafvoer in de winterperiode kon door het nog niet verbeterd zijn van de vecht geen sprake zijn.

Het plan verschilde met vorige ontwerpen: In de afvoer van het uit Duitsland komende water. Dit werd niet meer door het afwateringskanaal naar Ane geleid, maar via het scheepvaartkanaal naar de Haandrik. De Staten gingen met het plan akkoord (41). Dit deed echter niet de Minister. Deze vond dat het plan afweek van de concessie en dat er op onvoldoende wijze was gelet op de verplichtingen, die voortvloeiden uit het grensakkoord van 1824 en gewijzigd in 1836. Langdurige en moeizame onderhandelingen brachten Rijk en Provincie niet tot elkaar.

In 1886 brak de Minister de onderhandelingen met de Provincie af en deelde mede dat hij in briefwisseling was getreden met de Coevorder Kanaal Maatschappij om beschikking over het kanaal te krijgen (42). Het is dan jaren stil rond de afwatering van Coevorden. Tot dat de Coevorder Kanaal Maatschappij, het wachten moe, zich tot de Staten wendde met het verzoek om het kanaal over te nemen en zo zij dit niet wilden, dat dan ook te willen berichten. In het laatste geval zag de Maatschappij zich genoodzaakt, overigens tegen haar wil, besprekingen te openen met de provincie Overijssel. Ook dit verholen dreigement deed Drenthe niet tot andere besluiten komen (43).

In 1894 kreeg Drenthe nog een laatste kans om de regeling van de waterhuishouding rond Coevorden in eigen hand te houden. De minister van Waterstaat deelde namelijk mede, dat de plannen tot verbetering van de Vecht zodanige vaste vormen hadden verkregen, dat nu ook de afwatering rond Coevorden afdoende kon worden geregeld. Hij verzocht een besluit van de Staten om het Coevorderkanaal over te nemen, dat kanaal zelf te beheren dan wel dit te zijner tijd aan een op te richten waterschap op te dragen. Een rijkssubsidie van ƒ 85.000,-- werd in het vooruitzicht gesteld (44).

De Minister merkte nog heel fijntjes op, dat de Provincie Drenthe de grootste belanghebbende bij een goed Coevorderkanaal was en daarom de meest aangewezene om het kanaal te beheren, of althans op het beheer daarvan een overwegende invloed uit te oefenen. De Minister had ook een stok achter de deur, mochten de Staten niet tot overname besluiten, dan zag hij geen andere uitweg dan de overdracht aan Overijssel te bevorderen. Deze mededeling van de Minister was geen loos dreigement. Overleg met het provinciaal bestuur van Overijssel had hem namelijk geleerd, dat dit bereid was om voorstellen tot overname van het kanaal in de Staten te brengen.

Het Drentse College is zich de ernst van de situatie bewust geweest. Althans het kwam met een voorstel in de Staten, dat mogelijkheden voor overleg met de Minister openliet. In de oprichting van een waterschap, dat met het beheer van het Coevorderkanaal zou worden belast, had het College geen vertrouwen. Men betwijfelde of er een geschikt bestuur zou kunnen worden gevonden, dat genegen was om de belangen van een zodanig kanaal te behartigen.

Overigens sprak het college uit, dat de overname van het kanaal en de daaraan verbonden verbetering van de afwatering een groot provinciaal belang was.Het College gaf de Staten dan ook in overweging om de concessie en het Coevorderkanaal over te nemen en het op te dragen voorstellen te doen onder welke voorwaarden dit diende te geschieden. De staten besloten echter anders. Met zestien tegen veertien stemmen persisteerden zij bij hun besluit van 1882 waarbij o.m. een bijdrage van het Rijk van ƒ 125.000,-- werd gevraagd (45).

Het antwoord van de Minister op het Statenbesluit was kort en duidelijk. Van goedkeuring van het besluit kon geen sprake zijn. Hij gaf het College in overweging om de zaak in de volgende Statenvergadering nogmaals ter tafel te brengen en de aangeboden bijdrage vanƒ 85.000,-- alsnog te aanvaarden (46). Inderdaad hebben de Staten zich in de najaarszitting van 1894 opnieuw over de kwestie gebogen. Met achttien tegen vijftien stemmen handhaafden zij echter hun eerder genomen besluit (47).Met de provincie Overijssel kon de Minister van Waterstaat snel zaken doen. Reeds in 1895 besloten de Staten van Overijssel tot overneming van het kanaal, wanneer beslist zou zijn over de verbetering van de Vecht. Zij aanvaardden een rijksbijdrage in het herstel van het Coevorderkanaal (48).In de jaren 1897 – 1898 zijn de werken uitgevoerd. De kosten van de werken bedroegen rond ƒ 100.000,--. Uiteindelijk stopte de provincie Overijssel ƒ 12.327,62 in het project (49). Een luttel bedrag waarover de Staten van Drenthe zich nog wel eens achter het oor konden krabben.