Het Arsenaal

Korte voordracht voor de Picardt-club, Ganzenmarkt 1975

Mijnheer de Slotvoogd, mijne Heren Assesoren, Dames en Heren Picardtianen,

Allereerst mijn hartelijke dank voor uw uitnodiging om in uw gezelschap te mogen spreken over Coevorden als vestingstad en over het arsenaal. U zult zicht herinneren dat de uitnodiging haar inspiratie vond in het heit dat regiment van Heutsz – waarvan ik vorig jaar de commandant was en in die kwaliteit woonde ik vorig jaar een bijeenkomst van de Picardt-club bij – dit jaar 25 jaar bestaat. En het zal u allen in dit gezelschap bekend zijn dat Joannes Benedictus van Heutsz in Coevorden, nabij het Arsenaal van Coevorden, is geboren. De sprong is dus logisch.

Regiment-van Heutsz-Arsenaal-Vestingstad

Voordat ik over Coevorden zelf spreek een klein punt van orde. In de aan u uitgereikte map bevindt zich de Legerkoerier van juni 1975. Daarin is n.m.m. een goed artikel over Van Heutsz geschreven. Het is geschreven door een van de medewerkers van de Sectie Krijgsgeschiedenis van de Generale Staf. Het artikel geeft u aardige, eigentijdse informatie over het Heutsz en het stelt – doordat ik het kan uitreiken – mij in staat mij bij de vestingstad Coevorden zelf te houden.

Een vestingstad met een langdurige en roemrijke geschiedenis. De drie podagristen denken over vestingsteden evenwel meer genuanceerd. Ik citeer: "Een vesting is voor een vermoeide reiziger eene ware folterbank. Wij ondervonden dit eens in eene der vestingen in ons land op de droevigste wijze. ’s Avonds hield het geroffel van de trommel, 't dronkenmansgezang der soldaten (’t was die dag kerstmis) en ’t aanhoudend "werda" der schildwacht, bij elken klokslag, ons lang uit den slaap. Voeg daarbij ’t geknars der zwaaren en hooge poortdeuren op hare verroeste harren en ’t geratel der wagenwielen over hobbelige keien - voorts de ellende van een paar dozijn muizen, die achter het behang hun galoppade hielden, ’t geloei van een hongerig rundbeest, ’t gejank van een gros katten, die ’t zoo scheen de Maartse geneugren anticipeerden en gij hadt een kort overzicht van onzen deerniswaardigen toestand."

Een verhaal dacht ik, dat ik beter niet had kunnen houden als ik hier gekomen zou zijn om u te vragen van Coevorden weer een Garnizoensstad te maken.

Wat maakte Coevorden zo belangrijk? Ik verstout mij een eenzijdige militaire benadering. De natuurlijke ligging van Coevorden heeft haar vanouds tot een belangrijke veste gemaakt, zo zelfs, dat zij door deze militair strategische berekenig eertijds werd aangemerkt als Drenthe’s hoofdstad. Wanneer men in vroeger dagen tijdens een veldtocht vanuit het westen eenmaal Coevorden had bereikt dan lag de weg naar het hoge terrein van de Hondsrug en naar Groningen open. Wie Coevorden bezat, bezat toegang tot het noorden des lands.

Het is bekend dat hier in Coevorden van de Romeinen afkomstige voorwerpen zijn opgegraven. Het bewijst niet dat hier een Romeinse nederzetting is geweest, maar als deze er is geweest, dan kan men aannemen dat hier een militaire vestiging is geweest. De militaire strategische ligging van Coevorden noodzaakte daartoe. Uit andere opgravingen is bekend dat een Romeinse legerplaats, ook als deze slechts tijdelijk werd betrokken, steeds omgeven werd door een aarden wal met grachten, waarbinnen houten hutten voor legering werden opgetrokken. In belangrijke plaatsen werden stenen gebouwen geplaatst en vinden we thans nog resten van badhuizen en dergelijke.

Er zijn echter, zo klaagt Picardt, weinig scribenten, die de oudste geschiedenissen van Coevorden hebben genoteerd. De drie podagristen geven gelukkig wel een uitgebreide en nauwkeurige beschrijving van alle veldslagen, de moed en de lafheid van de mensen en de opkomst en het verval van de vesting.

Ik moet, gelet op de tijd, deze geschiedenis met reuzesprongen doorlopen.
Laat ik beginnen met de 12e eeuw; zover bekend wordt in de in 1195 door Rudolf van Coevorden gesloten overeenkomst, de verzoening met O. van Bentheim, voor het eerst gesproken over villa Coevordiae. De stad was toen nog niet voorzien van wallen of muren. Er bestond wel een kasteel, dat binnen de latere vesting lag nabij het bolwerk Gelderland. Een kasteel dat in de middeleeuwen regelmatig van eigenaar verwisselde. We moeten tot 1579 gaan voordat we gewag kunnen maken van een vesting. Toen maakte Rennenberg, toenmalige staatsgouverneur van Groningen, een ontwerp om het slot van Coevorden met een aarden wal van vijf bastions te omringen. Johan van Corput begon de werkzaamheden, doch moest wegens gebrek aan geld staken.

