Hoofdstuk 3, Gasverlichting in de Eerste Wereldoorlog

In de zomermaanden van 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Van de oorlogshandelingen merkten wij niet zoveel, maar vervelend was het wel. De kolenaanvoer uit Engeland en Duitsland liep terug en stagneerde later zelfs helemaal. De kolenproductie in Limburg kon de vraag bij lange na niet dekken. Dit had ook gevolgen voor de gasverlichting van Coevorden. Einde 1914 wordt aan Thijssen gevraagd om de avondlantaarns eerder uit te doen, namelijk om 10 uur. Aan dit verzoek wordt door Thijssen voldaan, hoewel niet van harte, want hij heeft nog kolen genoeg en zal nu minder cokes kunnen produceren waardoor hij daar de verkoopopbrengst van mist. Uit deze besparende maatregel ontstond een grote twist. Sinds de administratieve maatregel van 1907 werd er per avondlantaarn f 29,50 en per nachtlantaarn f 60,-- betaald per jaar. Dit bedrag werd ook betaald als de lantaarns tijdens een donkere winter wat meer hadden gebrand. De gemeente is nu echter niet van plan om de gewone jaarlijkse nota helemaal te betalen nu de lantaarns minder branden. De gemeente zegt nu dat het aantal uren dat de lantaarns niet branden vanwege de kolenbesparing niet betaald hoeven te worden. Thijssen eist, dat hij volgens de regeling uit 1907 uitbetaald krijgt. De gemeente acht zich hiertoe niet verplicht, aangezien de regeling van 1907 slechts een administratieve maatregel was waarmee geen van beide partijen en concessiewijziging mee hadden bedoeld. Er was dan ook geen toestemming gevraagd aan Gedeputeerde Staten. De gemeente had dus het recht, om wanneer dan ook, volgens de concessievoorwaarden van 1903 de gasprijs te betalen, de 2 cent per uur voor elke vlam. Beide partijen verharden in hun standpunt en nemen een advocaat in de arm. Na lange onderhandelingen besluiten de partijen dat er door de kantonrechter in Emmen arbitrage zal worden gepleegd. Thijssen laat het dan niet zo ver komen. Hij ziet dat de gemeente juridisch gezien het sterkst staat. Hij gaat weer met de gemeente onderhandelen. Het resultaat is dat Thijssen voortaan weer volgens de concessievoorwaarden uit 1903 betaald wordt ( 2 cent per uur voor iedere vlam). Voor elke vlam die van gemeentewege niet mag brandden, ontvangt de heer Thijssen voortaan 1 cent per uur.

De gemeente ging gedurende de oorlog in verband met de kolenschaarste aangeven op welke uren de lantaarns moesten branden. De kalender Tijl werd dus gedurende deze jaren niet gebruikt. Thijssen kreeg het deze jaren moeilijk, de gaskolen werden steeds duurder, maar hij mocht van de gemeente de gasprijs voor de particuliere verlichting niet verhogen. Ook liepen voor Thijssen de verdiensten uit de cokesverkoop terug, nu de gemeente minder gas afnam voor de publieke verlichting. Dit laatste werd helemaal erg toen de gemeente hem liet weten dat vanaf 30 juni 1915 de lantaarns helemaal niet meer mochten branden, met uitzondering van één lantaarn bij de Bentheimerbrug. Deze moet als nachtlantaarn branden.

Op 28 oktober 1915 krijgt Thijssen te horen dat één van de lantaarns op het Stationsplein weer moet branden als nachtlantaarn. Ook moet hij van de gemeente een nieuwe lantaarn plaatsen bij de woning van de directeur van de zuivelfabriek. Dit moet een avondlantaarn zijn.

