De dreiging van de Dedemsvaart

Nu had Drenthe ook wel redenen om met argwaan naar Overijssel en de Dedemsvaart te kijken. In de concessie tot aanleg van dit kanaal (1809) was bepaald, dat het kanaal niet verder mocht worden opgelegd dan tot de grens tussen Drenthe en Overijssel. Evenmin mocht het kanaal een waterverbinding krijgen met de Grote- en de Kleine Vecht (20). Aan deze belemmering maakte het rijk in 1845 een einde. De eigenaren van de Dedemsvaart waren in de veertiger jaren in de financiële moeilijkheden gekomen en niet meer in staat om het kanaal te exploiteren.

Het kanaal werd in 1845 in het openbaar verkocht, waarbij de provincie Overijssel eigenaar van het kanaal werd. Aan de verkoping ging een contract vooraf, waarbij het rijk en eigenaren overeenkwamen dat de laatsten ermee instemden, dat er vanuit Coevorden een kanaal naar de Dedemsvaart zou worden aangelegd. De juiste plaats van dit kanaal zou door het Rijk worden bepaald. Deze bepaling, die eventuele kopers aantrekkelijke vooruitzichten moest bieden, werd aan de verkoopconditiën toegevoegd (21). Deze bepaling heeft de staten van Overijssel bijzonder aangesproken. Men zag grote mogelijkheden voor de Dedemsvaart in de doortrekking van het kanaal naar Coevorden.

Van hieruit zou de kanalisatie kunnen worden voortgezet langs Schoonebeek naar de Eems. Op deze manier bedacht men een scheepvaartverbinding tussen deze Duitse rivier en de Zuiderzee tot stand te kunnen brengen.

Dedemsvaart-Coevorden

Drenthe is zeker niet onkundig geweest van de ontwikkeling rond de Dedemsvaart. Mocht dit al het geval zijn geweest, dan werd men in februari 1846 wel wakker geschud. Niet minder dan 117 ingezetenen van Coevorden zonden een petitie naar de koning om een verbinding van Coevorden met de Dedemsvaart te bepleiten (22). Zij wensten niet alleen een scheepvaartweg naar Dedemsvaart, maar dachten ook het overtollige water in deze richting te kunnen afvoeren.Op vooral dit laatste punt zou het plan van de burgers van Coevorden stranden. De Dedemsvaart was allerminst in staat om zoveel water te verwerken.

De staten van de Koning met het verzoek om geen vergunning te verlenen tot het doortrekken van de Dedemsvaart naar Coevorden (23). Indachtig de wateroverlast die de Dedemsvaart reeds in het Reestgebied veroorzaakte, verklaarden de Staten dat de Dedemsvaart niet het recht bezat om zijn overtollig water op dit kanaal te brengen. Overigens zou, zoals later zal blijken, Drenthe niet in staat zijn om de verbinding van Coevorden met de Dedemsvaart te voorkomen.