U ziet het, voor wat betreft het geldgebrek is er geen nieuws onder de zon. Toen Rennenberg in het volgend jaar 1580 de Spaanse zijde koos, was een der gevolgen van dit optreden dat zowel het kasteel als de stad – nog onbewald zijnde na het verlies van de slag bij Hardenberg – zonder veel moeite weer onder het gebied van Philips II, koning van Spanje, werd gebracht.

Hoewel de graaf van Hohenlo de vesting weer in staatse handen deed overgaan, werd zij kort daarop andermaal door de "verrader" Rennenberg voor de Spaanse koning overmeesterd. De versterking van het kasteel werd nu door Everhart van Ensse, die door Philips tot Kastelein van Coevorden en Drost van Drenthe was aangesteld, voltooid en bestond uit een vijfhoek met sterke wallen, een ravelijn voor de brug en een gracht van 100 voet breed, waarin een stevig paalwerk van eiken balken de doorgang verstevigde.

In 1591 werd de stad voor het eerst door de Spanjaarden onder Rennenberg met wallen omgeven. De Spaande veldheer Verdugo had er een bezetting van 1.000 man ingelegd onder bevel van Frederik van den Bergh. Op 12 september 1592 werd de vesting door Prins Maurits genomen. Ruim een jaar later (oktober 1593) deed Verdugo een poging haar te veroveren, doch moest hiervan, na een beleg van 31 weken, op 6 mei 1594 afzien.

Van 1597 tot 1607 werd de vesting ten koste van grote geldelijke offers nog verbeterd en volmaakt, zodat zij in de 17e eeuw voor een der sterkste vestigen werd gehouden. Na de Vrede van Münster (1648) was de vesting verwaarloosd. Zij bleek voor de Bisschop van Münster, Christoph Bernard van Galen, als bondgenoot van Lodewijk XIV in diens strijd tegen de Republiek in juli 1672 dan ook een gemakkelijke prooi. Binnen enkele dagen verwisselde Coevorden weer van bezitter. In de nacht van 29 op 30 december van dat jaar werd de stad door de Staatse troepen onder Generaal Rabenhaupt aan de Münstersen echter weer ontnomen, waarbij vooral de bekende schoolmeester Meyndert Minnes van Thynen een belangrijke rol speelde.

Toen van Galen geen mogelijkheid zag Coevorden met geweld van wapenen te hernemen, besloot hij in 1673 de Staatse bezetting door inundatie-water tot ontruiming van de vesting te dwingen. Door een veertien voet hoge dijk van het Huis te Gramsbergen tot het Huis ter Laar te doen opwerpen wist hij het water van de Vecht zodanig op te stuwen, dat het de straten van de stad deed onderlopen en de bezetting genoodzaakt was in de hutten op de wal een droog onderkomen te verschaffen. De toestand van de Staatsen leek hopeloos. Een op 1 oktober 1673 uit het Oosten hevig opgestoken storm bracht uitkomst: de “afsluitdijk” bezweek voor het daartegen opgezweepte water en bij de doorbraak kwamen ongeveer 500 Munsterse soldaten om het leven. Coevorden bleef in het bezit van de Staatse troepen.

U ziet het, niet het tactisch vernuft van een veldheer maar van toevallige meteorologische omstandigheden zorgden ervoor dat de Munsterse troepen verloren.

Als ik deze vesting-belichting van Coevorden afrond, dan resten mij echter nog twee eeuwen. De podagristen klagen erover dat over die periode weinig roemrijks is te vertellen. Menno van Coehoorn maakte Coevorden in het begin van de 18e eeuw - begonnen werd in 1698 - tot een onneembare vesting. De vijfhoek werd zevenhoek, de vorm die het zou behouden. Overigens het wapen van de stichting Menno van Coehoorn, een stichting die reeds lang over het behoud van oude vestingen waakt, is het tracé van Coevorden. Menno van Coehoorn sloopte bij de renovatie wel het oude kasteel. Opvallend is dat nadat de vesting een hoge graad van perfektie had bereikt, er niet meer daadwerkelijk om de vesting is gevochten. In 1870 werden de vestingwerken gesloopt als gevolg van de veranderde strategische inzichten. Alleen het nieuwe kasteel, de contrescarp, de buitengracht en de regelmatige stratenaanleg herinneren nu aan een roemrijk verleden.

Maar ook het arsenaal en het is met dat arsenaal wel merkwaardig gesteld. Wie de moeite neemt enige tijd door te brengen in het Rijksarchief te Den Haag zal tot de conclusie komen dat in het kaartenbestand van de "Plannen van Vestingen" het arsenaal voor het eerst voorkomt op een kaart uit 1750.
Het arsenaal staat op dit kaart in de vesting Holland en bij het arsenaal is geen magazijnmeesterswoning getekend of vermeld.