Eind 1916 wordt het Rijkskolenbureau opgericht. Alle bedrijven moeten kun kolenvoorraad opgeven. De gemeenten krijgen de opdracht van de regering om flink te bezuinigen op het kolenverbruik. Voortaan krijgt iedere fabriek elke maar een kwantum kolen toegewezen. Ook de gasfabriek krijgt nu maandelijks kolen toebedeeld. Als de gemeente niet zorgt voor stevige bezuinigingen zal de gasfabriek overgeslagen worden in de toedeling (Dit gebeurt ook in januari 1917). De gemeente neemt de volgende bezuinigingsmaatregelen: Tot 70% van het normale particuliere gasverbruik betalen de verbruikers de normale 9 cent per m3. Als er meer verbruikt wordt moet de verbruiker voor elke m3 die meer wordt verbruikt, dan moeten de desbetreffende verbruikers van het gas worden afgesloten. Om dit te voorkomen, gooit de gemeente het op een akkoordje met Thijsssen. Hij zal vanaf 14 maart de volle prijs uitbetaald krijgen hoewel de meeste lantaarns niet branden, als de gemeente dan voor de gemeentegebouwen het gewone verbruik kan handhaven tegen de gewone prijs. Tegelijkertijd vraagt de gemeente aan Thijssen of hij nu de lantaarn op de hoek van het weeshuis en die aan de woning van Ds. Coolsma bij donkere maan weer kan laten branden tot 's avonds half twaalf. Op 6 augustus komt de gemeente terug van haar afspraak van 14 maart. Voortaan zal voor de lantaarns die niet branden de vergoeding van 1 cent per uur weer gelden ( de gemeente zag blijkbaar geen voordeel meer in haar afspraakje). Thijssen wil hier wel mee akkoord gaan, als hij voor het gas over de gewone meters van de particuliere verlichting 12½ cent mag vragen per m3. Dit wil de gemeente echter niet hebben. Die wil de gasprijs lager houden en staat niet meer dan 11 cent per m3. toe. Daarnaast moeten van de gemeente de cokesprijzen met 20 cent omlaag.Hiermee kan Thijssen niet accoord gaan, want een verhoging van slechts 2 cent (van 9 naar 11 cent) wordt nu helemaal teniet gedaan door de prijsverlaging van de cokesprijs. Dit wordt een grote twist. Deze laait zo hoog op, dat Thijssen zelfs weigert om gegevens te verstrekken aan de gascommissie, die de gasrantsoenering moet vaststellen. Deze ruzie gaar de hele verdere oorlog door. Het Rijkskolenbureau wordt er zelfs bijgesleept. Deze heeft toen tabellen gestuurd volgens welke de minimumprijzen voor gas en cokes werden bepaald. Het Rijkskolenbureau verplicht de gemeente ook om alle cokes die op de fabriek over blijven af te nemen. De gemeente doet dit echter niet (om financiële redenen). Het gevolg is dat de gasfabriek met zulke voorraden cokes komt te zitten dat het bedrijf stagneert. De gemeente treft dan een regeling met het Rijkskolenbureau, het Rijkskolenbureau heeft hier bemiddeld door onpartijdige deskundigen. Deze zouden dan moeten bepalen aan de hand van de verlies- en winstcijfers of de gasfabriek voor zijn gas wel een redelijke prijs ontving. Aanvankelijk wilde Thijssen niet dat er een accountantonderzoek kwam ( er was namelijk nog geen echte boekhouding in zijn bedrijf). Thijssen wil gewoon dat de gas- en cokesprijzen worden bepaald aan de hand van de tabellen van het Rijkskolenbureau. Het was nu ondertussen 1918 geworden, de kolenrantsoenen werden steeds kleiner. Er waren nu ook hoeveelheden bruinkool bij die Thijssen contractueel en technisch gezien moeilijk kon verwerken. Er moest nog meer bezuinigd worden op het particuliere gasverbruik, wilde de gasfabriek kolen genoeg houden om na 15 juni nog gas te kunnen leveren. Daarom besloot de gemeente om vanaf 1 juni, op één lantaarn bij de Bentheimerbrug na, alle lantaarns uit te laten.Thijssen ging nu ook akkoord om door deskundigen te laten onderzoeken of er een redelijke gasprijs werd betaald. De gemeente en Thijssen beloofden dat ze zich beide aan de uitkomst van het onderzoek zouden houden. Intussen kwam de gasfabriek nog enkele weken stil te liggen omdat het Rijkskolenbureau het maandelijks rantsoen te laat verzond.

De Eerste Wereldoorlog was voor de gasvoorziening een donkere tijd.