In documenten uit 1750 wordt merkwaardigerwijs wel gesproken over de slechte staat van het arsenaal. Men kan dus aannemen dat er voor 1740/1720 geen sprake was van een arsenaal, althans dat het woord arsenaal niet werd gebruikt. En dat na 1740/1720 voor het eerste een arsenaal in de vesting Coevorden moet zijn geweest. Bij het beleg door de Munstersen in juli 1672 werd het provinciehuis zwaar getroffen. In zijn Memoriaal van 1672 spreekt Meindert van Tienen over het kruithuis, gelegen bij het bolwerk Overijssel.
Er zijn nu verschillende mogelijkheden: de kaarten waren niet nauwkeurig, maar ik neem aan – de genie kennende- dat zulks niet het geval is.
Een andere mogelijkheid is, dat men tot het begin van de 18e eeuw het woord arsenaal niet of weinig gebruikte.

U zult zich herinneren dat juist in die tijd Menno van Coehoorn met de bevestiging van de stad begon. Toeval? Ik weet het niet zeker. Wel weten we dat van de Thijnen als beloning "'t opzicht over ’s Lands magazijnen te Coevorden" kreeg opgedragen. En dat was in 1673, met andere woorden eerst magazijn en daarna werd hetzelfde gebouw arsenaal?

Laat ik een andere benadering wagen. Het woord heeft een Arabische oorsprong: "dar – as – sina "ah" en men gebruikte dit woord, dat tuighuis berekent, reeds in de oudheid. In een tuighuis wordt/werd krijgsmateriaal opgeslagen. Het woord magazijn - ik vermeldde al dat van der Thijnen ’s Lands magazijnen ging beheren – dekt nu de lading wel, maar het is tocht geen "arsenaal". Arsenaal werd pas "in", toen na de middeleeuwen de groeiende betekenis van de artillerie adequate opslag en (her)constructie van het materiaal vereiste. Dikke muren, waarbinnen wapens, provisie ed. waren opgeslagen en waar men ook reparaties kon verrichten. Het is dus gerechtvaardigd te stellen dat het magazijn omstreeks de helft van de 18e eeuw werd omgebouwd en tegelijk omgedoopt tot arsenaal.

Laat ik u overigens belijden dat het archief te Den Haag meerdere gegevens over Coevorden moet bezitten, die, mits men tijd heeft, alleszins de moeite waard zijn aan een nader onderzoek te onderwerpen. Het woord magazijn zal ons overigens wel vervolgen, althans het wordt ook na 1750 genoemd. Op een kaart uit 1826 is – voor het eerst – in het arsenaal van Coevorden de magazijnmeesterswoning opgenomen. In het kaartenbestand "Plannen van Gebouwen" vinden we een uitgewerkte schets uit 1827. Op deze schets staat de eerder genoemde magazijnmeesterswoning.

De volgorde is dus magazijn, arsenaal zonder magazijnmeesterswoning, arsenaal met magazijnmeesterswoning. Opvallend is dat de restauratie van het huidige arsenaal niet volgens die laatstgenoemde schets plaats vindt. Ik heb vanmorgen namelijk rond het huidige arsenaal gelopen. Een soort inspektietocht (het bloed kruipt tocht waar het niet gaan kan). Ik heb daar geconstateerd – aan de hand van deze schets – dat in feite alleen de "aangesloten arsenaals" worden gerestaureerd. Men zou kunnen zeggen dat er wellicht sprake is van een missing link. Het is mij niet bekend volgens welk plan het arsenaal wordt gerestaureerd. In ieder geval niet volgens de getoonde schets, waarop arsenaal plus magazijnmeesterswoning zijn getekend. Het is vermoedelijk in deze magazijnmeesterswoning dat van Heutsz is geboren, in het jaar dat de verpachting van het arsenaal – tegelijk met de sloop van de vesting - begon. De vader van Van Heutsz, kapitein der artillerie, was namelijk magazijnmeester.

Het jaar na de geboorte van van Heutsz werd het gezin overgeplaatst; Coevorden was immers geen belangrijke vesting meer. En daarmee dacht ik mijn praatje af te ronden.

Meindert Meines van der Thijnen, opzichter van het magazijn en van Heutsz, geboren in de magazijnmeesterswoning. Het spitst zich toe op uw arsenaal, waarover natuurlijk veel meer te vertellen valt. De tijd laat het helaas niet toe. Op beide figuren v.d. Thijnen en van Heutsz is het Multis Pericules Supersum zonder meer van toepassing. Ik hoop in alle ernst dat Coevorden en ons land deze spreuk niet meer hoeven waar te maken in een werkelijk conflict. Dat de zorgen van Coevorden beperkt mogen blijven tot het verslagen van percentage arbeidsreserve en het sluitend maken van de financiën.

Laat ik u eerlijk zeggen, mijnheer de Slotvoogd, het was voor mij een bijzonder genoegen deze voordracht te mogen houden. En ook een bijzondere eer. Immers, geboren in het voormalige Indië, thans woonachtig in Wassenaar, en werkzaam in Den Haag, ex-commandant van het Reg. van Heutsz met standplaats ’s-Hertogenbosch en dan hier in Drenthe iets te mogen zeggen over Coevorden.

Luitenant-kolonel J.L.G.Huyser.